vrijdag 12 oktober 2018

Vals nieuws

Het verspreiden van vals nieuws is van alle tijden maar het is pas dankzij Trump dat het probleem door de media als een prioriteit wordt beschouwd. De zogenaamde kwaliteitsvolle media geeft schoorvoetend toe dat ze vandaag grotendeels falen in het verstrekken van correcte informatie aan het brede publiek. Voor velen zijn sociale media hun enige nieuwsbron die kwalitatief vaak een zeer bedenkelijk niveau haalt. Daarnaast zien we dat ook bij de grote productie-huizen er veel verkeerd loopt. Het oude financiële model staat onder druk door de steeds kleiner wordende inkomsten. Werknemers worden ontslagen waardoor de rest natuurlijk meer en sneller artikels moet publiceren. Controles op feiten/ de waarheid worden door kostenbesparing fel verminderd of zelfs achterwege gelaten. Artikels die financieel interessanter zijn, krijgen voorrang op inhoud.

Desalniettemin maakt de Belg zich geen zorgen hierover zie dit artikel op hln. Trump is voor de meesten een ver van mijn bed show en men ziet geen graten in de lokale berichtgeving. Kortom vals nieuws wordt hier nog steeds vooral bekeken als iets uitzonderlijk en als het dan toch eens voorkomt dan zal het wel makkelijk te detecteren zijn. Enkel naïevelingen worden slachtoffer. Echter daar ben ik het niet eens mee. Je hoeft echt geen domoor te zijn om misleid te kunnen worden. Trouwens iemand die de actualiteit op de voet volgt, zal al lang opgemerkt hebben dat we ook thuis in hetzelfde bedje ziek zijn.

Het meest recente voorbeeld van een paar dagen geleden is natuurlijk vrt kreeg ook geld voor programma's van de nieuwsdienst. Je kan onmogelijk van een vrije pers spreken wanneer nieuwsonderwerpen worden bepaald volgens wie het meeste betaalt. Dit is standaard in een dictatuur maar toch zeer bedroevend voor een zogenaamde democratie als België. Een paar jaar geleden hadden we een ander schandaal met Woestijnvis stuurt Vlaamse pers valse onderzoeken. De media publiceerden naar hartenlust de vaak smeuïge artikels zonder de minste controle of het waar was. De journalistieke deontologie vereist nochtans dat bronnen worden gecheckt op hun geloofwaardigheid maar dit blijft te vaak dode letter.

Net daarom vind ik het geregeld interessanter om de commentaren op artikels te lezen dan de artikels zelf. Niet zelden valt de auteur door de mand door een reactie van een lezer die meer afweet van het onderwerp dan de schrijver zelf. Ik denk bijvoorbeeld aan Ken je de Hanson-brothers nog die hebben nu een heel ander leven terwijl de reacties net het tegenovergestelde aantonen. Hier was duidelijk dat de auteur niet de minste moeite had gedaan om iets op te zoeken over zijn onderwerp. De eigen gedachten worden in een verhaaltje verpakt en zonder blikken of blozen aangeboden als feiten.

Er is niets mis op zich met een opinie neer te schrijven over iets maar dan wel gestaafd met feiten. Dit verplicht ik mezelf voor de blog. Hier kruipt heel veel tijd in. Alleen de statistieken die in mijn artikel de wetenschappelijke aanpak deel 2 staan, hebben mij al meer dan 10 uren werk gekost. Partijanalyses maken, referenties opzoeken,.... zijn allemaal tijdrovende activiteiten die een artikel inhoudelijk rijker maken. Nu ik heb natuurlijk een groot voordeel daar ik niet onder tijdsdruk sta. Het gebeurt geregeld dat ik een paar dagen extra neem om een artikel finaal te publiceren. Deze luxe heb ik met deze blog.

Desondanks zelfs zonder deze luxe mag tijdsgebrek geen excuus zijn. Vals nieuws is voor de betrokken personen onaangenaam en vaak ook schadelijk. Ik was dan ook verbouwereerd dat een toch wel een zeer integere persoon als Jan Gooris in een onderlinge communicatie erg lichtzinnig was over enkele foutjes in zijn artikels van Vlaanderen Schaakt Digitaal ontstaan door een gebrek aan checken van feiten. Bovendien ik heb het hier dan nog enkel over eenvoudige controles zoals snel even met bv. google je onderwerp op te zoeken. Data-mining, interviews afnemen,... laat ik dus buiten beschouwing.

Een recent voorbeeldje was bijvoorbeeld de persoonlijke interpretatie die Jan Gooris gaf op mijn partij tegen Sarah Dierckens die toevallig ook becommentarieerd staat op mijn blog zie de grote ontsnapping. Jan schrijft hierover dat Sarah heel veel moed toonde door onvervaard een zeer riskante opening zoals de Ponziani te spelen tegen een veel sterkere tegenstander. De werkelijkheid is totaal anders. Als Jan had gekeken in om het even welke gratis online database naar Sarah's partijen dan had hij opgemerkt dat de Ponziani al bijna 15 jaar op haar vast repertoire staat. Onderstaande is een partijtje van haar die dateert uit 2004.
Bovendien als je kijkt naar onze onderlinge partij dan zie je al heel snel dat ze helemaal nog geen kennis had van de 5...Lc5 variant. Moed had er dus helemaal niets mee te maken. Het is onwetendheid en conservatisme dat haar keuze voor de Ponziani verklaart. Ik zie trouwens dat ze ondertussen heeft begrepen dat het tijd is om te variëren want in de Open van Charleroi opende Sarah voor het eerst met Pf3.

Ik heb het al eerder aangehaald in mijn artikel partijen becommentariëren dat je jezelf op glad ijs begeeft wanneer je andermans partijen becommentarieert. Zeker bij het verslaan van toptornooien is het verstandig om geen uitspraken te doen over stellingen die niet door een computerevaluatie kunnen ondersteund worden. Dat mocht laatst zelfs Peter Doggers ondervinden toen hij claimde dat Le2 in de Najdorf niets is voor wit. Al snel werd hem erop attent gemaakt dat bijna de hele wereldtop Le2 recent nog heeft gespeeld. Het noodzaakte hem om zijn statement achteraf af te zwakken tot het nietszeggende dat geen enkele lijn tegen de Najdorf voordeel garandeert zie dortmund r4 kramnik shows duda whos the boss. In elk geval kan ik uit ervaring meedelen dat het zeker geen eenvoudige opening is om een remise met zwart af te dwingen. Mijn meest recente standaard-partij in die opening was een zeer ingewikkeld gevecht met kansen voor beide kleuren.
Professionele verslaggevers met vele jaren ervaring op de teller zijn dus niet feilloos. Niet verwonderlijk slaan lesgevers ook af en toe de bal mis. Zo kwam mijn zoon een paar maanden geleden naar huis met het fabeltje dat Komodo de sterkste engine is voor het eindspel. Ik weet niet met welke schaakprogramma's die lesgever al heeft gewerkt maar ik betwijfel ten zeerste of de meest recente versie van Stockfish vandaag inferieur is aan Komodo in het eindspel. Ik heb al eerder geschreven over de suprematie van Stockfish (zie o.a. minachting). Als je de partijen van de meest recente superfinale naspeelt dan valt je direct op hoe sterk Stockfish wel is in het eindspel. Onderstaande partij kan als bewijs zeker tellen. Komodo geeft +5 in het eindspel maar Stockfish geeft geen krimp.


Bovenstaande voorbeelden van vals nieuws in het schaken zijn natuurlijk vrij onschuldig. Het is niet opzettelijk en ik vermoed dat er behalve enige irritatie weinig schade is. Daarentegen toont het wel aan dat vals nieuws overal terug te vinden is. Ik heb daarom altijd mijn kinderen aangemoedigd om vragen durven te stellen. Geloof niet zomaar wat men zegt, mezelf incluis.

Brabo

vrijdag 5 oktober 2018

Afscheid

Ronny De Cock (2 december 1961 - 30 september 2018)
Een lang leven wordt algemeen beschouwd als een ideaal waarnaar we allemaal moeten streven. Echter niemand vertelt hierbij dat dit gepaard gaat met talloze malen vaak pijnlijk afscheidnemen. In meer dan 20 jaar competitieschaak zijn ondertussen al een lange lijst van spelers overleden waar ik ooit heb tegengespeeld. Luc Rogiers, Leo Boey, Jan Verslype, Phillipe Vanspeybroeck, Albert Vandezande, Jos Mollekens, Werner Vanden Brande, Tanguy Ragheno, Aloyzas Kveinys, Rene Beniest, Willem Hajenius,... zijn allemaal ooit 1 of meerdere keren mijn tegenstander geweest in een standaardpartij.

Elk van hen verdient zeker een memoriam maar dan zou deze blog wel heel donker worden. Bovendien is het ook zo dat ik meestal weinig of niets persoonlijks weet van schakers dan wat er al allemaal vrij beschikbaar is op het internet. De meesten zijn geen grote vertellers en zelf ben ik ook al lang geen grote tooghanger meer om uren te luisteren naar verhalen. Ik vind het soms wel jammer dat het schaken slechts beperkt is tot het schaakbord. Het is trouwens ook 1 van de belangrijkste redenen om dit jaar toch nog weer eens het klubkampioenschap mee te spelen in Deurne. De partijen worden vrijdagavond afgewerkt waardoor ik minder haast hoef te hebben om naar huis te gaan. Na de partijen is er gelegenheid om in de gezellige bar nog samen met een drankje een praatje te slaan met andere spelers.

Vrijdaglaatst speelde ik de eerste ronde tegen Ronny De Cock. De apres-schaak liep wat stroef door een pensioneringsfeestje voor een politie-agente die tezelfdertijd in het lokaal plaatsvond. Voor de schakers was er geen prive-ruimte maar dit weerhield ons niet om toch een paar drankjes te nuttigen samen met de vele politie-agenten in burger. Uiteraard was het eerste gespreksonderwerp de verhoging van de pensioenleeftijd. Vervolgens kwamen niet verwonderlijk ook enkele verhalen naar buiten over de politie. Zo wist Ronny ons te vertellen dat hij ooit door 2 politie-agenten die op dat moment aanwezig in het lokaal waren, was meegenomen naar het politiebureau. Hij verraste mij door te bekennen dat hij jaren lid is geweest van een motorclub waarmee hij heel wat heeft beleefd. Dit scherp kantje kende ik van Ronny niet maar zo begreep ik wel beter waarom hij geen risico's schuwde in het schaken. Het koningsgambiet was voor Ronny bijgevolg een geliefkoosd wapen die ook die vrijdag op het bord kwam.

