Het schaken begint stilaan op wielrennen te lijken – zelfverklaarde anti-dopingcommissies roepen de hele community bijeen voor iedereen die enigszins onregelmatige prestaties neerzet. Namen worden al bij voorbaat bij een modderpoel gezet om alvast als eerste met modder te kunnen gooien. Het feit dat er regelmatig zondaars de kop opsteken, zal hier niet vreemd aan zijn. Maar hoe is het zover kunnen komen?
Wel, al sinds het begin der informaticatijden hebben schakers gepoogd om de boel te belazeren. Een recent nummer (1/2013) van het tijdschrift Karl ging bijna integraal over deze thematiek. Er zijn vele vormen van bedrog (naast elektronische hulpmiddelen denk ik aan het influisteren van zetten, het gaan spieken in het boekenstalletje, het op het toilet analyseren van de stelling met een zakschaakspelletje, het faken van ganse tornooien (als je rijk genoeg bent, zoals Alexandru Crisan), het inzetten van je tweelingbroer of –zus (echt, het komt voor), enzovoort), maar hier beperk ik mij tot de bekendste gevallen van het zich laten assisteren met elektronische middelen. Op de site van chess.com staan enkele goede artikelen met leuke partijfragmenten (google “computers in chess good or evil”). In Chessvibes “cheating” in het zoekvenster intikken levert ook al een opvallend grote oogst op.
Eén van de eerste pogingen (die, zoals de meeste, slecht afliep), vond plaats in de New York open van 1993. Een onbekende zwarte speler, met een groot rastakapsel, speelde plots mee voor het prijzengeld. Met een opmerkelijke naam als “John von Neumann” kreeg hij al snel de aandacht van de tornooileiding, vooral toen hij één van zijn partijen verloor door tijdsoverschrijding na amper enkele zetten. Op het einde van het tornooi, mocht hij zijn kunnen demonstreren in een blitzpartijtje. De bedrieger viel meteen door de mand – hij was nauwelijks op de hoogte van de loop der stukken. Hij bleek een koptelefoon en zender te dragen, waarmee de zetten doorgegeven werden.
De 55-jarige Duitser Clemens Allwermann (elo 1925) werd in de Böblinger Open in 1998 de eerste echte schaker die “goed” gebruik maakte van software. Hij verklaarde zijn succes in het tornooi met argumenten als “iets wat ik net geanalyseerd heb voor mijn correspondentiepartijen”, of “gewoon geluk gehad”. Toen hij op het einde van zijn beslissende partij tegen Kalinichev een moeilijk mat in acht aankondigde, viel hij door de mand. Uiteindelijk gaf hij zijn 1660 DM prijzengeld terug en werd de rechtszaak tegen hem geseponeerd wegens gebrek aan bewijs. Sindsdien staat de man bekend als de pionier van het gebruik van de combinatie transmissie- en schaaksoftware Diverse sites verwijzen nog naar de eerste deftige poging om te cheaten, een compleet overzicht van het verhaal staat op Chessbase.
In 2006 speelde Eugen Varshavsky de pannen van het dak in de World open, maar nadat hij Ilya Smirin versloeg, werd hij verplicht om de twee laatste ronden zonder zijn immense hoed te spelen – zeer verrassend daalde zijn speelsterkte plots met meer dan 1000 elopunten – tot nu toe het enige geval dat bekend is van een schakende hoed.
Ook andere landen werden niet gespaard – onder andere Nederland, Indië en Dubai kregen er ook mee te maken. En dan was er de slimme telefoontruc van enkele Franse (top)spelers op de olympiade van Khanty-Mansiysk (2010), waarbij de zetten gecamoufleerd waren in internationale telefoonnrs. Marzolo analyseerde, stuurde de zetten door naar de coach (Hauchard) en die liep dan volgens een bepaald pad langs de borden, zodat de Feller wist wat hij moest doen. To no avail – het bedrog werd ontdekt en spelers en trainers werden zwaar gesanctionneerd. Dit was ongetwijfeld op het hoogste niveau tot op heden dat er gefraudeerd werd.
