vrijdag 9 augustus 2013

Bedrog

Het schaken begint stilaan op wielrennen te lijken – zelfverklaarde anti-dopingcommissies roepen de hele community bijeen voor iedereen die enigszins onregelmatige prestaties neerzet. Namen worden al bij voorbaat bij een modderpoel gezet om alvast als eerste met modder te kunnen gooien. Het feit dat er regelmatig zondaars de kop opsteken, zal hier niet vreemd aan zijn. Maar hoe is het zover kunnen komen?
Wel, al sinds het begin der informaticatijden hebben schakers gepoogd om de boel te belazeren. Een recent nummer (1/2013) van het tijdschrift Karl ging bijna integraal over deze thematiek. Er zijn vele vormen van bedrog (naast elektronische hulpmiddelen denk ik aan het influisteren van zetten, het gaan spieken in het boekenstalletje, het op het toilet analyseren van de stelling met een zakschaakspelletje, het faken van ganse tornooien (als je rijk genoeg bent, zoals Alexandru Crisan), het inzetten van je tweelingbroer of –zus (echt, het komt voor), enzovoort), maar hier beperk ik mij tot de bekendste gevallen van het zich laten assisteren met elektronische middelen. Op de site van chess.com staan enkele goede artikelen met leuke partijfragmenten (google “computers in chess good or evil”). In Chessvibes “cheating” in het zoekvenster intikken levert ook al een opvallend grote oogst op.
Eén van de eerste pogingen (die, zoals de meeste, slecht afliep), vond plaats in de New York open van 1993. Een onbekende zwarte speler, met een groot rastakapsel, speelde plots mee voor het prijzengeld. Met een opmerkelijke naam als “John von Neumann” kreeg hij al snel de aandacht van de tornooileiding, vooral toen hij één van zijn partijen verloor door tijdsoverschrijding na amper enkele zetten. Op het einde van het tornooi, mocht hij zijn kunnen demonstreren in een blitzpartijtje. De bedrieger viel meteen door de mand – hij was nauwelijks op de hoogte van de loop der stukken. Hij bleek een koptelefoon en zender te dragen, waarmee de zetten doorgegeven werden.
De 55-jarige Duitser Clemens Allwermann (elo 1925) werd in de Böblinger Open in 1998 de eerste echte schaker die “goed” gebruik maakte van software. Hij verklaarde zijn succes in het tornooi met argumenten als “iets wat ik net geanalyseerd heb voor mijn correspondentiepartijen”, of “gewoon geluk gehad”. Toen hij op het einde van zijn beslissende partij tegen Kalinichev een moeilijk mat in acht aankondigde, viel hij door de mand. Uiteindelijk gaf hij zijn 1660 DM prijzengeld terug en werd de rechtszaak tegen hem geseponeerd wegens gebrek aan bewijs. Sindsdien staat de man bekend als de pionier van het gebruik van de combinatie transmissie- en schaaksoftware Diverse sites verwijzen nog naar de eerste deftige poging om te cheaten, een compleet overzicht van het verhaal staat op Chessbase.
In 2006 speelde Eugen Varshavsky de pannen van het dak in de World open, maar nadat hij Ilya Smirin versloeg, werd hij verplicht om de twee laatste ronden zonder zijn immense hoed te spelen – zeer verrassend daalde zijn speelsterkte plots met meer dan 1000 elopunten – tot nu toe het enige geval dat bekend is van een schakende hoed.
Ook andere landen werden niet gespaard – onder andere Nederland, Indië en Dubai kregen er ook mee te maken. En dan was er de slimme telefoontruc van enkele Franse (top)spelers op de olympiade van Khanty-Mansiysk (2010), waarbij de zetten gecamoufleerd waren in internationale telefoonnrs. Marzolo analyseerde, stuurde de zetten door naar de coach (Hauchard) en die liep dan volgens een bepaald pad langs de borden, zodat de Feller wist wat hij moest doen. To no avail – het bedrog werd ontdekt en spelers en trainers werden zwaar gesanctionneerd. Dit was ongetwijfeld op het hoogste niveau tot op heden dat er gefraudeerd werd.
In Duitsland (2011) werd FM Natsidis gepakt in zijn laatsteronde partij tegen Sebastian Siebrecht (terwijl zelfs een verlies in die partij hem nog een IM-norm had opgeleverd). Overmoed gekoppeld aan gewoonte: zelfs voor een partij die hij mocht verliezen, had hij nog elektronische hulp nodig. Het zelfvertrouwen wordt volledig in het apparaat gelegd en het eigen denken stopte volledig.
In oktober 2012 werd Falko Bindrich (GM ondertussen) beschuldigd van cheating met zijn smartphone tijdens zijn partij tegen Sebastian Siebrecht (jawel, dezelfde). Hij kreeg een speelban van 2 jaar, maar toen hij beroep aantekende bij de Duitse bond, haalde de federatie bakzeil, met als motivatie dat er geen legale basis voor de schorsing was.
Het laatste bekende geval is dat van Jens Kotainy, die het open tornooi van Dortmund (zomer 2013) domineerde met 7/7. Dat kon misschien nog verklaard worden met het feit dat hij de hoogste elo was, maar het viel toch op dat hij weeral eens perfect speelde en pas een steekje liet vallen wanneer de buit al lang en breed binnen was. Hoe Kotainy geklist werd, is uitvoerig te lezen op de grote schaaksites. Opvallend is dat hij in een Duits tijdschrift (ik geloof dat het Schach 64 was) vorig jaar al aangevallen werd omwille van zijn verdachte schommelingen in speelsterkte (in blitz schijnt hij niet veel voor te stellen). In zijn recht van antwoord verdedigde hij zich met “Mir kann man keine - und wird es auch zukünftig nicht - Computerhilfe nachweisen”. Tot nu dus. Hoogmoed voor de val.
Nu enkel Ivanov nog – met zijn partners in crime deelt hij het gevoel van onaantastbaarheid. Zijn systeem werkt zo goed, dat hij zelfs rapidpartijen kan spelen op computersterkte. Hij draagt geen overdreven hoofddeksel en loopt niet weg van het bord tijdens de partij. De zender/ontvanger moet hij dus op zichzelf dragen – wat gestaafd wordt door zijn (zwakke) optreden in een tornooi waarin aangekondigd werd dat er controles zouden plaats vinden. Want zijn eigen bewering (dat hij zowel van Rybka als Houdini een trainingsmatch met 10-0 heeft gewonnen) gelooft natuurlijk niemand.
De recente gevallen vallen op door het feit dat het relatief jonge schakers zijn die in de verleiding komen. Is het normvervaging – of gewoon luiheid en de idee dat easy succes ook mogelijk is? Het feit dat deze generatie (zonder dat ik hiermee een ganse generatie wil zwart maken) van 20-30’ers opgegroeid zijn met internet, iPads en krachtige GSMs zal er voor iets tussen zitten. De technologie is er, de mogelijkheden ook en op het einde van de rit easy money.
Tweede opvallend feit is dat er ook een verschuiving in speelsterkte is waar te nemen. In het begin waren het zwakke spelers die eens wilden proeven van het leven van de schaakelite (en bijhorend prijzengeld). Behalve Ivanov, zijn het nu eerder spelers van meer dan 2300 die zich hieraan verbranden, in een onbezonnen poging om de eigen grenzen te verleggen. Een eerder verrassende vaststelling, maar anderzijds doet het ons besluiten dat de verleiding in elke laag van schaaksterkte moet voordoen. Sterke spelers hebben ook het voordeel dat een “goed tornooi” minder snel zal opvallen dan een -2000 speler die plots op wereldniveau begint te spelen. Maar zolang de sjoemelaars het doel te snel willen bereiken (lees: de eerste keuze van Houdini), zullen ze door de mand vallen.
En toch, “de perfecte moord” in het schaken is al eens beschreven in een fictief kortverhaal dat ooit (ik schat de negentiger jaren) eens gepubliceerd werd in het Engelse tijdschrift “Chess”. Hierin krijgt een gewone clubspeler plotseling het inzicht hoe hij elke schaakpartij moet winnen – het schaakspel is opgelost, de methode eenvoudig te onthouden. De speler pakt het slim aan – hij werkt zich geleidelijk op tot regionaal niveau en vergeet nooit om nu en dan een remise te spelen of een partij te verliezen. Na enkele jaren plaatst hij zich voor het zonaal en later het interzonaal tornooi. Hij slaat zich – weeral niet overtuigend – door de kandidatenmatchen heen en krijgt zijn kans op de wereldtitel. Nu pas ontbindt hij zijn duivels: hoewel de WK op topniveau speelt, verliest die elke partij. De match duurt amper 13 partijen: 13-0. Maar wanneer hij op het slotbanket zijn geheim wil onthullen en het schaken wil vernietigen, wordt hij neergeschoten door de ex-WK, die ondertussen de reden van zijn nederlaag heeft beseft. Na herstel blijkt hij een deel van zijn geheugen kwijt te zijn.
Een mooi verhaal, maar de vraag is natuurlijk hoe dergelijk gedrag vermeden of gedetecteerd kan worden. Om te beginnen de GSM afgeven of open en bloot op de speeltafel leggen, kan op praktische bezwaren stuiten bij grotere competities (vrees voor diefstal, om er maar één te noemen). Als de scheids al die GSMs moet in bewaring houden, zitten we bij een groot tornooi met een logistiek probleem.
Analyses van de partij achteraf kan al één en ander verduidelijken: heeft de speler werkelijk zoveel meer gezien dan zijn tegenstander? Kotainy vloog in Dortmund tegen de lamp omdat hij al een reputatie had en omdat hij bezig was om het deelnemersveld met een perfecte score op te rollen. Hij werd goed in de gaten gehouden en zo werd zijn merkwaardig gedrag opgemerkt: bij elke zet stak hij zijn hand in de broekzak waar zijn gsm zat, om de trilsignalen op te vangen en door te geven. Oplettendheid is minstens even belangrijk als technologische maatregelen (zo viel het Siebrecht op dat Bindrich net als Natsidis vaak van zijn bord wegging op zijn eigen bedenktijd).
Het uitsluiten van prijzengeld van spelers die drie forfaitpunten krijgen is een drastische maatregel, die tegen Ivanov uitgeprobeerd wordt. Maar hier wordt beroep gedaan op het altruïsme van de schaker: hij (en twee anderen) moet een punt afstaan, zodat een algemeen belang gediend wordt. Een speler die zelf in aanmerking komt voor een prijs, zal dit m.i. niet zomaar doen. Enkel wanneer alle spelers overeen komen, kan zo’n speler in de eerste drie ronden geboycot worden, waarmee de schade voor de “helden” beperkt blijft – ze kunnen gebruik maken van een Zwitsers gambiet (voor de speler die 0/2 heeft en de cheater tegenover zich krijgt, is de schade trouwens al beperkt – met 0/2 doe je zelden nog mee voor de prijzen). Controles op bezit van andere elektronische hulpmiddelen lijkt me nutteloos, gezien het gebruik van de gsm (die uitstond) in het geval Kotainy. Iedereen heeft een gsm, dus waarom als cheater het moeilijk maken om extra zendapparatuur mee te zeulen? Misschien gebruikt Ivanov wel een zendapparaat in zijn schoenen (een zet in correspondentiecode versturen en ontvangen met je tenen is niet zo moeilijk, deze techniek is in het verleden trouwens al gebruikt). Short in het jongste nummer van New in Chess gebruikt dit argument in zijn artikel “Dressed to Kill” om een stripschaaktornooi te houden en zo Ivanov te ontmaskeren.
Een alternatieve regel zou zijn dat aan de topborden (bv de eerste tien), de paringen en het kleur pas vlak voor de partij worden vrijgegeven, als de spelers in de speelzaal zijn – of de partijen te laten plaatsvinden in een volledig afgesloten ruimte. Opnieuw moeten spelers “boeten” (geen voorbereiding mogelijk) om een algemeen kwaad uit te roeien, maar het is een mogelijkheid, net als het vertraagd doorsturen van de zetten op het internet – wat op zich nog zo gek niet is (en niemand heeft er nadeel van, behalve enkele journalisten en internetschakers die het tornooi live willen volgen).
Een meer serieuze poging om het cheaten te ontmaskeren is het achteraf analyseren van de partijen, om zo een mate van overeenstemming met computers te kunnen aantonen. Hier zal een slimme cheater er wel voor waken om niet meer de beste zet van Houdini te gebruiken, maar van bv een freeware programma (Stockfish bv), dat dan nog eens getweakt is met afwijkende parameters. In gelijke stellingen kan er bovendien worden voor gekozen om bv de tweede of derde beste zet te spelen. Bovendien laat een slimme cheater ook taktisch nu en dan een gelegenheid door de vingers glippen en is hij niet afkerig van een remise meer of minder of van een tweede of derde plaats in een tornooi. Een “menselijk” openingsboek (niet te breed) en een onregelmatig tijdsverbruik maakt de verhullingsoperatie compleet. De kans dat er dan nog partijen met de computer kunnen geïdentificeerd worden als “vals” lijkt me klein.
Moraal van het verhaal: het is zeer moeilijk om onopgemerkt te cheaten en get away with it. Bovendien, het doet eigenlijk denken aan de postbodes in het cr-schaak: wat is de fun aan het doorgeven van computerzetten? Daarvoor schaak je toch niet?
Voor wie moedeloos wordt van dit artikel, er is hoop: Ivanov heeft wel degelijk – ondanks zijn computerhulp – al een partij verloren. Op de ouderwetse manier: hij werd verslagen met een extreme vorm van horizonwerking. De hele partij laat hij/de computer na om tegenspel te creëren met f6 of f5 en in tijdnood begaat hij een elementaire blunder (niet snel genoeg meer kunnen seinen?).