Lang bleef ik uiteindelijk niet hangen in de club want andere spelers waren zelfs nog steeds bezig met hun partij toen ik huiswaarts keerde. Het politie-feestje vond ik nogal storend en dus konden we beter wachten tot zondag om onze babbel verder te zetten. Echter zondag bleef Ronny's bord leeg in de interclub. Pas de volgende dag kwam ik te weten dat Ronny overleden was. Zulke onvoorstelbare dramatische wending kon ik niet geloven. Het valt gewoon niet te accepteren want een paar dagen eerder was nog alles goed.

4 keer hebben we in klubkampioenschappen van Deurne elkaar partij gegeven. Geen enkele partij was makkelijk en 1 keer zorgde hij bijna voor een stunt door al heel vroeg in de partij mij in de problemen te brengen. Ter nagedachtenis geef ik deze partij met commentaar.

Ronny vertelde mij ook af en toe dat hij mijn blog las. Ik las in het meest recente nummer van Vlaanderen Schaakt Digitaal een oproep om spelers eens in de bloemetjes te zetten (zie pagina 2 van editie 2018-17). De auteur heeft misschien ook mijn artikel Jubileum gelezen. Ronny heeft deze kans niet meer gekregen maar dit artikel kan ik wel nog aan hem toekennen.

Brabo

dinsdag 2 oktober 2018

2. Edgar(d) Colle

2. Edgar(d) Colle
(18 mei 1897, Gent - 19 april 1932, Gent)



Edgar of Edgard Colle? In Chess notes 8764 buigt Edward Winter zich over de vraag en stelt vast dat in Colle’s tijd, zowat alle bronnen Edgard vermelden. Er is ook een “Edgard Colle” handtekening van Colle zelf onder een foto, en op zijn graf staat eveneens Edgard. Het zijn pas recentere bronnen die Edgar zijn gaan gebruiken, maar waar de oorsprong hiervan ligt, blijft in het midden…

Edgard Colle werd al in 1917 kampioen van Gent en in de jaren daarna is hij vijf keer schaakkampioen van België geweest, naast zes titels als kampioen van de Belgische schaakbond. Al in 1922 won hij een NK-titel door een match van Koltanowski met 6-2 te winnen. Vanaf 1918 trainde hij in de CREB in Brussel met de lokale speler Max Nebel, die van meestersterkte was. In datzelfde Brussel kreeg hij in 1922 zijn vuurdoop tegen een speler van Europees niveau, maar dat viel sterk tegen: Znosko-Borovski won met 6-0, een score die Colle deels aan zijn eigen, voortvarende speelstijl te “danken” had. Maar hij stak veel van de match op en dat rendeerde snel.

Hij brak internationaal door in 1923, in het tornooi van Scheveningen, dat dus niet enkel bekend is gebleven van het “Scheveningen” concept (elke deelnemer van ploeg A speelt tegen elke deelnemer van ploeg B). Hij moest er enkel Euwe en Maroczy laten voorgaan, twee spelers waarmee hij nog vaak de degens zou kruisen. Het goede resultaat bevestigde zijn streven om beroepsspeler (naast schaakjournalist) te worden en in de jaren die volgden was hij heel actief: tussen 1922 en 1931 speelde hij in meer dan 50 tornooien, wat neerkomt op een gemiddelde van zo’n 5 tornooien per jaar. Jammer genoeg kreeg hij al vanaf 1924 problemen met zijn maag – problemen die hij waardig droeg, maar die uiteindelijk leidden tot een serie operaties, waarvan de laatste hem fataal zou worden.

In Hastings 1923/24 kon hij als enige de tornooiwinnaar Euwe verslaan. Met Euwe zou hij trouwens een goede vriendschapsband ontwikkelen, omdat hij voor zijn maagproblemen vaak naar specialisten in Amsterdam reisde en dan bij Euwe kon blijven overnachten. In Merano 1924 betaalde hij nog leergeld – hij werd (briljant) van het bord gezet door de oude meester Tarrasch, en eindigde laatste met Opocensky en Steiner – op zich nog geen schande, om met dit gezelschap de rode lantaarn te delen. Dat hij Europese top was, bewees hij in het WK voor amateurs in Parijs (het individuele tornooi dat bij de Olympische Spelen hoorde), waarin hij derde werd, achter de Letten Matisons en Apsenieks, maar voor Euwe.

In 1925 won hij een hard bevochten tweekamp van Koltanowski. Het werd een duidelijke 4-0 overwinning voor Colle, met drie remises. Het matchboek is nu een collectors’ item geworden. Hoewel Koltanowski later Colle als “zijn vriend” zou bestempelen, en de Colle-opening ter zijner ere trouw zou blijven, was er toch een sterke competitie tussen hen beiden. Volgens de legende gebeurde volgend incident bij een interland tussen België en Nederland; Koltanowski eiste het eerste bord op, vóór Colle, die hierover zeer ontstemd was. Colle zou toen naar Euwe gegaan zijn met het dreigement dat hij zijn beide benen ging breken mocht Koltanowski winnen. Het lijkt een broodje-aap verhaal, want als er één ding naar voor komt in de eulogieën, dan is het dat Colle één en al vriendelijkheid was, zowel naast als aan het bord. Euwe won trouwens zijn partij…

In 1926 was het raak: winst in Amsterdam, een klein maar sterk bezet tornooi. Het was zijn eerste internationale tornooiwinst, voor Tartakover, Euwe en Pannekoek. 1926 was trouwens zijn beste jaar, waarin hij ook zijn bekendste tornooi-overwinning boekte, in Merano. Hij won dat tornooi voor Esteban Canal, die in die periode ook zijn beste schaak toonde, Grünfeld, Spielmann, Yates, Tartakover en Kostic. Het jaar erop won hij het BCF-Congres in Scarborough, voor Fairhurst, Yates, Thomas, Wahltuch en Berger. Dat was iets wat hij in Scarborough 1930 herhaalde. In dat laatste tornooi hield hij Maroczy, Rubinstein, Ahues, Sultan Khan en Grünfeld achter zich. Deze overwinning moet misschien hoger ingeschat worden dan zijn winst in Merano vier jaar eerder. Hij eindigde ongeslagen met een vol punt voorsprong op een selectie van zeer goede Europese spelers. Tussendoor werd hij nog eerste in Hastings 1928-29, gelijk met Marshall en Takacs.

Was Colle wereldtop? Net niet. Was hij Europese top? Ja; zijn score tegen Euwe, Tartakover, Znosko-Borovsky (door die match in het begin van zijn carrière), Nimzowitsch, Bogoljubov, Aljechin en Vidmar was duidelijk negatief, maar tegen Yates, Thomas, Koltanowski en Grünfeld had hij een plusscore. Tegen Rubinstein, Maroczy en Reti was de score gelijk. Daarnaast won hij matchen van Koltanowski, Olland, Landau, Tackels en Van Hoorn. Ondanks zijn korte carrière is het duidelijk dat hij in zijn korte leven (hij overleed net voor zijn 35ste verjaardag op de operatie-tafel) zijn stempel heeft kunnen drukken op de West-Europese schaakwereld. Samen met Koltanowski zette hij België als schaakland op de kaart. Door zijn successen en zijn opening, toonde hij aan dat hij een origineel denker was, dat er ook “simpele” systemen bestonden om sterke tegenstanders te bestrijden, die in het bereik van iedereen lagen.

Onderstaande partij is één van de meest geanalyseerde partijen ooit, mede omdat Vukovic het offer Lxh7 in de partij in zijn boek “The Art of Attack in Chess” incorrect vond. Latere analyses wezen uit dat het speelbaar was, maar tegen de beste verdediging niet noodzakelijk tot winst leidde.
Wat is de impact geweest van Colle op het Belgisch schaakleven? Wie deze vraag stelt, moet eerst kijken naar zijn leven en zijn impact hierop “schalen”. Colle was een tijdgenoot van de grote spelers van de nieuwe, hypermoderne school, maar zat nog volop in de klassieke periode van de grote namen (Tarrasch, Spielmann, Lasker, Capablanca, Aljechin). Net voor hij overleed, gingen namen als Burn, Janowski, Reti, Gunsberg, Weenink en Noteboom heen. Net na Colle overleed ook Sandor Takacs, waarmee hij in Hastings 1928-29 het tornooi gewonnen had. Niet veel later wisselden Loman, Yates, Matisons veel te vroeg het tijdelijke met het eeuwige. Het verschil met bv Nederland – dat bv de nog jongere Noteboom verloor – was dat Colle zowat met Koltanowski de enige Belg was die op Europees niveau mee kon, terwijl in Nederland er diverse sterke namen naast Euwe opkwamen (Landau, Van den Bosch, …). Daarnaast hadden de Nederlanders al een eerste sterke generatie, met onder andere de broers Van Foreest.

Dus ja, het overlijden van Colle was een grote aderlating voor het Belgische schaken – en toen Koltanowski, met zijn ervaring uit WOI in het achterhoofd, ervoor zorgde dat hij wegkwam voor WOII uitbrak, ook België liet voor wat het was, bleef het “Belgisch Schaakbord” achter zonder zijn twee koningen.

