dinsdag 28 juni 2016

Piekrating deel 2

In deel 1 trachtte ik aan te tonen dat winnen/ zichzelf verbeteren voor de meeste schakers de belangrijkste drijfveer is om te schaken. Leeftijd speelt nauwelijks een rol want zelfs oudere spelers zijn perfect capabel om persoonlijke topprestaties neer te zetten. Zo rapporteerde ik over onze Luc Winants piekrating op 53-jarige leeftijd die ik een unieke prestatie noemde.

Misschien zullen sommige lezers zich de vraag gesteld hebben wat er precies bedoeld wordt met "uniek". Komt het niet vaker voor dat + 50 spelers een piekrating behalen en op welke leeftijd speelt een schaker op zijn beste niveau? Beide kritische vragen zijn niet makkelijk te beantwoorden maar met dit artikel doe ik toch een poging.

De speelsterkte vergelijken van spelers door de tijd is erg moeilijk. Fide publiceert zelf geen historisch onderzoek integendeel want bemoeilijkt alleen maar door het blokkeren van historische data. Sommige amateurs hebben zelf iets op poten gezet maar de resultaten zijn op zijn minst dubieus zoals dit leuk fimpje op Youtube. Het mixen van diverse ratingsystemen (edo, cmr, elo) is misschien goed genoeg om een grove selectie te maken tussen spelers maar is onvoldoende nauwkeurig om iemands piekrating te bepalen.

Het vasthouden aan 1 ratingsysteem is dus een vereiste en als je zelf geen tijd hebt om een systeem uit te werken dan blijft er weinig keuze over. Je hebt slechts de fiderating en de landelijke ratings. Daarbij valt onze Belgische rating ook al snel af want onze KBSB houdt enkel de klassementen bij van de laatste 10 jaar. Misschien zijn er oudere spelers die in een persoonlijk archief meer materiaal hierover hebben maar ik ben daar niet van op de hoogte.

Viktor Korchnoi speelde meer dan 60 jaar competitieschaak op (zeer) hoog niveau dus een actieve schaakcarriere kan erg lang duren. Correct, zelfs de klassementen van fide bestaan slechts sinds 1970 dus bieden vandaag nog geen compleet antwoord. Nu ik denk dat je met 46 jaren toch al een heel mooie tijdspanne hebt waarover iets zinnigs kan worden gezegd. Het is te zeggen als je gelooft dat elo-inflatie maar ook elo-deflatie geen belangrijke rol speelt. De statistische fluctuaties hoop ik te kunnen neutraliseren door veel data te gebruiken.

Toen ik in 1998 mijn eerste fide-elo kreeg was de minimumgrens nog 2200. Dit betekent automatisch dat alle spelers beneden de 2200 ook afvallen daar er vandaag onvoldoende datapunten voor hen beschikbaar zijn. Omdat we geïnteresseerd zijn in iemands piekrating moeten we ook zeker zijn dat de speler al een lange actieve carriere erop heeft zitten. 50+ lijkt mij dus een tweede noodzakelijke voorwaarde. Het heeft evenmin zin om spelers in rekening te brengen die in de lijsten nog wel vermeld worden maar al lang geen partij meer gespeeld hebben of lange tijd vroeger inactief zijn geweest. Als we dan ons beperken tot de Belgische spelers dan komen we in de problemen want slechts 15 voldoen aan alle voorwaarden. Dit is veel te weinig om iets te kunnen afleiden.

Om een grotere groep te bereiken, viel mijn keuze uiteindelijk op de actieve +50 spelers met een +2500 elo ongeacht de nationaliteit. Hiermee kan ik niet toevallig ook een beeld vormen over hoe Lucs prestatie in verhouding staat met die van zijn collega's. Vandaag zijn er 1522 grootmeesters (juni 2016) dus ik had wel wat schrik voor de omvang van het studiewerk maar na het filteren op leeftijd viel het nog best mee.

Slechts 82 spelers blijven uiteindelijk over. Het eerste wat mij opvalt is dat ik bijna alle namen (op 4 uitzonderingen na) al eens eerder had gehoord wat zeker niet het geval is bij jongere grootmeesters. Vroeger had een grootmeestertitel een veel grotere uitstraling.

De gemiddelde piekleeftijd is 39 maar we zien enorme verschillen tussen de spelers. Zo piekte de Amerikaanse GM Maxim Dlugy op 23 jarige leeftijd terwijl de Tsjechische grootmeester Igors Rausisop 54 jarige leeftijd. Die laatste is de recordhouder en doet het dus 1 jaar beter dan Luc Winants.

Een ander aspect dat mij opvalt is dat er nog heel wat spelers erin slagen na hun piek om hun rating goed vast te houden. 72 elo gemiddeld werd er verloren wat op de eloschaal toch relatief weinig is. Een speler die mij hierbij het meest verwondert, is het Duitse icoon Robert Huebner. Hij behaalde op 33 jarige leeftijd al zijn piekrating. Vandaag op 68 jarige leeftijd nog steeds actief maar ongelooflijk slechts 54 punten verloren!

Deze lang-levendigheid is een enorme troef voor het schaken. Er bestaan zeer weinig sporten/ disciplines waarin leeftijd zo weinig grip krijgt op iemands prestaties. Nu ik besef wel dat wat hierboven werd aangetoond voor profspelers misschien niet helemaal hetzelfde is voor amateurs. De motivatie/ ambities liggen wellicht een stuk lager bij de gemiddelde amateur t.o.v. de gemiddelde profspeler. Ik ken heel wat +50 amateurschakers die 200 punten en meer van hun Belgische piekrating verloren hebben. Bovendien zijn in de statistieken enkel spelers opgenomen die gedurende vele decennia actief zijn geweest. Ik ken het aantal spelers niet die gestopt is maar als je ook die in beschouwing neemt dan zal het plaatje er zeker anders uit zien.