HK5000

woensdag 7 augustus 2013

Sportiviteit

Alhoewel het voorbije Belgisch kampioenschap op minder dan 50 meter van mijn kantoor afspeelde, moest ik zelf verstek laten gaan wegens onvoldoende verlof op de teller. Mijn chef laat nog niet toe om te batchen en daarna 50 meter verder schaak te spelen. Echter na het werk trachtte ik wel geregeld even binnen te springen om zo een glimp op te vangen van de sfeer en de partijen. Spijtig stelde ik vaak vast dat er nog weinig partijen bezig waren omstreeks 5 uur dus slechts 3 uren na het aanvangsuur. De reden hiervan is zeker het nieuwe tempo. Met minder tijd voor 40 zetten, zijn partijen sneller gedaan maar er is ook een zeker kwaliteitsverlies wat op zijn beurt leidt tot partijen met een gemiddeld minder aantal zetten. Het is een evolutie die ik niet toejuich maar ik zie in deze maatschappij waarin men steeds drukkere agenda's heeft, geen mogelijkheid om dit te counteren.

Als toeschouwer vielen mij 2 partijen in het bijzonder op. 1 partij vermeldde ik al in een vorig blogartikeltje de hollandse schaakanekdote. Rein Verstraeten weigerde remise in die partij waardoor hij Tanguy Ringoir verplichtte om verder te spelen. In zijn keuze speelde wellicht ook sportiviteit een rol. Geen enkele concurrent kon achteraf kwalijk nemen dat hij te makkelijk in een goede stelling de titel van Belgisch kampioen had weggegeven. In een 2de partij speelde opnieuw Rein een opmerkelijke rol. Daar koos hij tot mijn verbazing om niet de remise te claimen op zet 40 in een duidelijk inferieure stelling. Stefan had net per ongeluk 3 keer dezelfde stelling toegelaten. 
Het reglement artikel 9.2 uit Laws of Chess werd uiteraard gecreëerd om conflictsituaties te vermijden waarin 1 van de spelers geen zin had in remise maar tevens geen pogingen meer ondernam om de partij op een normale wijze te winnen. Omdat het duidelijk was dat Stefan wel nog serieuze pogingen ondernam om de partij op een normale wijze te winnen, zou het dus kunnen zijn dat Rein niet naar de letter maar naar de geest van het reglement handelde. Achteraf vroeg ik Rein wat precies zijn intenties waren in de partij maar hij gaf een ontnuchterend antwoord dat hij gewoon gemist had dat er een remiseclaim mogelijk was. Zelf herinner ik mij dat ik 2 gelijkaardige situaties al heb meegemaakt in officiële wedstrijden.