Qua impact heeft Colle wel degelijk een grote stempel gedrukt op het Belgische schaakleven. In de eerste plaats door zijn tornooi-overwinningen, die het schaken op de voorgrond bracht. Maar ook door zijn opening (hij won ermee drie keer van de Engelse kampioen Thomas, die tevergeefs telkens een andere opstelling probeerde), die nog altijd veel aanhangers telt op clubniveau – en terecht. Het is misschien een “te simpele” opening voor +2300-spelers – laat ons zeggen, te ééndimensionaal, wits plan is nogal duidelijk: koningsaanval – maar voor de gewone liefhebber is dat net het voordeel. En een grote populariteit van je eigen opening op clubniveau is misschien onder het niveau van een Kasparov, maar voor een “kleine Belg” betekent het wel faam over de hele schaakwereld. Ik besluit met de woorden van Euwe: “De mensch Colle stelde den schaker Colle nog verre in de schaduw”. 

Bronnen :

HK5000

donderdag 27 september 2018

Symbolen

Een paar maanden geleden stond in Knack een artikel: feiten en mythes over yoga. Vooreerst werd aangegeven dat vandaag yoga een enorme booming business is. Steeds meer mensen beoefenen 1 of andere vorm van yoga. Ook bij andere gelijksoortige activiteiten zoals Tai Chi, mindfulness, meditatie,... zien we dezelfde exponentiële groei. Velen in onze Westerse wereld hebben nood aan onthaasten. Een terechte opmerking in het artikel is dan ook of we niet deze activiteiten uitoefenen enkel en alleen om onze hectische levensstijl te kunnen volhouden. Op lange termijn wordt het trouwens ook zeer twijfelachtig in hoeverre zoiets blijft renderen.

Het rendement staat bovendien sowieso nog steeds ter discussie. Er bestaat geen eenduidigheid over welke positieve effecten yoga en konsoorten op ons lichaam hebben. Jazeker er zijn mensen die ontegensprekelijk zich erdoor beter voelen maar bij anderen werd dan weer weinig of zelfs geen verbetering vastgesteld. Het verplichten op school, werk,... lijkt mij dan ook totaal ongepast. Laat ieder voor zichzelf uitmaken of ze er tijd aan willen spenderen.

Persoonlijk laat ik het allemaal aan mij voorbijgaan. Ik heb geen nood aan dit soort oefeningen om mezelf beter te voelen. Daarnaast geloof ik evenmin in alles dat te maken heeft met spiritualiteit. Dus karma die ik 2 artikels eerder aanhaalde, is voor mij klinkklare onzin. Mijn echtgenote waarschuwt mij dan steeds dat ik zal krijgen wat ik verwacht dus niets (elke Rus kent het boek De Meester en Margarita waarin een passage voorkomt waarbij een atheïst sterft onder een tram en de duivel hem doorverwijst naar het niets omdat hij in niets gelooft). Echter ik antwoord daarop dat als zij mij verwacht na de dood dat ik niets hoef te vrezen. Ik ben ondertussen 12 jaar getrouwd met mijn Russische echtgenote dus dan weet je hoe je met haar pappenheimers moet omgaan.

Daarentegen de hoefnagel die ik 4 jaren geleden als cadeau gekregen heb (zie mijn artikel de gelukzak) hangt bij ons nog altijd in de woonkamer. Nee ik geloof nog steeds niet in geluksbrengers. Ik vind het gewoon een leuk en mooi hebbedingetje. Je hoeft niet te geloven om bepaalde symbolen mooi te vinden. Hetzelfde geldt trouwens voor mij ook in het schaken. Soms staan de stukken zo gek dat ze een symbool vormen waar je toch even wilt bij stilstaan. Zoiets gebeurde in mijn laatste ronde van Open Gent maar tijdnood verhinderde om ervan te genieten tot na de partij uiteraard.
De 4 torens die een vierkant vormen, deed mij onmiddellijk denken aan een al even vreemd vierkant met 4 paarden die ik 20 jaar geleden in correspondentieschaak zelf op het bord maakte. Dat ik daarna de partij ook nog won tegen een +2500, maakt het nog iets specialer.
Terwijl dit al merkwaardige constructies zijn op het schaakbord, gaat het hek helemaal van de dam in compositieschaak. De volgende 3 problemen komen uit een boekje van 1907: The Twentieth Century Retractor, Chess Fantasies, Letter Problems aan de hand van de befaamde problemiste Edith Baird. Ik begin met een stelling in de vorm van een hart.
Wit geeft mat in 2
De volgende is een stelling in de vorm van een vier. De oplossing is niet veel soeps wat wel vaker gebeurt bij dit soort problemen.
Wit geeft mat in 2
De initiaal van mijn voornaam en zoon mag uiteraard ook niet ontbreken.
Wit geeft mat in 2 maar ook zwart geeft mat in 2
Tenslotte wordt het nog leuker wanneer er ook een verhaal gekoppeld is aan de stelling zoals bij de laatste opgave.

Een schaker had uit noodzaak zijn ziel op het spel gezet bij de duivel. Als hij won van de duivel in het schaken dan was hij opnieuw een vrij man. Anders zou hij aan de duivel voor eeuwig toebehoren. Langzaam kwam de duivel gewonnen te staan. Uiteindelijk kon hij mat in 7 aankondigen. Echter net op het moment dat de duivel wilde de matzet uitvoeren, liet hij het stuk geschrokken vallen. Hij sprong recht en vluchtte de duisternis in. God had in extremis de arme schaker gered.

Om de duivel zijn lievelingskleur (dus zwart) te geven, heb ik de kleuren gewisseld van de opgave die ik vond op de blog dubbelschaak. Dit is op zich al een herwerking door de Nederlandse problemist Gerard Smits op het originele gepubliceerd in 1878 door de Fransman Charles Godfrey Gumpuel (die o.a. ook nog de half-automaat Mephisto bouwde).

Trouwens er bestaan ook nog varianten op dit verhaal met andere stellingen die een kruisteken vormen zie bv. sign of the cross chess problem 67214. Kortom in het probleemschaak smult men van de symbolen.

Gekke constructies of symbolen in het gewone schaken zijn veel zeldzamer. De prioriteit in een partij ligt natuurlijk helemaal ergens anders. Heb je toch toevallig al eens iets speciaals in een partij opgemerkt dan mag je het zeker laten weten in een reactie.

Brabo

Oplossingen

Opgave het hart: 1.Kd6 (tempozet)
1...Lc3 2.e3#
1...Le3 2.c3#
1...Lc1 2.c3#
1...Le1 2.e3#
1...Lxb4+ 2.Txb4#
1...Lxf4+ 2.Txf4#
1...c5 2.Td5#

Opgave cijfer 4: 1.Pe8, ? 2.Ld6#

Opgave letter H:
wit: 1.Pb6+, Kxe5 2.Tc5#
zwart: 1...Dxc6+ 2.Kd8 Lg5# of 2.Kb8 Db7#

donderdag 20 september 2018

Sneller deel 2

Een paar maanden geleden werd op de blog van LSV zich afgevraagd waarom bepaalde oubollige bondsreglementen vandaag nog steeds niet zijn aangepast aan de moderne tijd. Tenzij bij ramp en tegenspoed zien we dat grote veranderingen bijna nooit gebeuren. Het is meestal de oude garde die de touwtjes in handen heeft in de meeste besturen waardoor er logisch ook veel meer aversie bestaat tegen verandering.

Daarentegen is het ook zo dat niets constant blijft. Er zijn voortdurend kleine veranderingen welke veel minder weerstand ondervinden daar de meesten ze als onbeduidend vinden. Pas na soms een decennium zien we hoe dit gecumuleerd heeft tot een grote verschuiving. Ons schaakspel is definitief veranderd. Iedereen heeft zich aangepast op een paar enkelingen die zich afvragen of het nog de moeite is om verder te schaken.

In deel 1 schreef ik dat de Brugse meesters van 2006, het eerste grote Belgische tornooi was met het snelle standaard-tempo G90 + 30 seconden. Dit jaar dus 12 jaar later hebben de laatste grote Belgische tornooien ook dit tempo overgenomen. Zowel de Zilveren Toren, Open Gent als Open Leuven maken tezelfdertijd de overstap naar dit tempo. Er blijven dus op Belgische bodem geen grote tornooien meer over waar je volgens het oude tempo kunt spelen. Voor de meerderheid is dit een logische evolutie. Echter ik hoor ook her en der teleurstelling en zelfs verbittering door het wegvallen van de variatie/ keuze.

Aanvankelijk was ik zelf ook tegen het snellere tempo maar gaandeweg heb ik steeds meer de voordelen leren appreciëren. Het is gedaan met de enorme blunders door zetten te spelen met slechts seconden op de klok. Er is geen arbitrage meer nodig om te bepalen of iemand puur op tijd speelt. De partijen duren gemiddeld beduidend minder lang wat voor mijn drukke agenda zeker welgekomen is. Zelfs in de Open Gent viel het mij al op dat partijen met G90 + 30 seconden gemiddeld sneller gespeeld worden dan het oude G120 + 0 seconden. Tenslotte voor de spelers die graag hun partij achteraf analyseren, is het ook prettig om over de volledige notatie van de partij te beschikken. Je bent niet afhankelijk van een goed geheugen of live-borden. Mijn partij in ronde 5 tegen de tornooiwinnaar Elshan Moradiabadi was hiervan een goed voorbeeld. Al erg vroeg had ik minder dan 2 minuten resterend op de klok maar dankzij de increment slaagde ik erin om grote blunders te vermijden en de notatie te onderhouden.
Desondanks zijn er ook enkele nadelen. Door de increment weet je niet meer wanneer een partij ten laatste gedaan zal zijn. In theorie kan ze zelfs eeuwig blijven duren. 1 zeeslang (zeer lange partij) kan de planning van een tornooi helemaal in de war sturen. Dus voor organisatoren is het vervelend maar ook voor de deelnemers is het niet leuk. Spelers moeten langer wachten tussen ronden gespeeld op 1 speeldag en krijgen bovendien geen tijd om nog iets voor te bereiden. Ik zag trouwens op de Brugse meesters 2018 dat de tornooiwinnaar de Spaanse grootmeester Oleg Korneev van Russische afkomst dit trachtte te omzeilen door met opzet te laat te komen op een cruciale ronde om zo alsnog te kunnen voorbereiden. De Belgische internationaal arbiter Geert Bailleul zal het op de nakende Olympiad te Batumi, Georgie trachten te bespreken want in hoeverre kan dit als vals spelen worden beschouwd. In theorie consulteerde Oleg schaaksoftware tijdens de partij.