Brabo

woensdag 15 juni 2016

Korchnoi chess is my life

Weinig grootmeesters hebben meer partijen gespeeld dan Korchnoi – ik zie dat er in Chessbase Mega 2016 meer dan 5.000 zitten. Op een totaal van zo’n 5 miljoen partijen betekent dat, van alle geregistreerde ooit op enig niveau gespeelde schaakpartijen, Korchnoi zelf in één op duizend verwikkeld was en meer nog, bij ongeveer één op tweehonderd als toeschouwer/mededeelnemer aan het tornooi aanwezig was. Mocht je deze statistiek beperken tot enkel grootmeesterpartijen, dan is de footprint van Korchnoi nog vele malen groter.

Hij speelde tegen Levenfish (°1889) en tegen Carlsen (°1990), hij won van alle wereldkampioenen van Botvinnik tot en met Kasparov minstens één partij – tegen Tal had hij een geweldige plusscore, tegen Karpov daarentegen een vreselijke minscore. Hij leefde voor het schaken, met een intense sturm und drang die waarschijnlijk bij geen enkele andere grootmeester aanwezig was of is. Zijn norsheid, zijn opinies waar hij aan vasthield, zijn haat tegenover de Sovjet-Unie, zijn jeugdjaren in het zwaar belegerde en uitgehongerde Leningrad tijdens WOII, zijn onverwachte uitvallen, maar ook zijn onverwachte humor, zijn heldere analyses op en naast het schaakbord, zijn anekdotes, geput uit een uitstekend geheugen. We moeten het nu allemaal missen. Eén van de allergrootsten uit de schaakwereld is heengegaan en net als bij de net overleden Mohammed Ali of Johan Cruijff, mogen we blij zijn dat we hen tijdens hun leven nog aan het werk hebben gezien.

Ik heb Korchnoi tweemaal live gezien – het was tijdens het open Lost Boys tornooi in Antwerpen in 1995 (gewonnen door Novikov en Sokolov ; Korchnoi werd gedeeld derde met nog vijf anderen). De eerste keer was wel de meest memorabele. Hij speelde in de derde ronde een partij tegen de sterke Nederlander Teun Van der Vorm en ik stond net aan zijn bord te kijken met een vijftal andere toeschouwers, toen Van der Vorm opgaf. Korchnoi leek niet al te happy en algauw bleek waarom: ‘If I come up to the board, you should stand up to shake my hand. Not because I’m a grandmaster – also for that – but because I’m older and out of respect for my age you should stand up.’ Van der Vorm hield wijselijk zijn mond, want Victor de Verschrikkelijke ging verder. ‘You play this game against my French and then you deviate from a game of Fischer. Why do you do that – do you think you’re better than Fischer ?’ Van der Vorm stamelde iets als ‘it looked playable’ maar Korchnoi was in no mood for jokes en tot een analyse kwam het niet. Het feit dat ik dit nog altijd vlot uit mijn geheugen kan opdiepen geeft ook weer wat een indruk dit maakte op mij – laat staan op Van der Vorm zelf.

De tweede keer was minder indrukwekkend, in het stadscentrum in Antwerpen, tijdens datzelfde tornooi. Ik stond – samen met Franky D. - aan het kruispunt van de Huidevetterstraat en de Meir te wachten aan de verkeerslichten om de straat te dwarsen, toen ik Korchnoi aan de overkant opmerkte. Ikzelf stak over en te beschroomd om hem aan te spreken, passeerde hem met een half binnenmonds gemompeld ‘good evening Mr Korchnoi’.  Hij merkte het half op had ik de indruk. Franky wachtte hem op aan de overkant en knoopte een korte babbel met hem aan. Jammer dat smartphones toen nog niet bestonden…

Op twitter werd een mooie reactie van Svidler gepost, waarin hij zei dat een belediging door Korchnoi een soort ereteken was (het deed me even denken aan Donner, waar je als Nederlandse schaker slechts iets betekende als Donner je had opgemerkt en … beschimpt – ‘Krabbé ? Een renner!’) – als je hem kwaad kreeg, was dat vooral omdat hij geërgerd was. En niets kon hem meer ergeren dan een gebrek aan respect of een verliespartij. Svidler won hun eerste onderlinge partij omdat Korchnoi ondanks het vervlakkende spel van Svidler op winst was blijven spelen, maar Korchnoi versloeg hem vernietigend in hun tweede partij. Hij had een uur zitten nadenken over een geforceerde voortzetting – Svidler zag in dat uur niet hoe Korchnoi kon winnen, maar na dat uur in de denktank werd hij toch in de snelle zettenwisseling die erop volgde van het bord gezet. Toen Svidler hem na de partij feliciteerde met de woorden « ik kan een sterk gespeelde partij altijd appreciëren, ook als ze tegen mij gespeeld wordt » ontdooide Korchnoi. Beide partijen zijn zeer de moeite.

Zoals op de Chessbase-website vermeld wordt,blijft zijn (tweede) vrouw Petra nu alleen achter – een zielsverwant, want ook zij had ten volle de zwarte kant van het communisme aan den lijve ervaren. Toen ze hem voor het eerst zag wist ze dat ze voor elkaar gemaakt waren – en dat Korchnoi haar nodig had, eerst als secretaresse, later als vrouw en toeverlaat. Korchnoi leefde enkel voor het schaken en dat mag letterlijk genomen worden. Hij las geen romans of andere boeken, hij ging zelden of nooit naar culturele of sportieve manifestaties. Zijn grootste plezier – toen hij het roken had opgegeven – was het genieten van een goed stuk chocolade. Zelf had hij spijt van dat gat in zijn cultuur, dat hij bv de Russische klassieke auteurs niet gelezen had, maar het was de keuze die hij gemaakt had : alles voor het schaakspel – geen compromis.

Ik heb één boek van Korchnoi zelf (PracticalRook Endgames) – de eindspelen zijn enorm diepgravend (Hubneriaans) geanalyseerd, maar enorm leerrijk. Voor wie wil weten op welk niveau de wereldtop analyseert  - een aanrader (zie bv chessgames of chesscafe voor een bespreking), al was het maar voor de prima inleiding met elementaire toreneindspelen die hij erbij geeft.