In beide partijen hadden mijn tegenstanders weinig zin in de remise. Pas toen ik ging claimen bij de scheidsrechter, werd het hun duidelijk dat ze per ongeluk 3 keer dezelfde stelling op het bord hadden laten verschijnen waarna ze teleurgesteld de remiseuitslag ondertekenden. Ik koos dus om de letter van het reglement toe te passen maar er bestaan wel degelijk spelers die kiezen voor de zogenaamd sportieve keuze.

Zo herinner ik mij het verhaal op schaakfabriek waarin verteld werd dat Jan Gooris opgaf in een stelling waarin hij remise kon claimen op basis van het reglement artikel 9.3 uit Laws of Chess. Zijn jonge tegenstander Yasseen De Herdt had enige moeite om de winst in het zeldzame eindspel paard + loper te vinden waardoor hij uiteindelijk 52 zetten nodig had voor de mat. Absoluut geen schande als je weet dat recent nog de wereldkampioene bij de dames er niet in slaagde om de mat te vinden, zie het leuke youtubefilmpje. De 50 zetten regel werd oorspronkelijk gecreëerd om te vermijden dat iemand onbeperkt zou proberen een stelling te winnen. Arbitrair werd de grens getrokken op zet 50 maar omdat hier duidelijk geen sprake was van onbeperkt proberen een stelling te winnen, vond Jan het correcter om niet vast te pinnen op de 50 zetten en dus de overwinning te gunnen aan zijn jonge beloftevolle tegenstander.

Men zou denken dat zulk gedistingeerd gedrag enkel voorkomt bij amateurs waar weinig op het spel staat maar ook bij professionals zijn gelijkaardige gevallen bekend. De Oekrainsche topgrootmeester Vassily Ivanchuk is een zeer eigenzinnige schaker met briljante ideeen. Niet alleen voor de tegenstanders is hij onnavolgbaar maar ook zelf heeft hij moeite om de controle over zijn gedachten te behouden waardoor hij geregeld in grote tijdnood komt. Zo was het ook in zijn partij tegen de Cubaanse topgrootmeester Leinier Dominguez Perez, gespeeld in Linares 2009. In het tijdsnoodduel smeet Vassily enkele stukken per ongeluk om die echter door Leinier in zijn eigen tijd werden rechtgezet. Echter Vassily voelde intuitief aan dat hij hiermee de normale gang van zaken had verstoord en stelde daarom op zet 47 in gewonnen stelling remise voor.
Leinier nam het voorstel aan maar kreeg later wroeging hierover toen hij vernam waarom Vassily niet had willen winnen. Hij vond dat hij nooit dit cadeau had mogen aannemen. In de Grandprix van Thessaloniki 2013 was hij dan ook blij om een cadeautje terug te kunnen geven aan Vassily maar dat was buiten de waard gerekend. Ook deze keer was Vassily in grote tijdnood. Vassily had een totaal winnende stelling maar blunderde en kwam verloren te staan. Leinier wou remise voorstellen maar Sofia Rules waren geldig dus moest hij zoeken naar een andere oplossing.
Uiteindelijk kwam een zetherhaling op het bord maar ondertussen was ook de vlag gevallen van Vassily. Leinier probeerde nog bij de arbiter te claimen voor een remise maar die was onverbiddelijk. Een arbiter is aanwezig om toezicht te houden op het volgen van de reglementen dus enigszins normaal dat hij die reglementen dan ook op de letter tracht toe te passen. 

De wellicht grootste perfectionist is de Tjechische topgrootmeester David Navara. Erg bekend is uiteraard zijn partij tegen Moiseenko waar hij remise gaf in compleet gewonnen stelling alhoewel er kwalificatie in de Wereldbeker en een grote som geld op spel stond. Echter wat weinigen weten is dat David zulke cadeaus niet 1 keer maar minstens in 3 gelijkaardige situaties heeft gegeven. Telkens betrof het een situatie waarin er mogelijks invloed was geweest op de prestatie van de tegenstander waardoor David zich slecht voelde bij het winnen van de stelling. Zelfs een slecht werkende klok waaraan David geen enkele verantwoording betrof, was voldoende om zich schuldig te voelen t.o.v. de tegenstander.

Het is een logica die weinig of geen andere grootmeesters vandaag volgen wat we o.a. kunnen afleiden uit Peter Svidlers quote: “I want to stress that this is in huge part due to what kind of a man David is. He is constantly worried he will do something wrong and in fact never does. In all my years of knowing him he hasn't done one thing wrong ethically and yet he constantly worries about it […] He is a great guy but sometimes he is his own worst enemy. I think because he wants so badly to be absolutely perfect in every respect.” 

Ik begrijp wel de drijfveer voor zulk extreem correct gedrag. Schaken wordt door heel wat spelers bekeken als een nobel spel waarin een pure krachtmeting op het vlak van ideeën en kunde plaatsvindt. Het resultaat van de partij moet in rechtstreeks verband staan met wie de sterkste speler was tijdens de partij. Reglementen zijn nodig om het geheel in een zeker kader te gieten maar mogen geen dominante rol spelen. In werkelijkheid is zulke zuivere strijd een utopie. Zoals de grote Tartakower ooit zei: " I never defeated a healthy player." Altijd zijn er wel redenen te vinden waarom het niet perfect ging. Als iedereen eerlijk is dan beseffen we dat zelden alle randvoorwaarden vervuld zijn om optimaal te kunnen spelen.

In tegenstelling met 'being mister nice guy of mister perfect' verkies ik Emanuel Lasker's filosofie: "Chess is, above all, a fight" . Dit betekent helemaal niet dat ik onbeschoft of onbeleefd gedrag goedkeur, integendeel maar wel dat spelers in de partij best gebruik maken van de mogelijkheden in de reglementen om de partij in hun voordeel te beslechten. Zo is het spelen op iemands tijdsgebrek een onderdeel van dit gevecht wat ik o.a. al uitlegde in mijn blogartikel eindspelen met ongelijke lopers deel 2. Om de mogelijkheden van de reglementen optimaal te gebruiken, moet je ze uiteraard ook eerst op voorhand bestuderen en daar knelt vaak het schoentje. Recent zag ik in Open Gent hoe Olaf Pienski (dezelfde persoon uit mijn blogartikeltje gambieten) een bekende theoretische remisestelling verloor op tijd tegen Geert Van der Stricht. Achteraf vroeg ik wat er precies gebeurd was aan Geert. Geert vertelde mij dat hij helemaal geen probleem had met een remise maar als de tegenstander vergeet remise voor te stellen/ claimen dan is dit voor zijn rekening waarmee ik het uiteraard eens ben.

Bovendien lijkt het erg sportief om af en toe eens niet het maximaal haalbare uit een stelling te halen maar in realiteit is het vaak een bron voor ergernis. Spelers worden jaloers omdat de ene wel een cadeau krijgt en de andere niet. Ook is het vaak zo dat een gunst voor de ene speler ten koste gaat van 1 of meerdere andere spelers. Ik ben dus van mening dat we beter ons concentreren op andere domeinen (stiptheid, niet praten tijdens een wedstrijd, ...) om sportiviteit te verdedigen.