Net zoals in 2006 zijn vandaag de Brugse meesters opnieuw een pionier. Voor het eerst in België werd een mechanisme ingevoerd om komaf te maken met de enkele zeer lang-durende partijen. Na 4u40 minuten spelen kan de arbiter beslissen om de increment uit te schakelen en aan beide spelers een extra 5 minuten te geven zodat het tempo omschakelt naar een QPF (quick play finish). Op het eerste zicht een vreemde beslissing want we gaan hiermee terug naar de kommer en kwel van voorheen zonder increment maar als je het op afstand bekijkt dan best logisch. Met G90+ 30 seconden moet je al minstens 100 zetten gespeeld hebben om een partij 4u40 minuten te laten duren. Partijen van meer dan 100 zetten zijn zeer zeldzaam (ik heb in mijn persoonlijke database meer dan 800 standaardpartijen en slechts 2 gaan voorbij zet 100). M.i. weegt de winst voor het algemene comfort in een tornooi op tegen het zeer beperkte kwaliteitsverlies van die zeldzame partijen.

Desalniettemin waren er bij de toepassing van dit nieuwe mechanisme wel nog enkele kinderziekten. De omschakeling van increment naar QPF moest manueel gebeuren en kostte veel (te veel volgens sommigen) tijd. Ik vermoed na enkele keren dat de arbiter het steeds vlotter kon uitvoeren maar het blijft altijd een heel storende activiteit. Daarnaast was het ook evenmin duidelijk of de speelduur van een partij moest genomen worden vanaf het officiële of het werkelijke startuur. Zoals heel vaak in open tornooien wordt de 1ste ronde later aangevat dan het aangekondigde uur volgens het programma. Dit zorgde ervoor dat bijvoorbeeld in de eerste ronde-partij tussen de Belgische internationaal meester Steven Geirnaert en de Belgische FM Frederic Verduyn al op zet 87 beslist werd een omschakeling van increment naar QPF te maken.
De betrokken spelers waren er allerminst gelukkig mee. Er is duidelijk nog gewenning nodig maar misschien moet ook worden uitgekeken naar een optimalisatie van het mechanisme. Zo zou het veel beter zijn als de klok automatisch de omschakeling kan doen. Ik ken geen klokken die exact doen wat er nu manueel in de Brugse meesters gebeurt maar je kan het wel benaderen door te beslissen na x aantal gespeelde zetten de aanpassing te laten uitvoeren. x kan dan 60, 80 of 100 zetten zijn. Daarna krijgt iedere speler y = 5, 10, 15,... minuten bij zonder increment. Echter slechts een beperkt aantal type klokken kan dit en die zij niet wijd verspreid. Ik kan mij goed voorstellen dat je als organisator niet zo snel 100 van die klokken kunt aanschaffen want goedkoop is het allerminst.

Een minder zichtbaar nadeel van het snellere tempo die ik al in mijn artikel het notatieformulier aanhaalde, is de grotere oppervlakkigheid in onze partijen. De tijden waar men nog een half uur of meer kon nadenken op 1 zet om een diep plan te maken zijn definitief achter ons. Het is zelfmoord om dit vandaag nog te doen met het huidige tempo. Dit aspect leidt bovendien ook tot grote armoede in het eindspel. In mijn artikel praktische eindspelen sprak ik hier al over dat spelers bij increment enkel nog spelen op basis van instincten en minimale berekeningen. Echter in de voorbije zomermaanden zag ik tot mijn ontsteltenis dat de jeugd zelfs ontbreekt aan elementaire eindspelkennis. Ik kan nog enigszins begrijpen dat mijn 9 jarige zoon Hugo in onderstaand compleet gelijkstaand-eindspel zichzelf helemaal vernietigt want het zijn de allereerste einsdpelen waarmee hij in contact komt.
De zelf-vernietiging van de zeer beloftevolle jonge speler Enrico Follesa in onderstaande partij is al zorgwekkender. Dat het dame-eindspel niet optimaal wordt gespeeld, kan ik nog perfect begrijpen maar de vrijwillige afruil naar het compleet verloren pionneneindspel is dat niet. Ik heb trouwens op mijn blog dame eindspelen deel 2 al gewaarschuwd om zeer voorzichtig te zijn bij transformaties van dame- naar pionneneindspel. Als je niet zeker bent dan is het bijna steeds verstandiger om de dames op het bord te houden.
Tenslotte vind ik mijn onderlinge partij met mijn meest talentvolle leerling Sterre Dauw gespeeld in de laatste ronde van de voorbije Open Gent het meest schrijnende voorbeeld. Zonder aarzelen bood Sterre torenruil aan en gokte dat het pionneneindspel remise was. Nochtans ik zag onmiddellijk dat wit uitstekende winstkansen heeft met zijn 2 tegen 3 pionnen-eilandjes. Hij ontsnapte omdat ik met minder dan 2 minuten resterend op de klok mij niet meer kon verdiepen in de stelling want zo liet ik nog net een reddende truuk toe.
Kortom de jeugd gokt er op los in het eindspel. Vroeger kon je makkelijk een kwartier investeren in het eindspel en zo langzaam door ervaring een zekere eindspelkennis opbouwen. De increment is nefast hiervoor. Enkel door thuis vele uren je (eigen) eindspelen te analyseren, is het nog mogelijk maar wie doet dat (van de jeugd)? Ja ik wel maar in mijn laatste les keken al mijn leerlingen mij erg vreemd aan toen ik hen vertelde dat ik geregeld meerdere uren 1 eindspel analyseer.

Brabo

donderdag 13 september 2018

De wetenschappelijke aanpak deel 2

In mijn artikel jubileum heb ik een tipje van de sluier trachten op te tillen wat nodig is om een wereldtopper te kunnen worden. Dit soort informatie ligt niet zomaar ergens voor te rapen. Slechts met een doorgedreven onderzoek op het repertoire van de ex-wereldtopper Vladimir Epishin was het voor mij mogelijk te ontdekken hoe gigantisch groot zijn openingskennis is. Ik vatte het samen door het aantal gespeelde openingen van Vladimir te vergelijken met mezelf. Ongeveer 25x meer en bovendien ook nog vaak beter gekend door Vladimir was de verbluffende conclusie.

Nu zelf werk ik aan het schaken best ook vele uren. Een interessante vraag is dus hoe Vladimir erin slaagt om zulk gigantisch repertoire te onderhouden en onthouden. Wel het simpele antwoord is dat hij slechts een bepaald aantal openingen effectief speelt tijdens een periode en dus enkel die onderhoudt en onthoudt. Het was dus zeker niet zo dat ik alle 72 mogelijke posities ook effectief op het bord had kunnen krijgen in onze onderlinge partij. Echter enkel Vladimir weet welke er actief zijn. Zelf moet ik dus gissen waardoor ik slechts op veilig speel door alles te bekijken.

Alles bekijken was toen geen optie maar er zijn wel een aantal regels die je kunt volgen om de slaagkans van de voorbereiding te vergroten. Zo blijken 60% van de openingen die Vladimir ooit gespeeld heeft, eendagsvliegen te zijn. Ik kan mij goed voorstellen dat je als professional af en toe nood hebt aan een frisse positie en dus al eens een keertje wilt experimenteren. Het is daarbij ook nog mooi meegenomen dat de tegenstander verrast zal zijn.
Dus slechts 12 van de 72 openingsposities die ik moest bekijken, had Vladimir in meer dan 5 partijen op het bord gehad. Deze 12 krijgen dus automatisch een hogere prioriteit. Echter nog belangrijker is wanneer een opening laatst gespeeld is. Vladimir speelt geen enkele opening gedurende zijn hele loopbaan.
80% van de gespeelde openingen door Vladimir worden slechts 2,5 jaar gebruikt. Dat is dus een bijzonder korte periode die natuurlijk ook sterk beïnvloed wordt door de eendagsvliegen. Uiteindelijk zien we dat de levenscyclus van de openingen slechts in beperkte mate elkaar overlappen. Om dit beter te illustreren maakte ik per jaar een overzicht van deze overlappingen.
Logischerwijze zien we dat er veel minder overlappingen zijn in de eerste en laatste jaren. De piek ligt in 2008 met een overlapping van 17 verschillende openingscyclussen. Het gemiddelde ligt op 8,2 verschillende openingscyclussen. Kortom als je weet in de voorbereiding welke 8-10 openingen dit zijn dan kan je alle andere negeren.

De beste gok in het scenario van onvoldoende tijd is vanzelfsprekend te beginnen met de meest recent gespeelde openingen wat ik ook deed. Echter het is verkeerd om te denken dat je met het voorbereiden op de openingen gespeeld in de laatste 2,5 jaren een 80% succeskans hebt. Naast de levensduur van een opening, moet ook de frequentie van een opening in rekening worden gebracht.
Een (ex-) wereldtopper kiest dus in ongeveer 50% van zijn partijen voor zeer nieuwe openingen in zijn repertoire. Ik vermoed dat voorbereidingen zo uitgebreid zijn op dat niveau dat je bijna verplicht wordt om voortdurend jezelf opnieuw uit te vinden. Ook zien we dat je toch best tot 5 jaar terugkeert om een 80% slaagkans voor het gissen van Vladimir's opening te behalen. Het pareto-principe geldt hier ook zeker in het schaken. Tenslotte zien we dat Vladimir in ongeveer 1/10 partijen graag eens een oude liefde terug uit de stal haalt. Vladimir kent zonder twijfel ook het voordeel van oude wijn uit nieuwe zakken zie deel 1 en deel 2.

Vladimir maakt dus slim gebruik van alle mogelijkheden uit zijn openingsarsenaal. Het blijft veel studiewerk maar niet onoverkomelijk voor iemand die als professional schaakt. In elk geval staat zijn aanpak haaks tegenover hoe ik schaak. Het scoren is voor mij veel minder belangrijk. Ik geniet daarentegen veel meer van het historische aspect van de opening (wat volgens mij ook de belangrijkste reden is waarom chess960 nog altijd een zeer kleine aanhang heeft ondanks verwoede pogingen met o.a. zelfs het aantrekken van oud-wereldkampioen Garry Kasparov zie het lopende St. Louis-schaakfestival).