Heeft Korchnoi indrukwekkende partijen voor het nageslacht gespeeld ? Ja. Winstpartijen van Korchnoi die in lijstjes opgenoemd worden als beste of meest memorabele partijen ? Neen. In het boekje « Legendäre Schachpartien » van Humboldt, staan meer dan 100 gedenkwaardige partijen. Twee ervan zijn verliespartijen van Korchnoi, geen enkele winstpartij van hem is opgenomen. Ter vergelijking, Tal komt zes keer voor, Kasparov acht keer. Ook in andere verzamelingen van dit kaliber staan zelden winstpartijen van Korchnoi (in Bouwmeesters 100 briljantepartijen staan er tot mijn verrassing toch twee: Korchnoi-Udovcic, Leningrad 1967, waarin hij mag aantreden tegen zijn eigen Franse verdediging en het late middenspel van Korchnoi-Yusupov, Rotterdam 1988). Korchnoi was niet ‘briljant’, hij hield van verdedigen en tegenaanval, maar zoals Spassky het eens tongue-in-cheek formuleerde : « Hij kan alles, van aanval tot verdediging, van complexe middenspelen tot technische eindspelen. Hij beheerst zijn openingstheorie en heeft een ongelofelijke werkkracht. Het is alleen jammer dat hij niet het talent heeft om wereldkampioen te worden. » En eigenlijk was dat de nagel op de kop. Net zoals Kamsky jaren later, miste ook Korchnoi die laatste sparkle inventiviteit, durf, talent, geluk, bereidheid tot risico, genialiteit – noem het zoals je wil – om die laatste horde te nemen. Alles was gebaseerd op elke dag in dag uit te werken aan zijn schaakspel. Vaak bracht hij een ‘nieuwtje’ op het bord, wat vaak in partijen van vijftig jaren eerder al geprobeerd was, onder het motto ‘everything that is forgotten is new (again)’.

Mijn zeer persoonlijke keuze van Korchnoi partijen is dan ook : Van der Vorm – Korchnoi (Fischer-Darga).
en Karpov-Korchnoi uit het tornooi van Dortmund 1994, waarin ze beiden op 50% eindigden.
Die laatste partij was één van de zeldzame winstpartijen van Korchnoi op Karpov. Na hun tweede WK-match in 1981 kwamen ze nog 32 keren tegen elkaar uit. Maar er was iets gebroken in Korchnoi, Karpov had de code gevonden en werd zijn zwart beest par excellence. Van die 32 partijen won Karpov er 16 (!), remiseerde 15 keren en verloor één keer. Maar die ene keer was dan ook een partij die Korchnoi een week of zo gelukkig moet gemaakt hebben. Het was dan ook een zeer speciale partij : in een gelijke stelling laat Korchnoi Karpov een tweede dame halen, maar dat is meteen de verliezende zet. Hoewel de partij nog meer dan tien zetten duurt, laat Korchnoi niet meer los en wint. Na deze partij gaf Korchnoi het commentaar « op één of andere manier is het bord te klein om met  twee dames te spelen».

HK5000

vrijdag 10 juni 2016

Piekrating

De sterke Britse grootmeester Matthew Sadler is een buitenbeentje in het schaakcircuit. Als (sub-) wereldtopper stopte hij in 2000 met schaken en verkoos een normaal burgerlijk leven. Pas in 2010 hervond hij de schaakliefde niet toevallig na zijn echtscheiding. De roest verdween al heel snel en vandaag op 42 jarige leeftijd staat hij met 2670 op zijn piekrating. Het is een ongewone carrière die niet erg verrassend ook terug te vinden is in zijn speelstijl. Creativiteit en originaliteit staan centraal. Experimenten met dubieuze openingen zijn schering en inslag. Grote theoretische gevechten zal je dus zelden of nooit zien.

Toen enkele maanden geleden door deze intrigerende speler een nieuw boek Chess for Life werd gelanceerd, wou ik toch graag eens weten wat hij allemaal te vertellen had. Het was ook geen alledaags concept want aan de hand van een reeks interviews en analyses wordt besproken hoe en welke schaakvaardigheden over de jaren veranderen of behouden blijven. Kortom het is een schaakboek waarbij het technische niet primeert en psychologie een belangrijke rol speelt.
De hoofdstukken waren zo uiteenlopend dat ik het gevoel kreeg een potpourri te hebben gelezen. Er viel heel wat leuks en/of interessant te ontdekken maar een rode draad kon ik moeilijk vinden in het boek. Tenzij misschien dat actieve spelers ook later in hun carrière nog steeds het winnen erg belangrijk vinden. Of je nu jong of oud bent, het spelletje wordt gespeeld in de eerste plaats om de tegenstander te verslaan. Tezelfdertijd verklaart het ook waarom zoveel spelers stoppen met schaken. Ofwel betekent het winnen niet zoveel meer ofwel wordt het te moeilijk om nog meer te winnen. De zonet overleden legende Viktor Korchnoi was natuurlijk de vereenzelviging van een onverzadigbare vechtlust. Zo las ik in 1 van de aparte necrologies op schaaksite dat hij nog op 73 jarige leeftijd hoopte zijn rating opnieuw boven de 2650 te krijgen.

Dat winnen zelfs op (ver) gevorderde leeftijd nog zo belangrijk was, betekende voor mij een kleine ontgoocheling. Ik had stilletjes gehoopt dat andere facetten van het schaken dominant zouden worden en het boek daarop zou toespitsen. In plaats daarvan krijgen we van diverse spelers tips of een inkijk over hoe zij succesvol blijven schaken/ schaakten. Een paar spelers gaan nog een stap verder. Wat kan je doen om als oudere speler progressie te maken dus een nog hogere piekrating te behalen?