Brabo

Addendum 26 augustus 2013
In de 2de ronde van de Fide Worldcup kwam het tot een conflict tussen de spelers Wang Hao en Dreev Aleksey zie o.a. chessbase,  betreffende remise door 3 keer dezelfde stelling. Aleksey stond huizenhoog gewonnen maar liet per ongeluk 3 keer dezelfde stelling op het bord verschijnen waarna Hao echter op verkeerde wijze remise claimde. Hij claimde namelijk remise zonder de zet waarmee 3 keer dezelfde stelling zou verschijnen vooraf schriftelijk te noteren. Het artikel 8.1 in de fidereglementen zegt dat je geen zetten op voorhand mag noteren maar blijkbaar weten heel wat spelers niet dat er een uitzondering bestaat voor het claimen van remises op basis van artikels 9.2 en 9.3. Puur toeval maar op deze blog vermeldde ik al eerder een voorbeeld van zulke fout, zie mijn partij tegen Steven Geirnaert in het blogartikel gekke materiaalverhoudingen. Echter in tegenstelling met Aleksey, ging ik niet in discussie maar vertelde ik Steven dat hij gewoon zijn formulier moest aanvullen met de beoogde zet waarmee de kous af was. Nu ik had uiteraard makkelijk praten wat er stond bijzonder weinig op het spel in mijn partij en bovendien was de eventuele winst veel minder evident in mijn partij tegen Steven. Vervolgens wil ik er ook nog op wijzen dat een foutieve remiseclaim niet betekent dat er geen nieuwe juiste claim kan worden gemaakt wat gebeurde in de partij door Hao. Uiteraard veelvuldig verkeerd claimen kan/ zal wel uiteindelijk bestraft worden met een nederlaag want wordt beschouwd als opzettelijk en herhalend storen van de tegenstander. 

woensdag 31 juli 2013

Gambieten

Alhoewel vandaag computers veel sterker spelen dan mensen, is de interesse voor partijen gespeeld tussen computerprogramma's vele malen kleiner dan partijen gespeeld tussen mensen. Kwaliteit is dus niet voldoende om een groot publiek aan te trekken. Iedere speler zal beamen dat competitieschaak tussen mensen veel rijker is dan het puur berekenen van de beste zet. Trouwens wat de beste zet is volgens de computer kan best zelfs een foute zet zijn in een specifieke bordpartij. Ik kan mij bv. voorstellen dat de beste zet naar eeuwig schaak leidt maar remise geen optie is wegens de tornooisituatie. 

Computers hebben uiteraard een grote evolutie meegemaakt in de laatste decennia. Echter als ik kijk naar 1990 dan durf ik te stellen dat het computerschaak er toen zeker niet menselijker op schaakte dan vandaag, integendeel. Het was in die tijd dat ik leerde schaken. In mijn blogartikeltje schaakcomposities gaf ik al op dat ik een schaakcomputer: Mephisto Europa A had gekocht om tegen te spelen. Wel ik geloof dat ik er honderden, misschien wel duizend(en) (rapid)partijtjes heb tegen gespeeld. Nadat ik begon te winnen tegen het hoogste niveau van de Mephisto Europe A, kocht ik de Tandy Chess Champion 2150. Ook tegen deze computer speelde ik opnieuw vele honderden partijtjes. Rond 1995 schakelde ik over op de PC en speelde ik een 40 tal lange partijen tegen o.a. Siberian Chess en Fritz 2. Deze titanenmatchen waren mijn laatste computermatchen want toen ging de deur open naar het tornooischaak tegen mensen en keek ik nooit meer om naar computerwedstrijden.

Het spreekt voor zich dat deze ongewone jarenlange schaakcompetitie in mijn belangrijke eerste ontwikkelingsjaren een grote invloed heeft gehad op mijn speelstijl. Een computer straft elke nonchalante zet keihard af en verslapt geen enkel moment. Je wordt genoodzaakt om zeer geconcentreerd gedurende een hele partij te spelen en bij elke zet leer je steeds te dubbel checken of het tactisch wel allemaal correct is. Voorzichtigheid is de sleutel om goed te scoren waardoor ik een grote aversie verkreeg van alles wat te maken had met risico's. Terwijl deze aanpak wel werkte tegen computers, bleek al snel dat het veel minder efficiënt was tegen mensen. Mijn nieuwe tegenstanders achtten veel minder belang aan materiaal en waren bereid om risico's te nemen om zo initiatief, compensatie, tegenkansen,... te verkrijgen waarvan ik geen kaas had gegeten. Bovendien ondervond ik dat het erg moeilijk was om mijzelf deze nieuwe strategieën aan te leren want die gingen totaal in tegen mijn auto-didactische voorzichtige speelstijl. In dit opzicht heeft Jacob Aagaard dus gelijk in zijn commentaren onder het blogartikel Is chess really a young man's game? dat computers nadelig zijn voor de vroege ontwikkeling van een schaker. Anderzijds is het uiteraard ook zo dat trainen tegen computers nog steeds vele malen beter is dan helemaal niet trainen voor de schaakontwikkeling.

In de commentaren onderaan mijn blogartikeltje mijn mooiste zet maakte ik al duidelijk dat ik zelf ook wel snapte dat het noodzakelijk was voor mijn schaakontwikkeling om te proberen aanvallender te spelen. Echter dit ging aan het bord met vallen en opstaan. Zo herinner ik mij eens een interessant gambiet die ik probeerde in 1 van mijn eerste Belgische interclubwedstrijden. Ik verkreeg uitstekende kansen maar tijdens de partij bakte ik er weinig van en uiteindelijk leed ik een pijnlijke nederlaag.
Een complete omslag van een positionele speler naar een zuivere aanvalsspeler is mij niet gelukt maar ik durf wel te stellen dat vandaag mijn spel een stuk dynamischer is geworden. Een initiatief kan ik meer sturen wat betekent dat de risico's om materiaal ervoor te investeren, kleiner zijn geworden. In het voorbije Open Gent speelde ik enkele leuke aanvalspartijen waarvan mijn partij tegen de Duitse speler Olaf Pienski wellicht het best illustreert hoe ik vandaag een stuk lichter omspring met materiaal.

Nu ik geef toe dat dit partijfragment voor echte aanvalsspelers slechts lauwe pap is. Sommige spelers maken er zelfs bijna een erezaak van om in elke partij materiaal te offeren om zo hun eigen aanvallende speelstijl te kunnen opdringen aan de tegenstander. We kennen allemaal wel spelers die voldoen aan deze omschrijving. Het wekt zowel verwondering als angst op bij de tegenstanders. 1 Belgische FM die in deze categorie zeker thuishoort, is Luc Henris. 2 keer had ik reeds het genoegen om hem aan het bord te ontmoeten en telkens ging het er erg scherp aan toe.

Ook in de 2de ontmoeting verraste Luc mij opnieuw met zijn betere kennis van het gambiet alhoewel ik ook deze keer twijfels heb bij de theoretische correctheid.

Ik ben trouwens benieuwd wat er in het net gepubliceerde The King's Gambit staat vermeld over de gespeelde variant in bovenstaande partij. Feedback van lezers die het boek hebben aangekocht, is meer dan welkom.

Dat Luc Henris houdt van gambieten, zien we trouwens niet alleen terug op het bord. Zo publiceerde hij zeer recent na jaren werken een monumentaal boek over het Albin-tegengambiet. Het boek weegt 1kg 200 gram en telt 615 pagina's waaruit we mogen afleiden dat het hier echt over een ouderwets openingsboek gaat die van naadje tot draadje alles tracht uit te leggen.

Een review van het boek kon ik nog niet terugvinden op het internet maar er was wel op chesspub enige commotie rond plagiaat. Blijkbaar kan je bepaalde pagina's letterlijk terugvinden in eerder gepubliceerd werk terwijl er geen referenties in het boek vermeld staan. Dat vind ik zelf ook heel vervelend wat je o.a. al kon lezen in mijn eerder blogartikeltje sos. Echter in tegenstelling met mijn verhaal, bleek de uitgever wel bereid om zich te verontschuldigen wat verdere escalering vermeed.

Vandaag bestaat dus duidelijk nog heel wat interesse voor gambieten. Spelers zijn zich bewust dat niemand kan spelen zoals Houdini in een bordpartij (als we vals spelen buiten beschouwing laten). Met gambieten blijven we ons onderscheiden van computerprogramma's. Helemaal correct hoeft het vaak niet te zijn zolang het maar problemen schept op het bord waardoor onze tegenstanders vroeg of laat een steek laten vallen.