In Duitsland (2011) werd FM Natsidis gepakt in zijn laatsteronde partij tegen Sebastian Siebrecht (terwijl zelfs een verlies in die partij hem nog een IM-norm had opgeleverd). Overmoed gekoppeld aan gewoonte: zelfs voor een partij die hij mocht verliezen, had hij nog elektronische hulp nodig. Het zelfvertrouwen wordt volledig in het apparaat gelegd en het eigen denken stopte volledig.
In oktober 2012 werd Falko Bindrich (GM ondertussen) beschuldigd van cheating met zijn smartphone tijdens zijn partij tegen Sebastian Siebrecht (jawel, dezelfde). Hij kreeg een speelban van 2 jaar, maar toen hij beroep aantekende bij de Duitse bond, haalde de federatie bakzeil, met als motivatie dat er geen legale basis voor de schorsing was.
Het laatste bekende geval is dat van Jens Kotainy, die het open tornooi van Dortmund (zomer 2013) domineerde met 7/7. Dat kon misschien nog verklaard worden met het feit dat hij de hoogste elo was, maar het viel toch op dat hij weeral eens perfect speelde en pas een steekje liet vallen wanneer de buit al lang en breed binnen was. Hoe Kotainy geklist werd, is uitvoerig te lezen op de grote schaaksites. Opvallend is dat hij in een Duits tijdschrift (ik geloof dat het Schach 64 was) vorig jaar al aangevallen werd omwille van zijn verdachte schommelingen in speelsterkte (in blitz schijnt hij niet veel voor te stellen). In zijn recht van antwoord verdedigde hij zich met “Mir kann man keine - und wird es auch zukünftig nicht - Computerhilfe nachweisen”. Tot nu dus. Hoogmoed voor de val.
Nu enkel Ivanov nog – met zijn partners in crime deelt hij het gevoel van onaantastbaarheid. Zijn systeem werkt zo goed, dat hij zelfs rapidpartijen kan spelen op computersterkte. Hij draagt geen overdreven hoofddeksel en loopt niet weg van het bord tijdens de partij. De zender/ontvanger moet hij dus op zichzelf dragen – wat gestaafd wordt door zijn (zwakke) optreden in een tornooi waarin aangekondigd werd dat er controles zouden plaats vinden. Want zijn eigen bewering (dat hij zowel van Rybka als Houdini een trainingsmatch met 10-0 heeft gewonnen) gelooft natuurlijk niemand.
De recente gevallen vallen op door het feit dat het relatief jonge schakers zijn die in de verleiding komen. Is het normvervaging – of gewoon luiheid en de idee dat easy succes ook mogelijk is? Het feit dat deze generatie (zonder dat ik hiermee een ganse generatie wil zwart maken) van 20-30’ers opgegroeid zijn met internet, iPads en krachtige GSMs zal er voor iets tussen zitten. De technologie is er, de mogelijkheden ook en op het einde van de rit easy money.
Tweede opvallend feit is dat er ook een verschuiving in speelsterkte is waar te nemen. In het begin waren het zwakke spelers die eens wilden proeven van het leven van de schaakelite (en bijhorend prijzengeld). Behalve Ivanov, zijn het nu eerder spelers van meer dan 2300 die zich hieraan verbranden, in een onbezonnen poging om de eigen grenzen te verleggen. Een eerder verrassende vaststelling, maar anderzijds doet het ons besluiten dat de verleiding in elke laag van schaaksterkte moet voordoen. Sterke spelers hebben ook het voordeel dat een “goed tornooi” minder snel zal opvallen dan een -2000 speler die plots op wereldniveau begint te spelen. Maar zolang de sjoemelaars het doel te snel willen bereiken (lees: de eerste keuze van Houdini), zullen ze door de mand vallen.