Uiteraard maakt het een groot verschil of we van een comeback of niet spreken. Zo vertelt de Engelse FM Terry Chapman hoe hij pas op 57 jarige leeftijd de FM-titel behaalde nadat hij 5 jaren hard had gewerkt aan zijn schaakniveau. Veel dichter bij huis hebben we nog een straffer comeback-verhaal met sterke Jan die op 67 jarige leeftijd de IM-titel haalde. Ook hier ging heel wat bloed, zweet en tranen vooraf.

Spelers die al een lange actieve carrière erop hebben zitten, maken uiteraard veel minder kans om alsnog een boost in sterkte te verwezenlijken. Niet alleen is er veel minder marge om meer te trainen maar oude (slechte) gewoontes zitten zo hard erin gebakken dat verandering erg moeilijk is. Een recente uitzondering is het natuurtalent Granda Zuniga die al even werd vermeld in mijn artikel dubbelzoet. Op chess.com verscheen een artikeltje waarin stond dat hij een piekrating van 2699 elo zonet haalde op 49 jarige leeftijd. Niet erg verrassend las ik dat hij in een interview had toegeven vandaag veel gestuctureerder te werken dan vroeger.

Knap maar misschien nog knapper vind ik wat onze eigen Belgische grootmeester Luc Winants een paar maanden eerder verwezenlijkte. Niet alleen heroverde hij de eerste plaats op o.a. jonge grootmeesters als Bart Michiels en Tanguy Ringoir maar op 53 jarige leeftijd klokt hij ook af met een piekrating van 2574 elo (fide). Geruisloos dikte Luc zijn rating aan met o.a. enkele stevige overwinningen. Een voorbeeldje zien we in de technisch gave partij hieronder op de zeer ervaren Russische grootmeester Vyacheslav Ikonnikov.
Het verslaan van zwakkere spelers brengt niet veel op maar als je het bijna feilloos kunt op de regelmaat van de klok dan helpt het natuurlijk ook om de rating te verbeteren. Zo verloor ik zelf een paar jaren geleden vrij kansloos tegen Luc in de Belgische interclub.
Ik ken Luc persoonlijk niet dus ik kan alleen maar gissen dat hij de laatste tijd hard aan het schaken heeft gewerkt. Ik ben benieuwd of hij bepaalde nieuwe inzichten/ trainingstechnieken toepast. Spijtig dat er niet meer ruchtbaarheid is gegeven aan deze unieke prestatie. De nieuwsberichtgeving ligt met een zeer afgezwakte schaakfabriek tegenwoordig op apegapen.

Brabo

dinsdag 31 mei 2016

Fischer

Garry Kasparov heeft in zijn actieve profcarrière een enorme collectie aan zeer hoogstaande partijen gespeeld maar de series die hij publiceerde over zichzelf en de vorige wereldkampioenen zijn misschien wel een belangrijker nalatenschap. Het valt mij op hoe vaak er in de hedendaagse schaakliteratuur gerefereerd wordt naar deze boeken. Het lijkt of iedere serieuze schaker de boeken heeft gelezen.

De meest recente uit de serie die ik las ging, zoals de titel al verklapt, over Fischer. Echter Kasparov bespreekt niet enkel de 11de wereldkampioen. Reshevsky, Larsen en Najdorf komen ook aan bod wat mij zeker kon bekoren. Alleen dit betekent dat er uiteindelijk ongeveer slechts een half boek overblijft voor Fischer. Bovendien wordt er heel wat uitgeweid door Kasparov over Fischers vreemde gedrag naast het bord waardoor het schaak-technische deel nog verder krimpt. Slechts 59 partijen met Fischer (of soms alleen maar een fragment) telde ik.

Over misschien wel de grootste schaker ooit, had ik heel wat meer materiaal verwacht. Was het Kasparovs ego die nooit zou toelaten om Fischer op dezelfde hoogte als zichzelf te brengen, laat staan te beschouwen als de intrinsiek sterkere schaker? Achteraf bleef ik een beetje op mijn honger zitten en dus zocht ik naar een aanvullend boek over Fischer. Trouwens het is niet de eerste keer dat ik een aanvullend boek zocht over een oud-wereldkampioen na het lezen in My Great Predecessors. Zo las ik over Tal ook nog het uitstekende boek The Life and Games of Mikhail Tal.

Over Fischer zijn talloze boeken geschreven maar welke is voor mij de beste? Uiteraard moet je jezelf de vraag stellen wat je precies wilt vinden in een boek. Het boek The Career and Complete Games of Fischer door Karsten Muller is zonder twijfel de meest complete collectie partijen van Fischer met meer dan 700 stuks. Echter analytisch stelt het weinig voor en dus zie ik weinig verschil met een database. Het boek My 60 memorable games door Robert Fischer trekt mij schaaktechnisch veel meer aan maar heeft als groot nadeel dat het stopt in 1967 terwijl we allemaal weten dat zijn beste jaren net daarna kwamen. Een aanvulling of vervolg kwam er niet. Fischer was niet meer geïnteresseerd.

Uit armoede ging ik dan maar ten rade bij de grootste Fischer-kenner in België: Robert Schuermans. Ik legde hem uit dat ik een boek zocht met een ruime collectie van Fischers partijen over zijn hele carrière die tezelfdertijd diep waren geanalyseerd. Oude analyses ondersteund door hedendaagse computeranalyses vind ik een plus. Anekdotes en randinformatie die het boek prettiger laten lezen, zijn ook niet te versmaden. Robert dacht even na maar moest mij teleurstellen. Het boek dat ik zocht, moest volgens hem nog geschreven worden. Erg spijtig, dus vroeg ik welk boek voor hem het belangrijkste was over Fischer. Deze maal moest Robert niet nadenken want "My 60 memorable games" is voor hem de onbetwistbare nummer 1.