Brabo

donderdag 18 juli 2013

De Hollandse schaakanekdote

In mijn eerder blogartikeltje openen met de f pion heb ik verteld dat ik eens de vraag kreeg waarom ik ook niet met wit steeds f4 speel als ik zo graag het Hollands speel met zwart. Ik kon er toen geen gevat antwoord op geven maar dat zou vandaag wel anders zijn. Toevallig las ik recent dat de Ukrainische grootmeester Vladimir Malianuk dezelfde vraag had voorgeschoteld gekregen. Ook Vladimir is een verstokte speler van het Hollands maar dan wel van het scherpere Leningradersysteem. Hij gaf een schitterend antwoord na even nadenken: " dit extra tempo zou mij alleen maar slecht bevallen".

Een andere leuke anekdote over dezelfde Malaniuk gaat eveneens over zijn Hollandse openingskeuze. Zo speelde hij eens in een toernooi in de laatste ronde tegen iemand die wat minder elo had dan hijzelf. Ik vermoed dat hij wat vermoeid was want voor de ronde stelde hij aan zijn tegenstander voor om na enkele zetten remise te spelen. Echter de tegenstander had daar weinig zin in en weigerde het voorstel. Wellicht had hij al gezien dat Malaniuk het dubieuze Hollands op zijn repertoire had staan. Malaniuk antwoordde droog: " ok, maar pas op als ik ...f4 kan spelen". De partij begon en Malaniuk checkte na enkele zetten nog eens of zijn tegenstander nog niet veranderd was van idee. Hij stelde remise voor en vertelde erbij dat remise nu nog mogelijk was want hij had nog geen f4 gespeeld. De tegenstander bleef echter bij zijn eerder besluit, liet ... f4 toe, besefte dat hij slecht kwam te staan en bood dan maar ineens zelf remise aan. Hierop kreeg hij een resoluut "NEE" als antwoord. Zwart had uiteraard ook gezien dat hij nu beter stond, slaagde erin om dit voordeel uit te bouwen en kon het punt met grote voldoening optekenen.

Of het allemaal zo precies is gebeurd, weet ik niet maar feit is wel dat ik meerdere partijen kon terugvinden in de database waarin Malaniuk inderdaad won met zijn favoriete Hollands waarin hij f4 speelde. Hieronder kan je 1 van die partijtjes naspelen.
Ik vind het altijd leuk om zulke anekdotes te lezen maar het wordt pas echt hilarisch wanneer er in het voorbije Belgisch kampioenschap een verfijnde variatie op de laatste anekdote gebeurt. Na een totaal onnodige nederlaag in de 1ste ronde, was de uittredende Belgisch kampioen Tanguy Ringoir genoodzaakt om een lange achtervolging in te zetten. Pas in de voorlaatste ronde kwam hij na een indrukwekkende zegereeks langszij de koploper Alexander Dgebuadze. De Vlaamse kampioen Stefan Docx zat op vinkenslag met een halfje minder dus alle ingredienten waren aanwezig voor een spetterende laatste ronde. Tanguy speelde met zwart tegen Rein Verstraeten, Belgisch jeugdkampioen maar besefte zelf ook wel dat hij best op winst kon spelen voor de titel. Een goede keuze maken voor zwart is niet makkelijk maar uiteindelijk werd gekozen voor het Hollands op de 1.d4 openingszet van Rein. Omdat Tanguy vorig jaar al enkele keren het Hollands gespeeld had, zie mijn blogartikeltje verrassen met het hollands en het succes van de openingskeuze toch voornamelijk afhangt van de verrassingsfactor, moet ook opgemerkt worden dat eerder in het toernooi Tanguy nog had gepraat met Rein over hoe slecht het Hollands wel was. Voor het verloop van de partij verwijs ik naar de partijviewer met enkele lichte commentaren maar let vooral op de remisevoorstellen.

Alhoewel de sequentie van remisevoorstellen erg grappig is, wil ik er wel nog bij vermelden dat Rein zich zeker niets hoeft te verwijten. Als je met wit denkt de betere kansen te hebben dan is het terecht dat je doorspeelt. Bovendien is doorspelen op zowel sportief als amusements vlak sowieso beter. Best niet te lang stilstaan bij zulke nederlagen en gewoon volgende keer opnieuw proberen om te winnen is de boodschap.

De breekzet f4 komt trouwens niet alleen voor in het Leningradersysteem van het Hollands maar is ook terug te vinden in andere Hollandse systemen. In mijn eigen bordpraktijk kon ik ook meerdere partijtjes terugvinden die ik gewonnen heb met dit zetje waarvan de partij hieronder zonder twijfel mijn beste is.

Dit betekent nu niet dat elke keer zwart f4 speelt, ook de partij wint. Nee dan zou iedereen uiteraard het Hollands spelen en zou de fun er af zijn van de Hollandse schaakanekdote.

Brabo

PS Met dank aan Herman Grooten voor het mogen hergebruiken van de anekdote die gepubliceerd werd op schaaksite.

maandag 15 juli 2013

Reactie op mijn mooiste zet

Naar aanleiding van Brabo's stukje en mijn commentaar presenteer ik mijn mooiste partij, die ook mijn mooiste zet bevat. Mijn tegenstander is veelvoudig Surinaams kampioen Franklin Mungroo. Twee jaar later hield hij GM Campora Sivori op remise maar ik wist dat hij een dubieus variantje op zijn repertoire had.
Daar komt hij dan, mijn mooiste zet. Fritz (ik heb de partij nooit door Rybka gehaald) geeft 15.Ld2 met duidelijk voordeel aan. Die zet heb ik nooit overwogen, omdat ik besefte dat de manoeuvre Pf3xg5xe6 een stuk waard was. De reden is dat de zwarte koning nog steeds in het centrum staat. Het offer is dus gebaseerd op de zwakte van pion g5.
15.b4 !!
Daarom is de zet b2-b4 gemakkelijk genoeg te vinden, als je eenmaal weet hoe je naar de stelling moet kijken. Niettemin ben ik er trots op, omdat de zet 
  • de culminatie is van mijn plan
  • gebaseerd is op een gezonde positionele beoordeling
  • ik de belangrijkste varianten niet alleen correct heb uitgerekend maar ook beoordeeld.
Dat komt niet zo vaak voor bij mij. Voor de afwerking keren we terug naar de partijviewer.
De aantekeningen heb ik kort na afloop gemaakt, toen ik mij nog goed herinnerde wat ik allemaal dacht tijdens de partij. Ze geven mijn denkproces dus vrij goed weer.

Mark Nieuweboer

woensdag 10 juli 2013

Mijn mooiste zet

De stap zetten als beginner van thuis naar clubschaker is voor veel spelers een pijnlijke ervaring want snel wordt duidelijk dat men helemaal niet zo geweldig speelt als gedacht. Sommige spelers geven er dan ook de brui aan na een reeks nederlagen en zie je nooit meer terug. Anderen zetten door en hebben de schaakmicrobe te pakken. Voor hen is het schaken meer dan een spelletje geworden of met hout schuiven. In de wanorde wordt een zekere logica en schoonheid waargenomen. Je geraakt erdoor gefascineerd en je spendeert steeds meer tijd om nieuwe zaken te ontdekken en te bewonderen. Uiteraard is schoonheid een moeilijk te definiëren begrip en veel hangt ook af van persoonlijke smaak en voorkeur. In de wereld van compositieschaak heeft men geprobeerd toch enigszins een internationale standaard te geven aan wat schoonheid bevat (zie mijn commentaar onder mijn blogartikeltje schaakcompositities). Echter het zou te kort door de bocht zijn om die regels over te nemen in het bordschaak. 