En toch, “de perfecte moord” in het schaken is al eens beschreven in een fictief kortverhaal dat ooit (ik schat de negentiger jaren) eens gepubliceerd werd in het Engelse tijdschrift “Chess”. Hierin krijgt een gewone clubspeler plotseling het inzicht hoe hij elke schaakpartij moet winnen – het schaakspel is opgelost, de methode eenvoudig te onthouden. De speler pakt het slim aan – hij werkt zich geleidelijk op tot regionaal niveau en vergeet nooit om nu en dan een remise te spelen of een partij te verliezen. Na enkele jaren plaatst hij zich voor het zonaal en later het interzonaal tornooi. Hij slaat zich – weeral niet overtuigend – door de kandidatenmatchen heen en krijgt zijn kans op de wereldtitel. Nu pas ontbindt hij zijn duivels: hoewel de WK op topniveau speelt, verliest die elke partij. De match duurt amper 13 partijen: 13-0. Maar wanneer hij op het slotbanket zijn geheim wil onthullen en het schaken wil vernietigen, wordt hij neergeschoten door de ex-WK, die ondertussen de reden van zijn nederlaag heeft beseft. Na herstel blijkt hij een deel van zijn geheugen kwijt te zijn.
Een mooi verhaal, maar de vraag is natuurlijk hoe dergelijk gedrag vermeden of gedetecteerd kan worden. Om te beginnen de GSM afgeven of open en bloot op de speeltafel leggen, kan op praktische bezwaren stuiten bij grotere competities (vrees voor diefstal, om er maar één te noemen). Als de scheids al die GSMs moet in bewaring houden, zitten we bij een groot tornooi met een logistiek probleem.
Analyses van de partij achteraf kan al één en ander verduidelijken: heeft de speler werkelijk zoveel meer gezien dan zijn tegenstander? Kotainy vloog in Dortmund tegen de lamp omdat hij al een reputatie had en omdat hij bezig was om het deelnemersveld met een perfecte score op te rollen. Hij werd goed in de gaten gehouden en zo werd zijn merkwaardig gedrag opgemerkt: bij elke zet stak hij zijn hand in de broekzak waar zijn gsm zat, om de trilsignalen op te vangen en door te geven. Oplettendheid is minstens even belangrijk als technologische maatregelen (zo viel het Siebrecht op dat Bindrich net als Natsidis vaak van zijn bord wegging op zijn eigen bedenktijd).
Het uitsluiten van prijzengeld van spelers die drie forfaitpunten krijgen is een drastische maatregel, die tegen Ivanov uitgeprobeerd wordt. Maar hier wordt beroep gedaan op het altruïsme van de schaker: hij (en twee anderen) moet een punt afstaan, zodat een algemeen belang gediend wordt. Een speler die zelf in aanmerking komt voor een prijs, zal dit m.i. niet zomaar doen. Enkel wanneer alle spelers overeen komen, kan zo’n speler in de eerste drie ronden geboycot worden, waarmee de schade voor de “helden” beperkt blijft – ze kunnen gebruik maken van een Zwitsers gambiet (voor de speler die 0/2 heeft en de cheater tegenover zich krijgt, is de schade trouwens al beperkt – met 0/2 doe je zelden nog mee voor de prijzen). Controles op bezit van andere elektronische hulpmiddelen lijkt me nutteloos, gezien het gebruik van de gsm (die uitstond) in het geval Kotainy. Iedereen heeft een gsm, dus waarom als cheater het moeilijk maken om extra zendapparatuur mee te zeulen? Misschien gebruikt Ivanov wel een zendapparaat in zijn schoenen (een zet in correspondentiecode versturen en ontvangen met je tenen is niet zo moeilijk, deze techniek is in het verleden trouwens al gebruikt). Short in het jongste nummer van New in Chess gebruikt dit argument in zijn artikel “Dressed to Kill” om een stripschaaktornooi te houden en zo Ivanov te ontmaskeren.