Dit boek schafte ik mij bijgevolg aan via de denksportkampioen. Ik heb het mij niet beklaagd. Het boek las niet alleen erg vlot maar was ook doorspekt met uitstekende analyses door de wereldkampioen zelf. Uitzonderlijk zeker als we beseffen dat er in die tijd nog helemaal geen sprake was van schaakprogramma's. Daar Fischer bijna uitsluitend 1.e4 speelde, was ik natuurlijk ook benieuwd of er overlappingen zouden zijn met mijn repertoire. Bovendien volg ik geen mode en speel ik vaak oude varianten.

In 5 a 6 partijen had ik het geluk om Fischers opinie te ontdekken over openingen die ik ook speel. Zo wordt ook de partij uit 62 besproken tegen Keres die ik al eens eerder vermeldde in mijn artikel oude wijn in nieuwe zakken. De meest intrigerende partij vanuit theoretisch standpunt vond ik echter zijn Siciliaanse partij uit 61 tegen Reshevsky. De laatste keer dat ik de klassieke Siciliaanse Draak speelde met Le3 dateert al van 1999 toen ik een smadelijke nederlaag leed tegen Marcel Van Herck.
Ik vond geen serieuze verbeteringen voor wit dus verving hierna Le3 met Lg5. Fischer claimt echter in zijn boek dat wit ook zonder 0-0 kansen kan creëren. Zijn analyses zagen er overtuigend uit dus wou ik wel eens weten wat onze hedendaagse topprogramma's hierover vertellen. Een oude opening terug tot leven wekken, kan altijd van pas komen in de praktijk.
Het was voor mij geen grote verrassing dat de schaakprogramma's Fischers idee niet geweldig vinden. De witscore in het online openingsboek liet ons al zoiets vermoeden. Fischer heeft het idee ook niet herhaald.

Dit soort uitstapjes bevestigt nogmaals de enorme kloof in openingen tussen toen en het moderne schaak vandaag. Het gros van de varianten die toen populair waren, zijn herleid tot voetnoten in de theorie die op meester-niveau enkel nog als verrassing gebruikt worden. Puur vanuit theoretisch perspectief lees je dus beter recenter werk. Nu dit soort boeken lees ik in de eerste plaats omwille van het geschiedkundige aspect.

Tot op vandaag blijft Fischer de gemoederen beroeren. Een ultieme collectie van zijn beste partijen grondig geanalyseerd en gebundeld in een nieuw boek lijkt mij niet overbodig. Het spreekt voor zich dat we vertrekken vanuit de 60 memorable games die Fischer zelf koos. Fischer overleed in 2008 te Reykjavik dus juridisch is het wellicht vandaag eenvoudiger om hiervoor zijn eigen werk als basis te nemen. Wie (liefst een zeer sterke speler) durft want het wordt een titanenwerk waarbij het rendement onzeker is? Nee Kasparov heeft zijn kans gehad.

Brabo

woensdag 25 mei 2016

Comebacks

Al tijdens het schrijven van mijn vorig artikel over Draftian vroeg ik mij af in welke mate we zijn prestaties als uniek mogen beschouwen. Hiermee bedoel ik niet zijn score want de calculator op chess.db toont dat Draftian 1/7 kans had om 5,5 of meer te halen. Niets speciaal dus zeker als we vergelijken met enkele gevallen vermeld in en onder mijn artikel vals spelen. Wat mij wel intrigeert, is het aantal en de grootte van de comebacks die hij maakte. Onderstaande tabel geeft een overzicht van zijn partijen. Om de invloed van 1 specifieke partij op het gemiddelde van de grootte van de comebacks te beperken, heb ik de negatieve waarden gelimiteerd tot 3 punten. Dit betekent dus dat de 6,75 tegen Rein Verstraeten werd herleid voor de berekeningen naar 3. Tenslotte heb ik ook nog toegevoegd op welke zet de meest negatieve waarde in een partij werd bereikt door Draftian.
Draftians comebacks


Deze data op de juiste wijze interpreteren, is niet eenvoudig want referenties over comebacks zijn zover ik weet niet beschikbaar. Het onderzoek over menselijke fouten staat nog in zijn kinderschoenen. Misschien is dit wel een ideetje voor een thesis aan de universiteit. Daarop kan ik uiteraard niet wachten dus gebruik ik nogmaals mijn eigen uitgebreide en becommentarieerde database. Ik beperk mij tot mijn laatste 100 partijen waarbij mijn rating ongeveer stabiel bleef rond 2300 elo. Zowel van mijzelf als mijn tegenstander noteerde ik per partij welke de meest negatieve waarde was als er een comeback gebeurde en op welke zet die gebeurde. Als er geen negatieve waarde was dan noteerde ik een X. Als er geen comeback gebeurde dus de partij verloren ging dan noteerde ik een V. Kleur en ratings van de tegenstanders werden tenslotte ook nog toegevoegd om mogelijks nog fijnere conclusies te kunnen maken.
Comeback details van mijn 100 meest recente partijen
Mijn artikel fouten toonde eerder al aan dat de rating van de tegenstander een impact heeft op het aantal fouten dus hoogst waarschijnlijk ook op het aantal en de grootte van de comebacks. Ik heb daarom de resultaten in elogroepen ondergebracht zoals in mijn artikel schaakopeningen studeren. Dit laat vervolgens ook makkelijker toe om Draftians resultaten gerichter te vergelijken.
Overzicht comebacks tegenstanders volgens elogroep















Overzicht comebacks van mijzelf volgens elogroep


Als we kijken naar de 2 elogroepen 2150-2250 en 2250-2350 wat overeenkomt met de tegenstand van Draftian dan zien we dat er bij mij slechts comebacks gebeuren in 50% van de partijen. De grootte van de comebacks is bij mij ook iets kleiner met slechts 0,8 t.o.v. 1 voor Draftian. Als laatste belangrijk verschil zien we dat de zet wanneer de meest negatieve waarde optreedt, ongeveer 6 zetten vroeger is bij Draftian dan in mijn partijen.