Dit betekent o.a. dat ik absoluut geen polygamist ben in het schaken. Ik ben een seriële monogamist want op een paar uitzonderingen na, speel ik geen meerdere openingen tezelfdertijd in een bepaalde positie. Dus in tegenstelling tot Epishin overlappen mijn openingscyclussen bijna nooit. Het gevolg is dat ik hierdoor vele jaren dezelfde openingen blijf spelen. Als ik dezelfde soort oefening maak op mijn eigen repertoire betreffende ouderdom van de openingen in de 5 laatste jaren dan wordt dit duidelijk zichtbaar.
Dus in tegenstelling tot Epishin zijn mijn oude partijen in de database (10 jaar en meer) wel veel vaker nog bruikbaar in de voorbereiding. Het is iets wat sommige tegenstanders die mij beter kennen, geregeld dankbaar van gebruik maken. Anderzijds toont de 30% nieuwe openingen aan dat ik mij niet zomaar naar de slachtbank laat leiden. Openingen die ik als dubieus beschouw, vliegen zonder pardon uit mijn repertoire.

Laatst kwam dit nog eens uitdrukkelijk tot uiting in een opening die ik op het bord kreeg tijdens Open Gent. Het betreft een vrij lange zonderlinge variant uit de Hollandse stonewall die ik een eerste maal op het bord kreeg in een correspondentiepartij. We moeten hierbij 20 jaar teruggaan in de tijd toen ik nog een studentenkamertje huurde op de Paardenmarkt te Antwerpen en net begon te werken (trouwens vandaag heb ik nog steeds dezelfde werkgever).

De partij staat vandaag ook in Ultracorr-x. Een bordpartij van mij met dezelfde opening die de gewone databases haalde, was mijn partij tegen Emmanuel Bricard toen nog een internationaal meester, vandaag grootmeester.
15 jaar later koos de Belgische FM Marc Lacrosse voor exact dezelfde lijn als Emmanuel. Misschien had Marc een verbetering klaar liggen wat niet zo moeilijk was. In elk geval week ik als eerste af met de verbetering en kreeg al heel snel een prettige stelling. Het zal karma zijn volgens sommigen want tegen Emmanuel gaf ik een halfje weg door remise voor te stellen in een gewonnen stelling. Deze keer gaf Marc mij een halfje terug door op te geven in een remise-stelling.
In deel 1 sprak ik over hoe ik als amateur met de wetenschappelijke aanpak erin slaag om strategisch rijkere openingen te spelen t.o.v. iemand die voortdurend varieert en dus die de meer creatieve toer kiest. Dit artikel bevestigt deze visie enigszins maar gaat een stap verder door het element tijd in beschouwing te nemen. Door dezelfde opening in meerdere decennia te spelen, krijg je ook een historische context. Noem mij een domme nostalgische speler maar ik geniet van een stukje geschiedenis schijven zelfs als dit soms punten kost.

Brabo

vrijdag 7 september 2018

1. Alberic O’Kelly de Galway

Vorige maand verscheen op deze blog het ophefmakend artikel over de grootste schaakbelg. Niet verwonderlijk kwamen er opmerkingen over de ranglijst. Echter wat ik vooral jammer vond aan het artikel was dat de spelers nauwelijks werden voorgesteld. Zelf ben ik zeker geïnteresseerd in onze Belgische schaakgeschiedenis. Bovendien zijn vele top-Belgen in de lijst voor mij bijna compleet onbekend. Ik ben dan ook verheugd dat HK5000 vandaag de uitdaging aangaat om ze 1 voor 1 in een artikel te bespreken. Ik weet niet of hij daarin zal slagen want zonder twijfel wordt het niet makkelijk om over bepaalde personen voldoende informatie te vinden. Ik begrijp dus heel goed waarom hij begint met de nummer 1. Zijn bedoeling is 1 persoon per maand te belichten. Ik wens hem veel succes en we zien wel waar we geraken.

Brabo


1. Alberic O’Kelly de Galway
https://www.schaaksite.nl/2012/10/01/de-o-is-van-alberic-okelly-de-galway/
In 1720 komt een Engelse kapitein naar Luik om zijn patent in de praktijk om te zetten: hij heeft een machine uitgevonden om water uit mijnen te pompen, aangedreven door stoom. Het wordt de eerste stoommachine op het vasteland van Europa – en hoeft het gezegd: een groot succes, want zoiets is net wat de eerste mijnen in deze eerste industriële revolutie nodig hebben. Zijn naam: John O’Kelly, afkomstig van het graafschap Galway in Ierland. Het is één van de voorouders van “onze” Alberic O’Kelly de Galway. Maar pas na Waterloo blijft een lijn van de O’Kelly’s in België; het is een genieofficier uit het leger van George III die dan in onze contreien blijft wonen.

De kleine Alberic O’Kelly kwam op de wereld in een gezin van zeven kinderen. Hij kreeg de titel graaf na de dood van zijn vader. Als student proefde hij van letteren en wijsbegeerte, maar dat ontstak geen vlam in zijn hart noch verstand - toen al brandde het schaakspel in hem. Zoals in elke aristocratische familie had hij leren schaken – als deel van zijn opvoeding. Hij werd al snel lid van L’Échiquier en vond in spelers als Paul Devos, Frits Van Seters en Paul Limbos sterke tegenstanders om zich aan op te trekken. De goede resultaten bleven elkaar opvolgen, ook dankzij vele lessen van en analysesessies met de grote Akiba Rubinstein.

Ze speelden tientallen partijen met elkaar, wat zijn speelsterkte en spelinzicht zeer ten goede kwam. Een min of meer “officiële” match eindigde in 3-1 winst voor O’Kelly. Ze experimenteerden onder andere met de Cordel-variant van het Spaans en de “Symmetrische Verdediging” (1.d4 d5 2.c4 c5), een opening die O’Kelly later nog wel eens durfde bovenhalen – ook in zijn cr-partijen. Een andere variant, die naar hem genoemd werd, was deze in het Nimzo-Indisch: 1.d4 Pf6 2.c4 e6 3.Pc3 Lb4 4.f3 c5 5.d5 b5, een interessant gambiet, dat gelijkenissen vertoont met de Benkö. Bij de Roeselaarse spelers is natuurlijk ook de O’Kelly-variant in het Siciliaans bekend (1.e4 c5 2.Pf3 a6), omdat clublid Marc Segaert dit graag boven haalde. Het is een goede variant voor zwart, zolang wit nalaat c4 met ruimtevoordeel te spelen.

In het kersttornooi 1934-35 van de Brusselse schaakkring (de latere CREB) eindige hij tweede. Het schaken was voor hem een tweede natuur en puur op talent selecteerde hij zich voor de ploeg die België vertegenwoordigde op de Olympiaden van Stockholm in 1937. Wanneer hij aan het daaropvolgende NK deelnam, werd hij meteen kampioen. Op dat moment besefte hij dat hij over een bovengemiddeld talent beschikte en begon echt aan zijn schaken te werken. Correspondentie werd al snel een deelaspect dat veel van zijn aandacht vergde. In 1942-43 en 1943-44 won hij het NK correspondentie van België. In 1944 won hij het tornooi van Raymond Soly (die zelf meespeelde) met 19/22 (!) – hij speelde gelijk tegen Van Lennep en verloor met 0-2 van Stefan (Spiro?) Plavchich, maar won zijn 9 overige mini-matchen met 2-0, een ware demonstratie. Vaver werd tweede op 4 punten achterstand, Van Lennep was derde met 14/22, Pavlchich vierde met 13/22.

Hij stak vanaf dan met kop en schouders boven de andere Belgische schakers uit en werd in totaal elf keren kampioen van België en vier keren kampioen van de Belgische schaakfederatie (daar werd in die tijd nog een verschil in gemaakt). In 1946 won hij Beverwijk (voor Stoltz en acht Nederlanders). Dat hij in Groningen “afgaat” zien we hierbij even door de vingers. Groningen 1946 was een toptornooi, dat door zowat iedereen gezien werd als de nieuwe maatstaf voor de schaakwereld na WOII. Het werd een genadeloze strijd, waarin de Russen met vijf toppers de strijd aangingen met de rest van de wereld. Dat O’Kelly met 5,5/19 wegkwam, is zeker geen schande, maar het moet gezegd worden dat zijn 0,5/10 tegen de eerste tien in de stand (remise tegen Najdorf), een teken aan de wand was dat West-Europese top nog geen wereldtop was. Hiermee was zijn veer niet gebroken, integendeel; hij won het zonale tornooi van Hilversum in 1947 (voor Pachman en Trifunovic).

Zo plaatste hij zich na WOII op de kaart als één van de betere Westerse spelers. Hierna won hij nog een tornooitje in Hilversum en daarna werd hij tweede in Venetië, achter Tartakover, en gelijk met Canal. Voor een volledig overzicht verwijs ik graag naar de site Belgian Chess History. Niettemin, door zijn volledige toewijding aan het schaken, kan hij beschouwd worden als de eerste West-Europese profspeler. O’Kelly stond in het circuit bekend als iemand met klasse, een uitzonderlijk man, met een voorliefde voor een goede sigaar en goede manieren. Later verzorgde hij de schaakrubriek in la libre Belgique, om daarna deze van Le Soir op zich te nemen, een taak die hij tot zijn dood bleef vervullen. O’Kelly trouwde met Louise Keyl (1913-2000), ze kregen een dochter en een zoon, Roguy, die vroeg en kinderloos overleed (1937-1982), waardoor deze tak van de familie O’Kelly uitstierf. Alberic O’Kelly nam ook acht keren deel aan de Olympiades met de Belgische ploeg. In Dubrovnik 1950 was hij bijzonder in vorm en helpt België aan een ongelofelijke – en nooit meer geëvenaarde – zesde plaats. O’Kelly zelf speelde een voorbeeldpartij met het Colle-systeem tegen Böök.