In bordschaak primeert het resultaat en mooie zetten worden voortdurend genegeerd om toch maar de eigen kansen te optimaliseren. Sommige tornooien proberen hieraan iets te verhelpen door schoonheidsprijzen te creëren maar dan riskeer je zoals in mijn blogartikeltje copycats dat er slimmeriken zijn die iets afspreken met de tegenstander. Ook kan een schoonheidsprijs de aanleiding zijn tot emotionele discussies, herinner Kasparov - Radjabov. Aan dit soort polemiek wil ik in elk geval niet deelnemen dus verkies ik liever om zonder prijzen of andere compensaties bepaalde dingen te tonen waarvan iedereen zelf kan bepalen of het  mooi is of niet. Op mijn blog heb ik al wel een aantal leuke partijtjes getoond (bv. gekke materiaalverhoudingen) maar in dit blogartikel wou ik eens een aantal mooie zetten tonen uit mijn bordpraktijk. Ik plaatste de oplossingen onderaan het artikeltje zodat de lezers zelf eerst eens kunnen proberen.
Wit aan zet

Zwart aan zet

Zwart aan zet

Zwart aan zet
Alle feedback is welkom over de stellingen maar ik kan nu al meegeven dat ik zelf geen enkele van bovenstaande stellingen opgelost heb tijdens de partijen ondanks meer dan voldoende tijd op de klok. Hiermee komen we langzaam naar de kern van het blogartikeltje en dat is niet zozeer de licht misleidende titel: 'mijn mooiste zet' maar wel kritieke zetten. Omdat er heel wat mogelijke interpretaties bestaan over een kritieke zet, definieer ik alvast wat het in dit blogartikeltje concreet betekent. Een kritieke zet is een stelling waarin de keuze een belangrijke invloed zal hebben op het resultaat (winst/ remise/ verlies) en de keuze niet vanzelfsprekend is, dus extra tijd (bv. 20 minuten) kost om correct te maken.  Op qualitychess had ik een stevige discussie met de Deense GM Jacob Aagard over kritieke zetten. Jacob was van mening dat het aanleren om diep na te denken in kritieke posities van fundamenteel belang was voor de schaakontwikkeling. Ik en Willy Hendriks in zijn boek MFTL, die ik eerder al besprak op deze blog zie ik wist het wel, hebben echter grote twijfels.

Vooreerst bestaat er geen enkele wetenschappelijke methode om op voorhand te kunnen bepalen wat een kritieke stelling is of niet. Ik vermoed dat sommige lezers wel enkele oplossingen gevonden zullen hebben van de eerder vermelde stellingen maar het feit dat ik ze allemaal gemist heb ondanks er geen sprake was van tijdnood, duidt er m.i. op dat ik niet weet hoe een kritieke positie op voorhand te herkennen. Achteraf is het uiteraard makkelijk praten over kritieke zetten als men weet (eventueel met behulp van een computerprogramma) waar de evaluaties veranderden. Tijdens de partij heb je veelal niets beter dan je eigen intuïtie om te vertrouwen of het een kritieke stelling is of niet. Net die intuïtie is bij de minder ervaren spelers niet erg ontwikkeld vandaar mijn eerste bezwaar om het concept kritieke zetten aan te leren.

Soms besef je wel dat er een beslissing genomen moet worden met verstrekkende gevolgen. Desalniettemin is het ook dan nog vaak onduidelijk of veel tijd spenderen een goede investering is. Een recent voorbeeldje uit mijn bordpraktijk was de onderstaande stelling waar ik erg lang nadacht over de complicaties die rezen na 13....,Tfe8.
Zwart aan zet
Uiteindelijk speelde ik ook 13...,Tfe8 en taxeerde ik 14.Lxf6 Pxf6 15.Pxe5 Lg4 16.Pxg4 Txe2 17.Pxf6+ gxf6 18.Txe2 Lxh2+ als goed voor zwart. Computerprogramma's hebben twijfels bij zowel de eindevaluatie als de individuele zetten van de variant om eventjes te duiden dat we wel degelijk mogen spreken van een kritieke stelling. Echter mijn tegenstander (nochtans 400 punten minder dan mijzelf) kwakte al snel het eveneens interessante 14.La4 op het bord met een heel nieuwe set van complicaties. Dit soort verrassingen gebeurde in de partij nog vele malen waardoor ik in hevige tijdnood kwam en hierdoor een hele resem moeilijke zetten moest spelen grotendeels op intuïtie. Ik mag terecht van geluk spreken dat ik zonder kleerscheuren die tijdnood overleefde want het gaat uiteraard vaker fout dan goed. Met bovenstaand voorbeeldje wil ik aantonen dat het onmogelijk is te weten op voorhand, hoe vaak kritieke stellingen zullen voordoen in een partij. Wel mogen we veronderstellen dat het aantal kritieke stellingen afhangt van de rating van de speler. Het gros van de fouten is te wijten aan het verkeerd beoordelen van kritieke stellingen dus hoe lager de rating, hoe meer fouten en hoe meer kritieke stellingen in een partij zullen verschijnen. Vandaar mijn 2de bezwaar om minder ervaren spelers te laten denken zoals grootmeesters. Grootmeesters kunnen het zich veel makkelijker permitteren om lang na te denken over kritieke zetten omdat er gemiddeld veel minder vaak voor hen zijn t.o.v. de minder ervaren spelers.

Vele spelers leren vandaag over het concept 'kritieke zetten'. Ze worden een denkmethode aangeleerd om extra veel tijd te spenderen aan kritieke zetten om zo betere resultaten te behalen. Spijtig krijgt men vaak het omgekeerde effect. Net omdat het erg moeilijk of onmogelijk is om kritieke zetten te herkennen, gaat kostbare tijd verloren in het zoeken van iets dat er vaak niet is. Ook wordt onvoldoende of zelfs geen aandacht geschonken over wat nog een redelijke termijn is om na te denken in een kritieke stelling. Een extreem voorbeeldje hiervan werd toevallig gepubliceerd gisteren op Schaakfabriek.  Een speler in de expertengroep: Kim Le Quang had enkele jaren geleden eens meer dan 2 uur nagedacht over 1 zet en dat op een Belgisch kampioenschap.

Uiteindelijk krijgen we per partij x aantal minuten voor y aantal zetten. Als we voor kritieke zetten meer tijd spenderen dan moeten we dit compenseren en daar loopt het vaak mis. De winst aan zetkwaliteit neemt exponentieel af met de gespendeerde tijd dus is het belangrijk om de juiste tijdsverdeling te vinden volgens eigen capaciteiten tussen kritieke zetten en de resterende zetten. Die optimale tijdsverdeling is niet hetzelfde voor grootmeesters en minder ervaren spelers. Voor minder ervaren spelers is de correcte kloof in tijdsverbruik tussen kritieke zetten en resterende zetten vele malen kleiner dan bij grootmeesters. Als we dan spelers aanleren met voorbeelden uit de grootmeesterpraktijk om zoals grootmeesters te denken dan doen we eigenlijk meer slecht dan goed. Vaak worden hierdoor de fundamenten gelegd voor een levenslang gevecht met tijdnoden die vele punten kosten. Ik ben akkoord dat trainers benadrukken dat spelers moeten nadenken vooraleer een zet te spelen. Echter ik ben ervan overtuigd dat het veel verstandiger is om  als trainer een denkmethode aan te leren gebaseerd op een gelijkmatige spreiding van de bedenktijd dan te werken met sterk variërende bedenktijden per zet.

Brabo

Oplossingen:
Stelling 1: Brabo - Behr 2006 Franse interclubs Ik koos voor het zwakke Tad1 waarna ik slechter kwam te staan. Met 18.Lxe7!! had ik een voordeel kunnen verkrijgen want na 18...Td7 heeft wit het verrassende 19.Lc5!!

Stelling 2: Claesen - Brabo 2006 Open Leuven Ik koos voor het zwakke Dg4 waarna ik erg slecht kwam te staan. Ik keek even na 31...Txf2!! maar voelde niet aan dat het werkte, zie 32. Lxf2 Txf2 33.Kxf2 (Op 33.h4 kan bv. e3 met winst) Dxh2+ 34.Ke3 Dxg3+ 35.Kxe4 d5+ 36.cxd5 Lf5+ 37.Kxf5 Dg6#

Stelling 3: Ghyselen - Brabo 2010 Open Gent Ik koos niets vermoedend voor de standaardzet 16...Ld5 met comfortabel gelijk spel terwijl 16...Lxg2 groot voordeel voor zwart had opgeleverd. Op terugslaan volgt uiteraard Dc6+ terwijl op Lxe6 wit zelfs een stuk verliest wegens Dxe6 met aanval op het paard.