Een alternatieve regel zou zijn dat aan de topborden (bv de eerste tien), de paringen en het kleur pas vlak voor de partij worden vrijgegeven, als de spelers in de speelzaal zijn – of de partijen te laten plaatsvinden in een volledig afgesloten ruimte. Opnieuw moeten spelers “boeten” (geen voorbereiding mogelijk) om een algemeen kwaad uit te roeien, maar het is een mogelijkheid, net als het vertraagd doorsturen van de zetten op het internet – wat op zich nog zo gek niet is (en niemand heeft er nadeel van, behalve enkele journalisten en internetschakers die het tornooi live willen volgen).
Een meer serieuze poging om het cheaten te ontmaskeren is het achteraf analyseren van de partijen, om zo een mate van overeenstemming met computers te kunnen aantonen. Hier zal een slimme cheater er wel voor waken om niet meer de beste zet van Houdini te gebruiken, maar van bv een freeware programma (Stockfish bv), dat dan nog eens getweakt is met afwijkende parameters. In gelijke stellingen kan er bovendien worden voor gekozen om bv de tweede of derde beste zet te spelen. Bovendien laat een slimme cheater ook taktisch nu en dan een gelegenheid door de vingers glippen en is hij niet afkerig van een remise meer of minder of van een tweede of derde plaats in een tornooi. Een “menselijk” openingsboek (niet te breed) en een onregelmatig tijdsverbruik maakt de verhullingsoperatie compleet. De kans dat er dan nog partijen met de computer kunnen geïdentificeerd worden als “vals” lijkt me klein.
Moraal van het verhaal: het is zeer moeilijk om onopgemerkt te cheaten en get away with it. Bovendien, het doet eigenlijk denken aan de postbodes in het cr-schaak: wat is de fun aan het doorgeven van computerzetten? Daarvoor schaak je toch niet?
Voor wie moedeloos wordt van dit artikel, er is hoop: Ivanov heeft wel degelijk – ondanks zijn computerhulp – al een partij verloren. Op de ouderwetse manier: hij werd verslagen met een extreme vorm van horizonwerking. De hele partij laat hij/de computer na om tegenspel te creëren met f6 of f5 en in tijdnood begaat hij een elementaire blunder (niet snel genoeg meer kunnen seinen?).
HK5000
Wel, al sinds het begin der informaticatijden hebben schakers gepoogd om de boel te belazeren. Een recent nummer (1/2013) van het tijdschrift Karl ging bijna integraal over deze thematiek. Er zijn vele vormen van bedrog (naast elektronische hulpmiddelen denk ik aan het influisteren van zetten, het gaan spieken in het boekenstalletje, het op het toilet analyseren van de stelling met een zakschaakspelletje, het faken van ganse tornooien (als je rijk genoeg bent, zoals Alexandru Crisan), het inzetten van je tweelingbroer of –zus (echt, het komt voor), enzovoort), maar hier beperk ik mij tot de bekendste gevallen van het zich laten assisteren met elektronische middelen. Op de site van chess.com staan enkele goede artikelen met leuke partijfragmenten (google “computers in chess good or evil”). In Chessvibes “cheating” in het zoekvenster intikken levert ook al een opvallend grote oogst op.
Eén van de eerste pogingen (die, zoals de meeste, slecht afliep), vond plaats in de New York open van 1993. Een onbekende zwarte speler, met een groot rastakapsel, speelde plots mee voor het prijzengeld. Met een opmerkelijke naam als “John von Neumann” kreeg hij al snel de aandacht van de tornooileiding, vooral toen hij één van zijn partijen verloor door tijdsoverschrijding na amper enkele zetten. Op het einde van het tornooi, mocht hij zijn kunnen demonstreren in een blitzpartijtje. De bedrieger viel meteen door de mand – hij was nauwelijks op de hoogte van de loop der stukken. Hij bleek een koptelefoon en zender te dragen, waarmee de zetten doorgegeven werden.