In 1956 werd hij IGM, in 1957 was hij scheidsrechter op de damesolympiade te Emmen. In 1962 verkreeg hij ook de IGM voor correspondentie. Hij sprak vloeiend vijf talen (Frans, Nederlands, Spaans, Russisch en Engels), zodat men hem aantrekt als tolk bij de wereldtentoonstelling van Brussel 1958. Zijn topperiode in correspondentie lag tussen 1955 en 1965. In 1959-1962 werd hij tweede in de zeer sterke Dyckhoff memorial (gewonnen door Lothar Schmidt). Hij werd de derde wereldkampioen-correspondentieschaak (1962-1965). In de Ragozin memorial werd hij tweede na Horst Rittner, die later de zesde WK cr is geworden (1971-1975).

In zijn boek 34x Schachlogik analyseerde hij zijn beste correspondentiepartijen. In 1966 en in 1969 was hij scheidsrechter op de WK-matchen tussen Petrosian en Spassky en in 1974 bij Karpov-Kortchnoi, die achteraf de nieuwe WK bleek aangeduid te hebben. Wanneer de elo-ratings begin jaren 70 opduiken, was hij dan al lang over zijn top als speler, maar hij kwam toch binnen de top 100 op de eerste elolijsten. In 1970 was hij scheidsrechter in het IZT van Palma de Mallorca. Het is Hübners eerste deelname aan dit niveau van de WK-cyclus (hij houdt zijn partij tegen Fischer nipt remise tegen een te snel spelende Fischer) en het valt hem op hoe scheidsrechter O’Kelly Fischer poeslief behandelt. Tijdens hun partij (in de eerste ronde) gaat O’Kelly zo ver dat hij spontaan Fischer (maar niet Hübner) voorstelt om broodjes en sinaasappelsap te komen brengen. Zijn partijdige gedrag gaat zo ver, dat de Amerikaan William Addison een petitie opstart om de positie van O’Kelly – die door zijn goede relaties met de schaaktop alle grote tornooien mag leiden – in vraag te stellen. O’Kelly wordt later inderdaad vervangen door een nieuwe generatie scheidsrechters. Addison ontgoochelde zichzelf in dit tornooi en keerde hierna het schaken de rug toe.

O’Kelly was in 1980 trainer van het Mexicaanse team dat zich voorbereidde op de olympiades van Malta, tot hij er plots ziek werd en in allerijl naar België terugvloog voor medische zorgen. Hij stierf even later aan de gevolgen van leukemie in een Brussels ziekenhuis. Hij weet de kwaal aan een behandeling met besmet bloed die hij ooit in Roemenië zou gekregen hebben. O’Kelly was auteur van vele boeken, schrijver van columns voor kranten en medewerker aan o.a. Europe Echecs. Hier verzorgde hij de combinatiepagina “Faites vous la main”, die na zijn dood door Sylvain Zinser zou voortgezet worden. De site van de ICCF vermeldt nog altijd zijn naam en met 2529 elo na 40 partijen is hij nog altijd tweede beste Belg in cr aller tijden (achter de inactieve Marc Geenen met 2620).

Een cr-partij zou niet mogen ontbreken in dit overzicht, maar ik wil toch even een verliespartij van O’Kelly aanhalen, die voor spelers van het Frans zeker op het analysebord moet staan: Spassky-O’Kelly, San Juan 1969, waarin een openingsvariant voorkomt, die nu de Fort Knox-variant heet (het is wat met die naamgeving van openingsvarianten – straks komen ze nog af met een pizza barbecue chicken variant). Ik moest aan die variant denken, omdat er eens een speler in onze club heilig geloofde in de voordelen van de variant, maar toen Brabo met deze partij kwam aanzetten, verloor de betreffende speler partij na partij. Wit heeft gewoon teveel mogelijkheden op het bord, dankzij zijn ruimtevoordeel en zijn twee lopers.


HK5000

zondag 2 september 2018

Jubileum

Op 17 jarige leeftijd begon ik met competitief schaken. Daarvoor was het uitsluitend muziek waaraan ik mijn vrije tijd spendeerde. In 1985 op 9 jarige leeftijd startte ik met notenleer op de muziekschool. Het jaar daarna begon ik met het beoefenen van het muziekinstrument de schuiftrombone.  Nog 2 jaar later werd ik lid van het Gildemuziek te Roeselare. Daar begon ik als jonge onervaren muzikant in de jeugdharmonie op zondagochtend. Na enkele jaren er te musiceren, werd ik toegelaten tot de volwassenen die vrijdagavond repeteerden. Het was een interessante en leuke tijd met tal van optredens in binnenland en buitenland. Zo herinner ik mij eens als 18 jarige een beruchte stoet in Frankrijk waar we vooraf bij de lunch onbeperkt gratis martini kregen. Ik moet geen tekening maken over hoe het musiceren daarna verliep.

De leden werden er goed in de watten gelegd. De harmonie kreeg heel wat inkomsten van de optredens en daar liet men de leden ook van genieten. Kledij, lidmaatschap, drank, eten, muziekinstrumenten, partituren, vervoer, kampen... was grotendeels of zelfs helemaal gratis. Daarnaast werden de trouwste leden nog eens extra in de bloemetjes gezet wanneer een 10-jarig jubileum werd behaald. Zelf heb ik 1 zulk jubileum meegemaakt. De hele harmonie kwam een serenade aan mijn (ouderlijk) huis geven. Als herinnering kreeg je op zulke gelegenheid een gouden ster op je kepie gespeld die vanaf dan er definitief op mocht blijven.

Aan deze episode kwam een einde kort na mijn verhuis op 22 jarige leeftijd naar Antwerpen. Het werd praktisch zeer lastig om vrijdagavonden op tijd voor de repetities in Roeselare te geraken. Bovendien had ik toen al mijn hart verloren aan het schaken en dus ging ik ook veel liever naar de schaakclub in Deurne dan te repeteren. Hier in de buurt heb ik nog even gekeken naar een andere harmonie of fanfare maar de grote schaakambities lieten mij hiervoor geen ruimte meer. Ik heb vandaag nog steeds mijn instrument in huis ergens opgeborgen. Toen de kinderen een paar jaar oud waren, heb ik er nog eens op gespeeld maar ondertussen heeft het weer al meerdere jaren stof vergaard.

Het is weeral een speciale introductie maar ik denk waar we wel een les kunnen uittrekken voor het schaken. Vele schaakclubs zitten vandaag in nauwe schoentjes. Vorig jaar hield de schaakclub van Schoten zelfs op met te bestaan. Zonder leden stopt het. Het is dus heel belangrijk om als club leden bij te houden en te zoeken. Het Gildemuziek met meer dan 90 leden is een succesformule die al 95 jaar werkt. Natuurlijk beschikken we in het schaken over veel minder financiële middelen maar een jubileum voor onze trouwste leden hoeft echt niet veel te kosten. Zoiets kan je makkelijk doen op het jaarlijks clubfeest met een cadeautje. Misschien kan hierbij ook gedacht worden aan een schaaktruitje met het clubembleem (zoiets heeft kmsk al) waarbij een bepaald stuk erbij wordt geplaatst afhankelijk van het soort jubileum.

De club KSK Deurne waarvoor ik vandaag speel, is ook in zwaar weer. Als je de homepagina van de website bekijkt dan zie je 6 kaarsjes. Elk kaarsje staat voor iemand die voor de club belangrijk was maar ons afgelopen jaar heeft verlaten. Bovendien zien we dat er uit de jeugdwerking geen enkele doorstroming gebeurt naar het volwassenschaak en ondertussen is men toch al een decennium ermee bezig. Dit jaar viert de club zijn 60 jarig bestaan met een kwis. Zelf hou ik niet van quizzen maar het jubileum is wel een goede gelegenheid om eens over de toekomst te denken.

Jubileums voor de schakers bestaan er dus niet maar dat wil niet zeggen dat ik dit jaar niet zelf kan bekijken als een jubileum. Zo was het in 1993 dat ik voor het eerst deelnam in een groot open internationaal schaaktornooi toen nog als ongekwoteerde speler. Groot mag zelfs gigantisch worden genoemd want toen was er een recordaantal deelnemers op de Open Gent, namelijk 539 zie palmares. Ik behaalde toen een bescheiden 3,5/9. Ik heb de partijen nog wellicht ergens liggen op papier in een vergeten doos (computer had ik toen nog niet en achteraf heb ik ze nooit gedigitaliseerd) maar ik zal daar geen van publiceren daar ik ze zelf te beschamend vind betreffende speelniveau.

25 jaar later dus nu 2018 speelde ik opnieuw mee de Open Gent. Ik vermoed dat de organisatoren het niet opgemerkt hebben. Sommige tornooien letten wel op dit soort details. Zo zorgden de organisatoren van  Open Brasschaat voor een cadeautje door een simultaan te organiseren voor de trouwste deelnemers. Tja hiermee had ik weinig mee kunnen doen maar het is het gebaar dat telt uiteraard. Uiteindelijk bezorgde ik mezelf misschien wel het mooiste cadeau voor het jubileum door enkele interessante tegenstanders te mogen bekampen tijdens Open Gent. In ronde 5 speelde ik tegen de flamboyante Amerikaanse grootmeester van Iraanse afkomst Eshan Moradiabadi die later ook het tornooi op zijn naam schreef. Echter in ronde 7 kreeg ik een nog een meer tot de verbeelding sprekende tegenstander: de Russische grootmeester Vladimir Epishin.