Stelling 4: Guezzenec - Brabo 2003 Open Plancoet Ook hier koos ik voor de veilige zet 18...Pf6 terwijl het stukoffer 18...fxg3 compleet winnend was want na 19.hxg4 volgt 19...gxf2+ 20.Txf2 Lh2+ 21.Kf1 Txf2+ 22.Kxf2 Lg4 en op de dreigingen Tf8+ en Dg3+ bestaat geen goede verdediging meer.

dinsdag 2 juli 2013

De sterktelijst

In mijn vorig blogartikeltje gaf ik reeds aan dat ik heel veel tijd spendeerde tijdens het voorbije interclubseizoen aan de 11 wedstrijden. Ik sprak van meer dan 150 uren. Stel we nemen gemiddeld 5 uren spelen/ partij en 20 uren aan de +1500 km verplaatsingen dan blijft er nog meer dan 75 uren over om de 11 partijen voor te bereiden. Dat is heel veel dus is het logisch om ons de vraag te stellen of zulke voorbereidingen wel renderen in de interclub? Of nog sterker, kan je met een voorbereiding een beslissend voordeel verwerven t.o.v. de tegenstander in de interclub?

In 1996 had ik mijn eerste officiële rating waardoor ik voor de meeste tegenstanders in die beginjaren een onbeschreven blad was. Serieuze voorbereidingen van mijn tegenstanders op mijn repertoire waren dus onmogelijk maar omdat ik toen speelde in 5de, 4de en 3de afdeling was er evenmin veel materiaal te vinden over mijn tegenstanders. Wat ik bedoel met een serieuze voorbereiding, kan je lezen in mijn blogartikel: de partijvoorbereiding. Een enkele keer in 1997 had ik wel wat meer informatie over een tegenstander daar ik dankzij het  vergane? Westhoekcriterium een redelijk goed beeld had gekregen over wat mijn tegenstander normaal speelt.

Een recenter voorbeeld van een zeer geslaagde partijvoorbereiding is mijn partij tegen Arben Dardha, gespeeld in 2010. Arben is een gevaarlijke tactische speler en kiest daarom graag openingen die scherp zijn maar vaak zijn die ook dubieus. Met dit soort dubieuze openingen heb je meestal wel de 1ste keer een goede partij maar 2 keer dezelfde dubieuze opening spelen en dat tegen dezelfde tegenstander is vragen om moeilijkheden. Achteraf gaf Dardha aan dat hij vergeten was dat hij die opening al eens had gespeeld tegen mij. Ik vind zoiets vreemd want zelf onthoud ik vaak zelfs openingen gespeeld in blitzpartijtjes zie mijn blogartikel: aljechin met g5. Anderzijds vermeldde ik eerder een gelijkaardig voorval van Martijn Dambacher die onze onderlinge partij vergeten was, zie mijn blogartikel: de onzin van blitz.

De 2 partijtjes tonen dus duidelijk aan dat een partijvoorbereiding in de interclub inderdaad beslissend kan zijn. Echter vooraleer iedereen denkt dat ik het gros van mijn interclubpartijen zo win, moet ik onmiddellijk erbij vermelden dat dit tevens de enige 2 partijtjes zijn, waar de partijvoorbereiding beslissend was. Bovendien als ik aangeef dat ik sinds 1996 al 169 Belgische interclubpartijen gespeeld heb dan moeten we toegeven dat het een zeldzaamheid is dat partijen op deze wijze kunnen worden beslist (tenminste op mijn bescheiden niveau).

Desondanks krijg je al snel een stevige reputatie met die enkele partijtjes. Ik herinner mij heel wat spelers die in het verleden erg ver gingen om zelfs elke vorm van openingskennis te vermijden. Zo kreeg ik al 1.a3, 1.b3, 1.c3, 1.d3, 1.e3, 1.g3, 1.Ph3,... voorgeschoteld waarmee men wisselende resultaten behaalde. Persoonlijk vind ik dit een overdreven reactie want zelf vind ik mijn openingskennis gebrekkig wat o.a. nog werd aangetoond in mijn blogartikeltje een uitgebreid zwartrepertoire. Anderzijds een geslaagde opening mag dan uiterst zelden doorslaggevend zijn op het eindresultaat, er is wel een zekere beïnvloeding. In mijn blogartikel schaakopeningen studeren gaf ik aan dat het verschil tussen een goede en mindere opening gemiddeld 80 TPR kon zijn dus niet verwaarloosbaar.

Desalniettemin mogen we stellen dat de overgrote meerderheid van de spelers in de interclub elkaar niet kennen en dus aangewezen zijn om te vertrouwen wat er in de database vermeld staat. Hoe meer partijen vermeld staan, hoe beter men een beeld kan krijgen van zijn tegenstander. Niet verwonderlijk hangt het aantal erg af van de rating, zie onderstaande tabel die de aantallen weergeeft voor de Belgische top 100 (gebaseerd op Belgische elo 1 januari 2013).
  • 2500-2600 spelers: gemiddeld 986 partijen in de 365Chess.com database
  • 2400-2500 spelers: gemiddeld 386 partijen in de 365Chess.com database
  • 2300-2400 spelers: gemiddeld 220 partijen in de 365Chess.com database
  • 2200-2300 spelers: gemiddeld 113 partijen in de 365Chess.com database
We zien een duidelijke groei in aantal partijen t.o.v. een hogere rating waarvoor ik 3 verklaringen zie.
  1. Partijen van spelers met hogere ratings zijn gemiddeld kwalitatief beter dus interessanter voor het brede publiek om te bewaren.
  2. Om een hogere rating te bereiken, moet men gemiddeld meer partijen spelen. 
  3. Spelers met een hogere rating spelen vaker extern (bv. open tornooien) om zo interessantere tegenstanders te krijgen waardoor hun partijen sneller opgemerkt worden dan spelers met lagere ratings die voornamelijk intern (bv. lokaal clubkampioenschap) spelen.
De sample 2500-2600 spelers is klein wat een verklaring zou kunnen zijn voor de plotse explosieve aangroei van aantal partijen. Echter m.i. ligt de echte reden bij het feit dat 4 van de 5 spelers schaakprofessionals zijn. Meer spelen betekent meer inkomsten wat niet geldt voor een amateur.