De 55-jarige Duitser Clemens Allwermann (elo 1925) werd in de Böblinger Open in 1998 de eerste echte schaker die “goed” gebruik maakte van software. Hij verklaarde zijn succes in het tornooi met argumenten als “iets wat ik net geanalyseerd heb voor mijn correspondentiepartijen”, of “gewoon geluk gehad”. Toen hij op het einde van zijn beslissende partij tegen Kalinichev een moeilijk mat in acht aankondigde, viel hij door de mand. Uiteindelijk gaf hij zijn 1660 DM prijzengeld terug en werd de rechtszaak tegen hem geseponeerd wegens gebrek aan bewijs. Sindsdien staat de man bekend als de pionier van het gebruik van de combinatie transmissie- en schaaksoftware Diverse sites verwijzen nog naar de eerste deftige poging om te cheaten, een compleet overzicht van het verhaal staat op Chessbase.
In 2006 speelde Eugen Varshavsky de pannen van het dak in de World open, maar nadat hij Ilya Smirin versloeg, werd hij verplicht om de twee laatste ronden zonder zijn immense hoed te spelen – zeer verrassend daalde zijn speelsterkte plots met meer dan 1000 elopunten – tot nu toe het enige geval dat bekend is van een schakende hoed.
Ook andere landen werden niet gespaard – onder andere Nederland, Indië en Dubai kregen er ook mee te maken. En dan was er de slimme telefoontruc van enkele Franse (top)spelers op de olympiade van Khanty-Mansiysk (2010), waarbij de zetten gecamoufleerd waren in internationale telefoonnrs. Marzolo analyseerde, stuurde de zetten door naar de coach (Hauchard) en die liep dan volgens een bepaald pad langs de borden, zodat de Feller wist wat hij moest doen. To no avail – het bedrog werd ontdekt en spelers en trainers werden zwaar gesanctionneerd. Dit was ongetwijfeld op het hoogste niveau tot op heden dat er gefraudeerd werd.
In Duitsland (2011) werd FM Natsidis gepakt in zijn laatsteronde partij tegen Sebastian Siebrecht (terwijl zelfs een verlies in die partij hem nog een IM-norm had opgeleverd). Overmoed gekoppeld aan gewoonte: zelfs voor een partij die hij mocht verliezen, had hij nog elektronische hulp nodig. Het zelfvertrouwen wordt volledig in het apparaat gelegd en het eigen denken stopte volledig.
In oktober 2012 werd Falko Bindrich (GM ondertussen) beschuldigd van cheating met zijn smartphone tijdens zijn partij tegen Sebastian Siebrecht (jawel, dezelfde). Hij kreeg een speelban van 2 jaar, maar toen hij beroep aantekende bij de Duitse bond, haalde de federatie bakzeil, met als motivatie dat er geen legale basis voor de schorsing was.
Het laatste bekende geval is dat van Jens Kotainy, die het open tornooi van Dortmund (zomer 2013) domineerde met 7/7. Dat kon misschien nog verklaard worden met het feit dat hij de hoogste elo was, maar het viel toch op dat hij weeral eens perfect speelde en pas een steekje liet vallen wanneer de buit al lang en breed binnen was. Hoe Kotainy geklist werd, is uitvoerig te lezen op de grote schaaksites. Opvallend is dat hij in een Duits tijdschrift (ik geloof dat het Schach 64 was) vorig jaar al aangevallen werd omwille van zijn verdachte schommelingen in speelsterkte (in blitz schijnt hij niet veel voor te stellen). In zijn recht van antwoord verdedigde hij zich met “Mir kann man keine - und wird es auch zukünftig nicht - Computerhilfe nachweisen”. Tot nu dus. Hoogmoed voor de val.
Nu enkel Ivanov nog – met zijn partners in crime deelt hij het gevoel van onaantastbaarheid. Zijn systeem werkt zo goed, dat hij zelfs rapidpartijen kan spelen op computersterkte. Hij draagt geen overdreven hoofddeksel en loopt niet weg van het bord tijdens de partij. De zender/ontvanger moet hij dus op zichzelf dragen – wat gestaafd wordt door zijn (zwakke) optreden in een tornooi waarin aangekondigd werd dat er controles zouden plaats vinden. Want zijn eigen bewering (dat hij zowel van Rybka als Houdini een trainingsmatch met 10-0 heeft gewonnen) gelooft natuurlijk niemand.