Een vergelijking met slechts mijzelf is te pover dus breiden we dit uit naar mijn tegenstanders. We zien eenzelfde lijn in de resultaten van de tegenstanders in de elogroep 2250-2350. Opnieuw slechts comebacks in 50% van de partijen. De meest negatieve waarde treedt hier zelfs 8 zetten later op dan in Draftians partijen. Kortom alle gegevens bevestigen wat ik eigenlijk al min of meer intuïtief vertelde in het vorig artikeltje. Draftian zadelt zichzelf op met een serieuze handicap door zijn gebrekkige openingskennis maar is schaak-technisch sterker dan zijn peers. Of hoe langer de partij duurt, hoe beter de kansen eruit zien voor Draftian.

Bovenstaande statistieken bevat behalve voor Draftian ook nog ander interessante gegevens. Het spreekt voor zich dat sterkere spelers meer kans maken om een comeback te maken maar veel minder evident is dat hun comebacks ook gemiddeld een stuk groter zijn. Vorige zondag op het jeugdschaaktornooi te Hoboken vroeg mij een papa of beter schaken niet gewoon een kwestie was van steeds minder en kleinere fouten te maken. Ik vertelde hem dat dit niet helemaal correct was. Ja in de lagere eloregionen is het inderdaad vooral belangrijk om de foutenlast onder controle te houden. Echter vanaf +2350 zien we dat zowel bij mijzelf als de tegenstander er een drastische verhoging is van de grootte van de comebacks. +2350 spelers gaan zich niet enkel bezig houden met het vermijden van fouten maar zullen veel sneller complexe stellingen opzoeken die veel meer schommelingen veroorzaken. Deze spelers zullen er ook in slagen om veel langer druk uit te oefenen op de tegenstander wat eveneens wordt bevestigd met een veel latere zet voor de meest negatieve score.

Een ander interessante link is met het artikel opgeven. Daarin toonde ik aan dat er gemiddeld op 7,4 door de meeste spelers werd opgegeven. Op mijn 100 partijen gebeurde er slechts 11 keer een comeback van meer dan 3 punten. 5 door mijzelf tegen spelers van 1940-2320. 6 keer door mijn tegenstanders die een gemiddelde rating hadden van 2368 elo. Zeer grote comebacks zijn niet alleen vrij zeldzaam maar gebeuren dus ook bijna uitsluitend wanneer de sterkere speler slecht staat. Het is een indirect bewijs van wat ik al eerder schreef dus dat veel spelers nog lang doorspelen in hopeloze posities.

Tenslotte wil ik ook nog even de aandacht schenken aan comeback-verschillen in mijn resultaten tussen de kleuren. Eerder heb ik al aangegeven in het artikel schaakopeningen studeren dat mijn TPR makkelijk 100 punten meer is met wit dan zwart. Zo een groot verschil laat zich natuurlijk ook doorschijnen in de fouten.
Overzicht comebacks tegenstanders volgens kleur













Overzicht comebacks van mijzelf volgens kleur


De verklaring is volgens mij vrij eenvoudig. Met wit speel ik powerplay zoals ik al enkele keren heb vermeld op mijn blog (zie bv een minithematornooi). In 56% van mijn witpartijen stond ik op geen enkel moment een fractie slechter. Ik denk een uitzonderlijk resultaat voor een amateurschaker. Echter je ziet ook dat er hogere risico's verbonden zijn aan dit powerplay. De grootte van de comebacks zijn groter en als het fout gaat door de theorie niet meer te kennen dan gaat het soms heel hard (zie bv. harakiri). Met zwart is een theoretisch voordeeltje zoeken onzinnig dus speel ik openingen waarin ik een gevaarlijke tactische computervoorbereiding van mijn tegenstanders niet hoef te vrezen. De Spaanse Chigorin en het Hollands (stonewall) hebben een redelijke reputatie die in elk geval voldoende is om grote vervelende verrassingen te vermijden voor het niveau waarop ik speel.

Fouten en de bijhorende comebacks kruiden ons schaken. De quote "The hardest game to win is a won game" is de meesten onder ons welbekend. Trouwens op het internet vond ik de quote toegeschreven aan zowel Emmanuel Lasker als Frank Marshall maar ik wijk af want dat is voor geschiedkundigen. Grote ontsnappingen spreken tot de verbeelding. Het is niet altijd makkelijk om de emoties onder controle te houden als een partij kantelt. Dit lukte wel in de enige interclubpartij dit seizoen waarin ik uit een verliezende positie ontsnapte.
Lezers die graag willen lachen met mijn geklungel en de gelukte comebacks van mijn tegenstanders verwijs ik naar de artikels restbeeldgeluk bij een ongeluk of misschien het meest hilarische het sadistische examen. Enige zelfspot en veel relativeren is de beste medicijn om van het schaken te blijven houden.

Brabo

maandag 16 mei 2016

Ashote Draftian is Vlaams kampioen

Het karige prijzengeld in het recent Vlaams kampioenschap zal zeker een rol gespeeld hebben in de complete afwezigheid van de toppers. Echter dit verklaart niet waarom de hoogste elo (Arben Dardha) slechts 31ste staat op de huidige Belgische elolijst. Op misschien 1 of 2 uitzonderingen na zijn we in Vlaanderen allemaal amateurs dus dan is geld sowieso minder belangrijk. Dat er weinig plaatsen op elo in de hoofdgroep beschikbaar zijn, is wellicht meer doorslaggevend. Enerzijds krijg je door de rechtstreeks afgevaardigden van de Liga's onmiddellijk een minder sterk deelnemersveld. Vele Liga's hebben een zeer bescheiden competitie om de afgevaardigden te selecteren. Anderzijds heb je zonder afvaardiging van de Liga als +2300 speler geen zekerheid over een plaats in de hoofdgroep waardoor het lastig is om 4 dagen vooraf in te plannen.