Vladimir was ooit nummer 10 van de wereld , secondant van Karpov in wk wedstrijden en had een piekrating van 2670. Elke echte schaakliefhebber droomt van zulke kans dus was ik gebrand om hem een goede partij te geven. Echter ’s morgens in de voorbereiding zag ik al snel hoe moeilijk de opdracht zou zijn. Hij heeft 3441 partijen in mijn database (zelf heb ik er slechts 287) waarvan alleen al 781 met zwart op 1.e4 (ik slechts 63). Bovendien verraste zijn arsenaal aan openingen mij compleet. Met mijn vast repertoire (dus ik varieer niet mijn openingen) zou ik alleen al volgens de database moeten rekening houden met 72 mogelijke opstellingen (waarbij ik zeker ben dat dit bijlange niet alles bevat wat Vladimir ooit gespeeld heeft daar niet alles in de database terecht komt). Voor dit blogartikel heb ik dit eens samengevat (dus een maand na het spelen van de partij) want het is nauwelijks voor te stellen zonder de details gezien te hebben. Ik heb het zelf nooit eerder vastgesteld van een andere speler maar ik vermoed dat de Oekraïense topgrootmeester Vassily Ivanchuk dit record makkelijk breekt.
Vladmir Epishin's arsenaal aan openingen die ik kon tegenkrijgen
Ter vergelijking heb ik eens dezelfde oefening gedaan op mezelf. Dus het klinkt gek maar hoeveel openingen zou ik bekijken indien ik op mezelf met behulp van dezelfde database zou voorbereiden.

Dus het zijn er slechts 3 of 24 keer minder dan Vladimir. De meeste amateurs stellen zich vragen over wat het vergt om aan de top te komen wel je ziet dat er nog een enorm verschil is tussen wat een FM kent en wat een (ex-)wereldtopper kent. Trouwens geloof niet dat Vladimir zomaar iets speelt want de meeste zoniet alle systemen die hij speelt, kent hij heel goed wat o.a. ook in onze onderlinge partij werd bewezen.

Voorbereiden tijdens een Open Tornooi op zulk enorm aantal openingen is onbegonnen werk. Om 6 uur ’s ochtends was ik al bezig aan de voorbereiding. Erg veel slaap heb ik sowieso niet nodig tijdens een schaaktornooi door de adrenaline op voorwaarde dat er geen druppel alcohol wordt aangeraakt. Om 11 uur stopte ik noodgedwongen met de voorbereiding om op tijd van Kontich te vertrekken naar Gent en onderweg nog 2 spelers met vervoersperikelen te kunnen oppikken. Het was alsof je naar een examen gaat en je slechts een deel van de cursus had bekeken want vele systemen die Vladimir speelde, had ik nog nooit gezien noch bestudeerd. In oranje heb ik aangeduid wat ik vluchtig had bekeken van de 72 mogelijkheden. Dit blijken er 24 te zijn dus 1/3.

In de partij had ik geluk want Vladimir koos nummer 68. Anderzijds was mijn geluk van korte duur. Ik had geen partijen van hem gevonden voorbij zet 5 dus viel er nog veel te gissen wat er daarna zou gebeuren. Uiteindelijk kon ik in de partij evenmin de zeer vluchtig gemaakte analyses goed herinneren. Door maximaal aantal zaken te willen bekijken in de voorbereiding, verlies je automatisch op stabiliteit. Herhalen is noodzakelijk om alles te kunnen onthouden. Desalniettemin werd het een groots gevecht. In onderstaande hyperscherpe partij werden beide spelers tot en over hun limieten geduwd.

Dit zijn het soort partijen waarvoor je als schaker graag schaakt. Mijn 25 jarig jubileum zit erop maar ik hoop nog vele jaren te mogen meedraaien in het gekke schaakwereldje. Geniet van elke partij want aan alles komt ooit een einde.

Brabo

zondag 26 augustus 2018

Pionstructuren deel 2

Mijn leerlingen hebben allemaal talent maar spijtig moet ik de eerste nog tegenkomen die bereid is om ook thuis hard te werken. Slechts enkele spelers in België studeren naast het spelen. Ik ben het ondertussen gewoon geworden dat geen enkele leerling zijn partijen achteraf onderwerpt aan een serieuze analyse. Ik heb vorig jaar zie vakantie deel 3 bepaalde eisen gekoppeld aan mijn lessen maar ik zal die niet meer herhalen. Dat is niet omdat ik hoor van sommigen bekend te staan als strenge leraar. Nee zulke opmerkingen raken mij niet. De reden is dat ik geen energie wil spenderen aan zinloze discussies. Trouwens ik heb al beslist om sowieso nog een jaartje verder les te geven dus ongeacht de inzet van de leerlingen.

Dit schooljaar start mijn zoon Hugo in stap 4. Dat is de laatste stap die hij zonder mij kan doen in de club KMSK. Indien Hugo tijdens deze stap niet vrijwillig zelfstandig begint te leren werken aan het schaken dan hou ik mijn lessen daarna voor bekeken. Eenmaal stap 4 behaald, heb je voldoende basis om van competitieschaak te genieten. Stappen 5,6 en meer zijn er voor de ambitieuze leerlingen. Natuurlijk iedereen heeft ambities maar in deze hoogste stappen hangt het rendement van schaaklessen af van intensief thuiswerken (mijn leerling Sterre is hierop een uitzondering). Ik heb het lesgeven gekoppeld aan Hugo lesvolgen. Van zodra ik zie dat Hugo er dus nauwelijks nog iets leert, dan trek ik de stekker eruit. Met het advies dat ik Hugo geef na het spelen van zijn partijen, kan/zal hij nog steeds veel kunnen leren. Dit kost mij geen moeite in tegenstelling tot de lessen waarin ik vaak per uur les meerdere uren aan voorbereid.

Op deze blog heb ik het nut van studeren aan het schaken al talloze malen aangetoond. Echter ik kan het nooit genoeg benadrukken dus in dit artikel breng ik enkele nieuwe voorbeelden aan uit mijn recente bordpraktijk. Vorig jaar schreef ik dat het nuttig is om ook partijen te bekijken buiten je repertoire omdat diverse concepten gebruikt kunnen worden in meerdere openingen tezelfdertijd zie pionstructuren deel 1. In dit artikel wil ik nog een stapje verder gaan door zelfs binnen een repertoire zulke verbanden aan te tonen.

Vooreerst begin ik op microschaal. Binnen een bepaalde variant van een opening zien we dat eenzelfde concept meerdere keren kan verschijnen. De eerste stelling komt uit een partijvoorbereiding die ik maakte voor de  Belgische interclub. In de ronde tegen Wetteren zou mogelijks de Belgische expert Galeh Khonghaloos mijn tegenstander worden dus bestudeerde ik zijn partijen in de database waaronder deze hieronder.
Ik moest tegen iemand anders spelen maar in de 2de ronde van het voorbije Open Gent kon ik alsnog het aangeleerde concept gebruiken. De stelling is bijna identiek (vergelijk stelling na zet 10 in vorige partij met stelling na zet 11 in volgende partij) maar het verschil in de details zorgt voor een kettingreactie aan veranderingen.
Het andere voorbeeld komt eveneens uit de voorbije Open Gent namelijk mijn partij uit ronde 6 tegen de Duitse expert Taylan Guelsen. Deze keer kijken we op macro-schaal en is er zelfs sprake van een kruisbestuiving tussen 3 openingen. Ik begin met mijn partij tegen de Nederlandse FM Frank Wuts, gespeeld in de Open van Avoine te 2000. Toen kwam een Philidor op het bord waarin ik een interessant concept voor het eerst testte.
Ik herinnerde mij dit debacle nog 18 jaar later. Hetzelfde concept kan in de Spaanse Breyervariant maar daar had ik duidelijk weinig zin in. De computer toont ook aan dat zwart goed tegenspel heeft ondanks de kleine materiële achterstand.
Een 2de link is er met een stelling van mijn partij tegen Stefan Beukema gespeeld in de Belgische interclub van 2014. Toen miste ik het spectaculair winnende Lxf7 zie mijn artikel achilles. Dit concept verscheen toen in een Spaanse Chigorinvariant.
Lxf7 was deze keer hier niet winnend maar praktisch was het zeker de moeite waard geweest om het te proberen. Hierbij dus een waarschuwing dat we niet blindelings bepaalde concepten mogen kopiëren. Het analyseren of voorbereiden van partijen levert veel bruikbare kennis op. Sommige van die concepten kunnen we zelf vinden aan het bord maar zelfs dan zal voorkennis veel tijdwinst betekenen. In andere gevallen zullen bepaalde mogelijkheden nooit worden ontdekt en worden dus kansen gemist.

Brabo

zondag 12 augustus 2018

De grootste schaakbelg

Een tijdje geleden (eerste helft 2018) rondde de Nederlandse schaakjournalist Johan Hut een interessante reeks af op schaaksite.nl: een top veertig van de Nederlandse schakers (aller tijden). Zie Top 40 nederlandse schakers 1 Max Euwe.  Niet verwonderlijk was Euwe (WK tenslotte) nummer één, en Jan Timman nummer twee. Drie was Giri, vier Van Wely en vijf Donner. Een redelijk correcte top vijf lijkt me.

Enkele jaren terug was het de “mode” om de grootste Belg / Nederlander / Duitser / … te verkiezen in een TV-format. Dat werd in elk land anders gedaan en natuurlijk was ook deze verkiezing een momentopname. In België won Pater Damiaan (voor de niet-Belgen: een pater die in de tweede helft van de 19de eeuw op Molokai (Hawaii) voor melaatsen ging zorgen en er uiteindelijk ook zelf aan melaatsheid overleed), met sterke ruggensteun van de bekende Belgische strafpleiter (en mediafiguur) Jef Vermassen. Tweede (en die had mogen winnen vond ik) was Paul Janssen, een geniaal arts en farmacoloog (en goed amateurschaker), die de wereld een reeks nuttige (denk aan Immodium) geneesmiddelen schonk, en Janssen Pharma uitbouwde tot het uiteindelijk werd overgenomen door Johnson & Johnson.