De recente gevallen vallen op door het feit dat het relatief jonge schakers zijn die in de verleiding komen. Is het normvervaging – of gewoon luiheid en de idee dat easy succes ook mogelijk is? Het feit dat deze generatie (zonder dat ik hiermee een ganse generatie wil zwart maken) van 20-30’ers opgegroeid zijn met internet, iPads en krachtige GSMs zal er voor iets tussen zitten. De technologie is er, de mogelijkheden ook en op het einde van de rit easy money.
Tweede opvallend feit is dat er ook een verschuiving in speelsterkte is waar te nemen. In het begin waren het zwakke spelers die eens wilden proeven van het leven van de schaakelite (en bijhorend prijzengeld). Behalve Ivanov, zijn het nu eerder spelers van meer dan 2300 die zich hieraan verbranden, in een onbezonnen poging om de eigen grenzen te verleggen. Een eerder verrassende vaststelling, maar anderzijds doet het ons besluiten dat de verleiding in elke laag van schaaksterkte moet voordoen. Sterke spelers hebben ook het voordeel dat een “goed tornooi” minder snel zal opvallen dan een -2000 speler die plots op wereldniveau begint te spelen. Maar zolang de sjoemelaars het doel te snel willen bereiken (lees: de eerste keuze van Houdini), zullen ze door de mand vallen.
En toch, “de perfecte moord” in het schaken is al eens beschreven in een fictief kortverhaal dat ooit (ik schat de negentiger jaren) eens gepubliceerd werd in het Engelse tijdschrift “Chess”. Hierin krijgt een gewone clubspeler plotseling het inzicht hoe hij elke schaakpartij moet winnen – het schaakspel is opgelost, de methode eenvoudig te onthouden. De speler pakt het slim aan – hij werkt zich geleidelijk op tot regionaal niveau en vergeet nooit om nu en dan een remise te spelen of een partij te verliezen. Na enkele jaren plaatst hij zich voor het zonaal en later het interzonaal tornooi. Hij slaat zich – weeral niet overtuigend – door de kandidatenmatchen heen en krijgt zijn kans op de wereldtitel. Nu pas ontbindt hij zijn duivels: hoewel de WK op topniveau speelt, verliest die elke partij. De match duurt amper 13 partijen: 13-0. Maar wanneer hij op het slotbanket zijn geheim wil onthullen en het schaken wil vernietigen, wordt hij neergeschoten door de ex-WK, die ondertussen de reden van zijn nederlaag heeft beseft. Na herstel blijkt hij een deel van zijn geheugen kwijt te zijn.
Een mooi verhaal, maar de vraag is natuurlijk hoe dergelijk gedrag vermeden of gedetecteerd kan worden. Om te beginnen de GSM afgeven of open en bloot op de speeltafel leggen, kan op praktische bezwaren stuiten bij grotere competities (vrees voor diefstal, om er maar één te noemen). Als de scheids al die GSMs moet in bewaring houden, zitten we bij een groot tornooi met een logistiek probleem.
Analyses van de partij achteraf kan al één en ander verduidelijken: heeft de speler werkelijk zoveel meer gezien dan zijn tegenstander? Kotainy vloog in Dortmund tegen de lamp omdat hij al een reputatie had en omdat hij bezig was om het deelnemersveld met een perfecte score op te rollen. Hij werd goed in de gaten gehouden en zo werd zijn merkwaardig gedrag opgemerkt: bij elke zet stak hij zijn hand in de broekzak waar zijn gsm zat, om de trilsignalen op te vangen en door te geven. Oplettendheid is minstens even belangrijk als technologische maatregelen (zo viel het Siebrecht op dat Bindrich net als Natsidis vaak van zijn bord wegging op zijn eigen bedenktijd).