Nu ik had zelfs willen spelen in de open groep daar de goesting erg groot was om te spelen. Spijtig moest ik vaststellen dat vrouw en kinderen minder enthousiast waren. Ze hadden natuurlijk ook gelijk dat het nogal egoïstisch zou zijn om hun 4 dagen alleen te laten met de talloze klusjes thuis. Ik vermoed dat vele schakers soortgelijke prioriteiten moeten maken. Gelukkig zie ik voor mijzelf beterschap in de toekomst want als mijn zoon wedstrijden zal beginnen spelen dan zal ik zeker hiervan trachten te profiteren om ook zelf weer meer te spelen. Ik zag trouwens dat de tienjarige Arne Nemegeer  een knap debuut maakte met 2,5/7 in het Open kampioenschap.

Ashote Draftian profiteerde optimaal van de omstandigheden en stond uiteindelijk van begin tot einde aan de leiding. De overwinning van de 60'er met Armeense roots was geen grote verrassing want enkele jaren geleden behaalde hij nog een rating van net geen 2400 elo. Jan RoozeMarcel Van Herck, ... kwamen al eerder aan bod op deze blog waaruit blijkt dat leeftijd geen obstakel hoeft te zijn om in België mee te spelen aan de top. Het verschil met de wereldtop is erg groot want daarin vind je geen enkele +50 speler.  Onze Belgische top 100 ranglijst bevat daarentegen 26 +50 spelers. Het toont nogmaals aan hoe ver onze jeugdbegeleiding achterop hinkt t.o.v. vele andere landen.

Ashote is een vreemde eend in het Belgisch schaak. Zoals al vermeld in een blogartikel van 2012 openen met de f pion is hij de enige Belgische +2300 speler die 1.f4 geregeld speelt. In dit Vlaams kampioenschap gebruikte hij het 3 op de 4 witpartijen. Echter het meest opvallende hierbij is dat hij ondanks een enorm aantal gespeelde partijen met deze opening vandaag nog steeds meestal geen enkel voordeeltje kan bereiken of zelfs gewoon minder staat in het middenspel.
Het is geen verrassing natuurlijk dat het Hollands ook in zijn zwartrepertoire zit. Beter gaat het met zwart evenmin want hij komt er geregeld mee in serieuze problemen. Zo schrijft theunknownonex op het Callabosforum dat hij een fantastische stelling had opgebouwd in ronde 3 tegen Draftian. Ik ben akkoord met die beoordeling maar in vergelijking met Ashotes andere zwartpartijen was dit zijn minst slechte stelling!! Op e4 speelt hij de laatste jaren meestal een Kan (Paulsen) zonder op de hoogte te zijn van enige theoretische kennis met als gevolg dat hij wel heel vaak met groot nadeel uit de opening komt.
Uiteindelijk als we zijn 7 partijen van het Vlaams kampioenschap overlopen dan kunnen we alleen maar sprakeloos zijn over hoe het mogelijk was dat Ashote geen partijen heeft verloren, laat staan als enige met 5,5/7 het tornooi won. 1,21 punten nadeel op zet 20 met zwart in de eerste partij; 0,94 punten nadeel op zet 14 met wit in de 2de partij; 0,57 punten nadeel op zet 18 met zwart in de 3de; 0,29 punten nadeel op zet 13 met wit in de 4de; 6,75 punten nadeel op zet 37 met wit in de 5de; 0,98 punten nadeel op zet 12 met zwart in de 6de en zelfs in de salonremise van de laatste ronde staat hij in de slotstelling met wit al 0,16 in het nadeel. De evaluaties komen van Stockfish 7 (momenteel weer strijdend met Komodo voor de officieuze wereldtitel in een nieuw tcec-seizoen) na een minuut rekenen in de stellingen.

Op schaakfabriek wordt gezegd dat Ashote met dominant schaak won maar de evaluaties van de diverse stellingen spreken dit dus compleet tegen. Of misschien keek Jan enkel naar het spel dat Ashote daarna op het bord liet tonen. Keer op keer slaagde hij erin met superieur veelal tactisch schaak het nadeel te neutraliseren en zelfs geregeld het volle punt te scoren. Ik vermoed dat Rein compleet van de kaart moet geweest zijn na het drama in ronde 5. Ik ben al voor veel minder compleet gebroken geweest.
Toeval allemaal zullen sommigen denken. Misschien maar in mijn 2 standaardpartijen met Ashote overkwam mij 2 keer hetzelfde scenario. Groot voordeel na de opening: 0,82 op zet 15 in de 1ste ontmoeting en 0,83 op zet 12 in de 2de ontmoeting en ik scoorde slechts 0,5/2. De verliespartij kwam al aan bod in mijn blogartikel einstellung effect. De remise kwam pas tot stand toen ik ontsnapte dankzij het beter kennen van de wedstrijdreglementen.
Ashote beschikt over een repertoire waarvan hij weet dat hij geen directe k.o. moet vrezen maar mist de serieuze theoretische openingskennis die je zou verwachten bij een +2300 speler. Partijen voorbereiden, reglementen bestuderen,.. zijn evenmin aan hem besteed. Hij speelt puur idealistisch schaak dus op eigen kracht zoals lang geleden in de vorige eeuw doodnormaal was. Het siert hem maar ik stel mij daarbij wel de vraag hoe sterk hij zou kunnen zijn indien hij wel naast het bord zou werken aan het schaken. Ik heb een sterk vermoeden dat internationaal meester of zelfs hoger bereikbaar is.

Brabo

maandag 9 mei 2016

ChessKids

De eerste jaren als clubspeler moet je vaak leergeld betalen omdat het niveauverschil tussen huis/tuinschaker en een clubschaker groot is. Af en toe verliezen is onvermijdelijk in het schaken maar vele starters krijgen te maken met een reeks nederlagen in publiek. Het is dan ook niet verwonderlijk dat velen afhaken na minder dan een jaar clubschaak. De meeste clubs erkennen het probleem maar ik zie weinig of geen initiatieven om hieraan iets te doen. Integendeel want ik herinner mij nog goed hoe ik bij mijn eerste kennismaking met een schaakclub (de Torrewachters) werd gevraagd om een los partijtje te spelen tegen de clubkampioen. Wel ik vernam pas achteraf dat hij clubkampioen was toen ik tot grote verbazing alom een plusremise had behaald.