Spelers zijn veelal erg goed op de hoogte van wat over zichzelf kan worden teruggevonden in de databases. Dit is niet puur uit narcisme maar vooral om beter te kunnen inschatten hoe uitgebreid de voorbereiding van een tegenstander zou kunnen zijn. Het spreekt voor zich dat spelers zich dan ook realiseren dat meer partijen in de database,  grotere risico's betekenen om de opening goed door te komen. Om dit risico te beperken, wordt gevarieerd in het repertoire. Het is dan ook geen toeval dat hoe hoger de rating en gemiddeld hoe meer partijen in de database dat er ook gemiddeld meer gevarieerd wordt. Onderstaande tabel geeft weer hoeveel verschillende openingszetten worden gespeeld met wit waarvan minstens 10 partijen terug te vinden zijn op de online 365Chess.com database.
Als we de spelers weglaten met 0 omwille van te weinig partijen dan kunnen we volgende gemiddelden berekenen per elogroep:
  • 2500-2600 spelers: gemiddeld 3,4 openingszetten met wit die minstens 10 keer zijn gespeeld.
  • 2400-2500 spelers: gemiddeld 2,4 openingszetten met wit die minstens 10 keer zijn gespeeld.
  • 2300-2400 spelers: gemiddeld 1,5 openingszetten met wit die minstens 10 keer zijn gespeeld.
  • 2200-2300 spelers: gemiddeld 1,2 openingszetten met wit die minstens 10 keer zijn gespeeld.
Van de 2200-2300 spelers staan relatief weinig partijen registreerd in de online 365Chess.com database waardoor het gemiddelde onnauwkeurig is maar desondanks zien we toch een duidelijke trend. Ik heb de oefening niet gemaakt voor zet 2, 3, enz maar ik ben er zeker van dat we opnieuw een grotere variëteit zullen zien bij de hogere ratings dan bij de lagere ratings. Om de impact hiervan te tonen, maak ik een hypothetische oefening waarbij iedere speler op 3 zetten varieert met dezelfde frequentie als voor de eerste witte zet:
  • 2500-2600 spelers: gemiddeld 3,4 x 3,4 x 3,4 = 39 varianten
  • 2400-2500 spelers: gemiddeld 2,4 x 2,4 x 2,4 = 14 varianten
  • 2300-2400 spelers: gemiddeld 1,5 x 1,5 x 1,5 = 3 varianten
  • 2200-2300 spelers: gemiddeld 1,2 x 1,2 x 1,2 = 2 varianten
Als we veronderstellen dat elk variant x minuten vergt om te bestuderen dan is het snel duidelijk dat je veel meer tijd nodig hebt om een grondige voorbereiding te maken voor een 2500-2600 speler in vergelijking met 2200-2300 speler. Dit verklaart ook waarom ik dit jaar zoveel extra uren spendeerde aan de partijvoorbereiding in vergelijking met vorig jaar. In onderstaand tabel toon ik het verschil tussen mijn recente ervaringen in 1ste afdeling en mijn eerdere ervaringen in 2de afdeling (enkel de 3 voorgaande seizoenen).

Concreet betekent dit als we veronderstellen een kwartier per variant dat je gemiddeld een half uurtje nodig hebt om voor te bereiden op een tegenstander in 2de afdeling en 2,5 uren gemiddeld op een tegenstander in 1ste afdeling. Hierbij hou ik geen rekening met de kwaliteit van de openingen die afhangt van de sterkte van de tegenstanders. Zo kwam ik in 1ste afdeling slechts 36% van de partijen goed uit de opening t.o.v. 67% van de partijen in 2de afdeling !

Uiteindelijk komen we met deze voorbereidingstijden terecht bij het kernonderwerp van dit artikeltje: de sterktelijst. In de Belgische interclub worden sterktelijsten ingediend per club die de volgorde bepalen hoe de spelers moeten worden opgesteld. Het staat de clubs volledig vrij om zelf te bepalen hoe lang hun sterktelijst is zolang het minimum aantal plaatsen ingevuld is. Deze vrijheid laat clubs toe om makkelijk vervangingen te vinden om toevallige afwezigen op te vangen. Echter deze vrijheid wordt door bepaalde grotere clubs vaak misbruikt. Deze grotere clubs gebruiken nauwelijks vaste spelers maar men werkt dankzij erg lange sterktelijsten met een roterende spelersgroep. Een extreem voorbeeld van zulke strategie kan je bv. lezen in mijn blogartikeltje hollandse stappen in de engelse opening waar ik aangaf dat mijn tegenstander FM Marcus Balduan slechts als nummer 55 op de sterktelijst staat.

In 1ste afdeling startte ik meestal met het opzoekwerk op vrijdag waarbij ik o.a. bepaalde welke varianten ik in detail zou bekijken van een aantal potentiële tegenstanders (maximum 5). Op zaterdag onderzocht ik dan die varianten stuk voor stuk en op zondag rondde ik af met nog eens alles te herhalen. Ik heb het niet  bijgehouden hoeveel uren ik zo bezig ben geweest met voorbereiden maar het zal zeker + 7 uren geweest zijn per ronde. Ik vermoed dat ik hiermee koploper ben betreffende voorbereiden in de Belgische interclub maar dit is moeilijk te staven daar praten over voorbereidingen nog grotendeels in België een taboe is. Als amateur staat het niet netjes om te winnen dankzij een voorbereiding dus de meeste spelers gaan dan ook liever dit onderwerp uit de weg.

Al deze noeste arbeid ten spijt maar het voorbije seizoen in 1ste afdeling ben ik er welgeteld 0 keer in geslaagd om met de voorbereiding te kunnen raden wat er op het bord zou kunnen komen. Tja daar mag je inderdaad eens mee lachen maar ik hoop als laatste te kunnen lachen wanneer ik de nieuwe kennis in de toekomst zal kunnen gebruiken. Behalve lachwekkend is 0/11 erg verwonderlijk. De ellenlange sterktelijsten zijn uiteraard de boosdoener die ervoor zorgen dat je ofwel moet kiezen tussen oppervlakkig voorbereiden op vele tegenstanders ofwel de voorbereiding beperken in aantal tegenstanders maar dan heb je het risico om verrast te worden aan het bord met een tegenstander waarop je niet hebt voorbereid (zie bv. met een kanon op een mug schieten). Ik gebruik het woordje boosdoener omdat ik persoonlijk vind dat een speler geen voordeel/ nadeel mag ondervinden van ellenlange sterktelijsten. Uiteraard zijn er verschillen tussen spelers maar het lijkt mij incorrect dat voorbereiden voor het ene team wel mogelijk is en het andere niet puur omwille van de gekozen reglementen.

Tijdens de bav van 1 juni 2013 vertelde Ruben Decrop dat roteren van spelers met lange sterktelijsten ook gebeurt in lagere afdelingen wat correct is maar er bestaat een groot verschil in schaal en impact. Ondanks een veel uitgebreidere voorbereiding in 1ste afdeling t.o.v. 2de afdeling, zag ik het aantal verrassingen (tegenstanders waarop ik niet was voorbereid) stijgen van gemiddeld 2,67 per seizoen in 2de afdeling naar 4 in 1st afdeling voor het voorbije seizoen. Als ik ook de gemiste details door het oppervlakkig voorbereiden meereken dan kom ik zelfs tot 7 partijen. Naast het aantal verrassingen is ook de impact veel groter want voorbereiden hangt sterk af van de rating zoals ik overvloedig eerder in dit artikeltje heb aangetoond. Op schaakfabriek gaf Tom (Piceu?) ook nog op dat de tegenstanders zich beter voorbereiden in 1ste afdeling maar dat vind ik een minder relevant argument. Of een speler zich voorbereidt of niet, is iets persoonlijks en heeft nauwelijks iets te maken met de afdeling.

Als we akkoord zijn dat voorbereidingen een invloed hebben op de resultaten dan mogen we besluiten dat de ellenlange sterktelijsten voornamelijk in 1ste afdeling voor ongelijkheden zorgen. Ik vermoed dat er weinig benadeelde spelers dit correct vinden dus hoogtijd om eens te kijken wat we er aan kunnen doen. Ik verwacht niet dat de profclubs zomaar iets zullen aanpassen dus blijft er niet veel anders over om een aangepast reglement voor 1ste afdeling te kiezen en te verkopen in een A.V. Er bestaan heel wat mogelijkheden om deze ongelijkheid te bestrijden:
  • Een maximum aantal spelers bepalen per ploeg
  • 8 basisspelers bepalen die een minimum % partijen spelen (samen en/of afzonderlijk)
  • Extra lidgeld vragen voor GM's en IM's bij een sterkelijst die langer is dan x aantal personen
  • Vrije bordvolgorde (met of zonder een elogrens als beperking)
  • Ploegopstellingen vroeger vrijgeven
Dit zijn een aantal voorstellen die ik gehoord heb of in bepaalde buurlanden al worden toegepast. Dit betekent dus niet dat ik ze allemaal geïmplementeerd wil zien. Het lijkt mij wel een goede basis om de discussie tussen de prof- en amateursclubs te openen om te zien waar eventueel een consensus kan worden gevonden. In elk geval dit lijkt mij een gezondere strategie dan puur iets op de A.V. te gooien en dan door iedereen te laten (weg-)stemmen. Ik zal eens vragen aan Jan Rooze of hij het ziet zitten om zulk discussieplatform te creëren want dit soort initiatief wordt best georkestreerd via de bond.

Brabo