Het uitsluiten van prijzengeld van spelers die drie forfaitpunten krijgen is een drastische maatregel, die tegen Ivanov uitgeprobeerd wordt. Maar hier wordt beroep gedaan op het altruïsme van de schaker: hij (en twee anderen) moet een punt afstaan, zodat een algemeen belang gediend wordt. Een speler die zelf in aanmerking komt voor een prijs, zal dit m.i. niet zomaar doen. Enkel wanneer alle spelers overeen komen, kan zo’n speler in de eerste drie ronden geboycot worden, waarmee de schade voor de “helden” beperkt blijft – ze kunnen gebruik maken van een Zwitsers gambiet (voor de speler die 0/2 heeft en de cheater tegenover zich krijgt, is de schade trouwens al beperkt – met 0/2 doe je zelden nog mee voor de prijzen). Controles op bezit van andere elektronische hulpmiddelen lijkt me nutteloos, gezien het gebruik van de gsm (die uitstond) in het geval Kotainy. Iedereen heeft een gsm, dus waarom als cheater het moeilijk maken om extra zendapparatuur mee te zeulen? Misschien gebruikt Ivanov wel een zendapparaat in zijn schoenen (een zet in correspondentiecode versturen en ontvangen met je tenen is niet zo moeilijk, deze techniek is in het verleden trouwens al gebruikt). Short in het jongste nummer van New in Chess gebruikt dit argument in zijn artikel “Dressed to Kill” om een stripschaaktornooi te houden en zo Ivanov te ontmaskeren.
Een alternatieve regel zou zijn dat aan de topborden (bv de eerste tien), de paringen en het kleur pas vlak voor de partij worden vrijgegeven, als de spelers in de speelzaal zijn – of de partijen te laten plaatsvinden in een volledig afgesloten ruimte. Opnieuw moeten spelers “boeten” (geen voorbereiding mogelijk) om een algemeen kwaad uit te roeien, maar het is een mogelijkheid, net als het vertraagd doorsturen van de zetten op het internet – wat op zich nog zo gek niet is (en niemand heeft er nadeel van, behalve enkele journalisten en internetschakers die het tornooi live willen volgen).
Een meer serieuze poging om het cheaten te ontmaskeren is het achteraf analyseren van de partijen, om zo een mate van overeenstemming met computers te kunnen aantonen. Hier zal een slimme cheater er wel voor waken om niet meer de beste zet van Houdini te gebruiken, maar van bv een freeware programma (Stockfish bv), dat dan nog eens getweakt is met afwijkende parameters. In gelijke stellingen kan er bovendien worden voor gekozen om bv de tweede of derde beste zet te spelen. Bovendien laat een slimme cheater ook taktisch nu en dan een gelegenheid door de vingers glippen en is hij niet afkerig van een remise meer of minder of van een tweede of derde plaats in een tornooi. Een “menselijk” openingsboek (niet te breed) en een onregelmatig tijdsverbruik maakt de verhullingsoperatie compleet. De kans dat er dan nog partijen met de computer kunnen geïdentificeerd worden als “vals” lijkt me klein.
Moraal van het verhaal: het is zeer moeilijk om onopgemerkt te cheaten en get away with it. Bovendien, het doet eigenlijk denken aan de postbodes in het cr-schaak: wat is de fun aan het doorgeven van computerzetten? Daarvoor schaak je toch niet?
Voor wie moedeloos wordt van dit artikel, er is hoop: Ivanov heeft wel degelijk – ondanks zijn computerhulp – al een partij verloren. Op de ouderwetse manier: hij werd verslagen met een extreme vorm van horizonwerking. De hele partij laat hij/de computer na om tegenspel te creëren met f6 of f5 en in tijdnood begaat hij een elementaire blunder (niet snel genoeg meer kunnen seinen?).
HK5000