Ik ben zeker geen natuurtalent. Dankzij het vooraf spelen van honderden, misschien wel duizenden oefenpartijtjes (rapidschaak) thuis op een schaakcomputer van de eerste generatie (zie schaakcomposities) was ik erin geslaagd om voldoende vaardigheden op te bouwen om de drempel te laten verdwijnen. Anderzijds vermeldde ik al in mijn artikel gambieten dat deze trainingsmethode mij later ook veel schade berokkende in mijn verdere ontwikkeling. Schaakprogramma's spelen een totaal ander soort schaak dan we in een club op het bord krijgen. Neem nu de partij hieronder die ik speelde in 1997. De computer komt met voordeel uit de opening maar speelt daarna planloos.
Op een paar uitzonderingen na (zie sitzfleisch) zal niemand met de witte stukken op deze passieve wijze spelen. Tactisch zijn wij dan weer het kneusje. In de volgende partij kom ik goed uit de opening maar word ik eraf gecombineerd nadat ik iets tactisch mis.
Ook in die beginjaren analyseerde ik al mijn partijen. Zo maakte ik gebruik (misbruik) van het gebrek aan variatie bij de computerprogramma's van de eerste generatie om zonder schroom in een volgende partij het spel van mijn vorige partij te verbeteren.
Clubschakers variëren niet alleen veel frequenter maar zullen identiek dezelfde foute lange varianten zelden spelen. Mijn artikel de sterktelijst toont dit duidelijk aan. Kortom toen ik mijn zoon Hugo tot enkele maanden geleden geregeld zag schaken tegen computerprogramma's dan had ik er toch een dubbel gevoel bij.

Gelukkig bestaat er vandaag veel meer en beter trainingsmateriaal. Naast talloze boeken voor beginners en dvds (zie bv. kids and beginners) hebben we nu ook het internet waar we met een paar muisklikken om het even wanneer een partijtje kunnen spelen tegen spelers van vlees en bloed. De meest bekende sites zijn chess24iccchess.complaychessgameknotredhotpawnlichess en niet te vergeten Fide Online Arena (die laatste heeft ervoor gezorgd dat we onze eigen fide-ratinggeschiedenis niet meer kunnen raadplegen indien we geen lidmaatschap wensen). Ik wil ook nog even vermelden dat de nieuwe site chessrating hiervoor een gedeeltelijke oplossing biedt.

Het is iets voor testaankoop om de pros en cons van al de sites uit te leggen en een uiteindelijke ranglijst te maken. Lezers met een uitgesproken mening gebaseerd op ervaring, zijn zeker welkom om hierover op deze blog iets te schrijven want ik denk dat er veel schakers zijn die een beetje feedback kunnen gebruiken. Nog moeilijker wordt het wanneer we een site willen die de specifieke noden van beginners lenigt.

Het overgrote deel van de partijtjes op de bovenvermelde sites bestaat uit blitz en bullet zoals ik zelf ook graag speel (zie de (on)zin van blitz). Dit is uiteraard veel te snel voor spelers die nog worstelen met het zien van basiscombinaties zonder dat ik spreek over de vaak veel te sterke tegenstanders. In het Vlaams schaakcriterium te Blankenberge kreeg ik een gouden tip van Mark Dechamps (1 van de drijvende krachten in het jeugdschaak van schaakclub Kortrijk): ChessKid
ChessKid profiel drief op 9 mei 2016




Deze site is speciaal ontwikkeld voor kinderen met partijtjes op 15 minuten met enkele seconden increment wat ik een correct tempo vind. Er zijn dagelijks puzzels en je kan er ook lessen volgen. Naast diverse ratings zijn er ook sterren, medailles en schaakrankings te verdienen. Omdat ook vele absolute beginners meespelen heeft iedereen bijna onmiddellijk de kans om partijtjes te winnen.

Mijn zoon Hugo begon 27 maart, een dag na het jeugdtornooi in Blankenberge erop te spelen. We kozen voor het gratis pakket want we waren niet overtuigd van de meerwaarde van het betalende deel voor ons. De site is enkel in het Engels dus mijn zoon zou toch weinig begrijpen van de extra toeters en bellen. Al snel kreeg hij de smaak te pakken want zelfs als ik niet thuis was, kon ik zien via de logfiles dat hij schaakte op de site. Ik heb het niet exact bijgehouden maar ik vermoed dat hij 200 partijen zeker gespeeld heeft in 1 maand tijd. Als je dit combineert met een snelle feedback van papa achteraf over de wederkerende elementaire fouten dan heb je een explosieve cocktail om snel progressie te maken.

Zijn rating op chesskids ging in dezelfde maand al meer dan 150 punten omhoog en een eerste bevestiging volgde op het Vlaams jeugdschaakcriterium te Aalter met een score van 9/9. Na bijna 3 jaren stappenmethode met zeer gestage vooruitgang is chesskids echt wel een revelatie voor ons. Dit betekent niet dat chesskids geen gebreken heeft. De Engelse taal heb ik al vermeld als een hinderpaal en net zoals vele sites kom je ook pestkoppen tegen. Kijk maar eens naar bijvoorbeeld het erg vreemd scoreverloop van minicarlsen.

Omdat ik als ouder steeds een oogje in het zeil houd, heeft mijn zoon weinig of geen last van deze minpuntjes. Als ik hem vertel dat de tegenstander meer dan waarschijnlijk geen kind is dan snapt hij ook wel dat hij zich niets van de nederlaag moet aantrekken. Als hij online een schaakles wil volgen dan doe ik met plezier de vertaling. Tenslotte zien we chesskids enkel als een tussenstop. We hebben al wat geëxperimenteerd met chess.com maar dat blijkt nog iets te vroeg. Wanneer en hoe te starten met standaardschaak is voorlopig nog een open vraag.

Brabo