Maar dit terzijde. De top-40 van Nederlandse schakers deed me nadenken over wat een top-30 zou zijn voor Belgische schakers. Een top-40 heeft weinig zin, omdat het dan een veel subjectievere keuze tussen min of meer gelijkwaardige spelers zou worden. Kijk maar eens naar de lijst van Belgische kampioenen en vooral de periode tussen 1960 (na de suprematie van O’Kelly) en 1980 (toen we met Meulders en Jadoul terug een paar “veelwinnaars” kregen). In die “tussenperiode” slaagde niemand erin om het NK te domineren. België was toen een land met spelers die dicht tegen IM-niveau aan zaten, maar had een brede top en nog geen schaakcultuur. Daarnaast mogen we niet vergeten dat slechts enkele van onze topspelers kans maken op een plaats in de top 20 van Nederland. Een top-50 of top-40 van Belgen zou daarom een beetje belachelijk zijn tegenover een top-40 van Nederlanders.

Hoe stel je zo’n top samen? Vooreerst zijn er de “usual suspects”: mensen met (veel) titels of zeer aansprekende resultaten aan of naast het bord. We denken aan O’Kelly (WK cr), Boey (zilver in WK cr en expert in twee openingen), Colle en Koltanowski, Dunkelblum. Ook Winants en Michiels (OTB grootmeesters) en OK, neem Gurevich, Chuchelov en Dgebuadze er dan ook maar bij. Dan (ik ga er snel door) de (recente) subtoppers: goede IM’s (of gelijkwaardig) zoals Meulders, Jadoul, Cekro, Hovhanisian, Van der Stricht, Ringoir, Dutreeuw. Dan enkele oude namen die zeker niet overwogen moeten worden: Limbos, Gobert, Devos, Dyner of Ambuhl.

En wat met Rubinstein: telt die mee? – hij heeft nauwelijks “voor België” gespeeld (en nu we toch op die piste zitten, netzomin als kapitein Evans, die ooit in Oostende begraven lag). Laten we die er maar uitlaten, het moeten minstens schaakbelgen zijn. Gewoond hebben in België, of over een Belgische rating beschikken, omdat je enkele partijen in IC hebt meegespeeld, is niet genoeg. Je moet minstens onder Belgische vlag hebben gespeeld.

Scope en boundaries zijn één ding – wat met het evaluatiecriterium: wat bepaalt “grootsheid”? Mijn voorstel is: een mix van 1) goede resultaten gedurende langere tijd, en 2) een zekere uitstraling / reputatie naast het bord, hetzij door bestuurlijke functies, hetzij door publicaties, hetzij door andere acties die een positieve uitstraling hebben op de Belgische schaakwereld. Een klein probleem is dat er vroeger naast het NK (enkel voor Belgen), ook een kampioenschap van de Belgische schaak-federatie was, dat open stond voor buitenlanders. En om het helemaal leuk te maken: beide kampioenschappen hadden onderbrekingen, zodat het tellen van titels (als criterium) niet eenvoudig is. Voor de eenvoud beschouw ik beide titels als min of meer gelijkwaardig.

Dus we zitten met een korf leuke namen. Omdat het in één artikel wat te uitgebreid zou worden, geef ik alvast mijn (voorlopige) top-10, op het gevaar af meteen correcties of aanvullingen te krijgen. Mocht dit een “thread” worden, dan ga ik er graag dieper op in (al dan niet met een andere volgorde volgens input van reacties – zelfs ik (ahum) heb de waarheid niet in pacht  ).

1) Alberic O’Kelly de Galway: wie doet beter dan een grootmeestertitel, goud op een WK cr, en arbiter zijn bij een hele reeks toptornooien en matchen, nog los van 12 nationale titels en goede prestaties in tal van tornooien? En dan nog eens schaakauteur, trainer en een eigen openingsvariant. Volgens Chessmetrics 2644 in januari 1957 en 27ste in de wereld begin jaren vijftig.

2) Edgar Colle: was hij nu wereldtop of niet? Zes nationale titels in een veel te kort leven, een eigen opening, winst in internationale tornooien, vóór wereldtoppers; individuele overwinningen op Euwe, Grunfeld, Bogoljubow, Stoltz, en zijn “onsterfelijke” aanvalspartij op O’Hanlon, het draagt allemaal bij tot de mythe van Colle, net als – jammer genoeg – zijn veel te vroeg overlijden. Chessmetrics geeft hem 2619 in december 1930 en een 14de plaats in de wereld.

3) Jozef Boey: zilver op een WK cr, openingsexpert in Jänisch/Schliemann en de Chigorin, vier nationale titels en dat alles als pure amateur naast een voltijdse job. Chessmetrics orakelt: 2584 in 1970 en een 163ste plaats begin 1971.

Dit lijkt een top drie niet niet makkelijk doorbroken gaat worden. Ter indicatie: naar alle drie zijn schaakclubs vernoemd, nog een indicatie van de impact die ze hebben nagelaten.

4) Luc Winants: lange tijd onze enige grootmeester, die dankzij een sterk schakende vader en enkele mooie tornooi-uitnodigingen, lange tijd als schaakprofessional top was van België, en zelfs eventjes de hoogst gerangschikte francofone schaker ter wereld. Ook nog auteur van één van de beste Belgische schaakboeken (Histoire des maitres belges). Alleen jammer dat hier slechts één nationale titel tegenover staat. Chessmetrics: 2593 en 155ste in de wereld in juli 1987.

5) Georges Koltanowski: de showman van het schaken, met een korte carrière in België, maar een grote in de USA – naast het bord wel te verstaan. Schreef 19.000 artikelen voor de San Francisco Chronicle, introduceerde het Zwitsers systeem in de US Open, werd voorzitter van de Amerikaanse schaakbond en uiteindelijk ook “Dean of American Chess”, de hoogste onderscheiding van de USCF. Chessmetrics geeft hem 2628 in maart 1936 en een 18de(!) plaats in april 1936 – dat is bij manier van spreken net onder het deelnemersveld van AVRO 1938!

6) Bart Michiels: van jeugdtalent naar grootmeester met een deelname aan Wijk aan Zee (het B-tornooi) en twee nationale titels, en dat allemaal naast zware studies en een full-time job. In deze moderne tijden is het moeilijk beter te doen, maar met wat extra nationale titels en / of tornooi-overwinningen zou hij nog op de lijst kunnen stijgen.

7) Richard Meulders: IM en acht nationale titels tussen 1978 en 1991. Jammer dat hij al in 2002 gestopt is (amper 51 jaar oud), er was nog “marge”.

Vanaf plaats 8 wordt het moeilijker, wegens keuze tussen een aantal gelijkwaardige spelers:  we hebben de ingeweken toppers Gurevich, Cekro, Dgebuadze, Hovhanisian, Chuchelov, en eerder nog van Seters en Soultanbeieff. 

8) Mikhail Gurevich: wereldtopper, één nationale titel, maar “te groot” voor de Belgische schaakscène, ondertussen uitgeweken naar de nieuwe schaakgrootmacht Turkije en occasioneel terug in België als schaaktoerist. Ooit nummer drie op de wereldranglijst, en zijn internationaal palmares is indrukwekkend, maar zijn impact op het Belgische schaakleven is te beperkt (hij was “slechts” 14 jaar schaakbelg). Niettemin, als we het enkel hebben over schaaksterkte, dan moet Gurevich altijd in de top tien staan. Moet hij hoger dan een achtste plaats? – misschien…

9) Michel Jadoul: lange tijd de nummer twee achter Winants, en zelf goed voor vier nationale titels; daarnaast ook bekend van enkele kleinere openingsvarianten, zoals het Portugees of een zijvariant in het Skandinavisch.

10) Victor Soultanbeieff: diverse nationale titels, maar een flitsende stijl en als amateur toch nog partijen afsnoepen van Europese toppers – je moet het maar doen; zijn boek “Guide pratique du jeu des combinaisons” is een prachtige bloemlezing van zijn combinatoir talent.

11) Alexandre Dgebuadze: drie titels, maar vooral een sterk speler die zijn plek gevonden heeft in België en trouw in België (en daarbuiten) actief blijft – vlak na de “periode Cekro” heeft hij het Belgische schaken nog verder versterkt, en daar mogen we hem dankbaar voor zijn.

12) Mher Hovhanisian: een natuurtalent – een natuurkracht; allervriendelijkst man met een scherpe, taktische stijl, die het de tegenstander continu moeilijk maakt. Dat hij net met zo’n aantrekkelijke stijl toch vijf nationale titels heeft veroverd, maakt het nog interessanter. Moest hij nu eens zo’n boek met eigen partijen neerpennen als Soultanbeieff, dan zet ik hem meteen in de top tien. Welke uitgever durft het aan?

13) Ekrem Cekro: vier nationale titels, en misschien de man die “het pad effende” voor andere allochtone schakers in België. Hij trok door zijn deelnames aan tal van tornooien en competities het spelpeil in België op, en de lokale toppers hadden een nieuw ijkpunt om zich op te richten.

14) Geert Van der Stricht: twee landstitels, waarbij zijn tweede titel in 2014 een mooie bevestiging was van zijn succes in 2003. Een onvermoeibaar schaker, met ook al publicaties bij New in Chess achter zijn naam.

15) Tanguy Ringoir: jeugdtalent, maar geeft nu de voorkeur aan zijn studies. Actueel top vijf in België met meer dan 2500 elo en drie nationale titels achter zijn naam. Nog altijd een grote belofte, maar er moeten wat meer schaakkilometers op zijn teller komen om de top tien binnen te komen.

16) Arthur Dunkelblum: IM, slechts éénmaal NK, maar desondanks een grote naam en maar liefst elf deelnames aan olympiaden.

17) Vadim Malakatko: zeer sterk speler, maar met een relatief lage impact op het Belgische schaakleven. Was wel een grote factor in de nationale interclubtitel voor Bredene enkele jaren terug. Maar hij moet wel enkele nationale titels veroveren om te stijgen in deze lijst.

18) Ronny Weemaes: Belgische schaaklegende met een indrukwekkend Belgisch palmares (hij had/heeft een website met al zijn titels in diverse categorieën en dat zijn er nogal wat), maar ook met bekendheid tot ver buiten de grenzen, want hij ging vaak naar het buitenland om tornooien te spelen.

19) Robert Willaert: vijf titels, maar vooral een landelijke reus – internationaal kon hij zich niet manifesteren / vrijmaken (?)

20) Jef Coolen: sterk speler, maar vooral een zeer sterk correspondentiespeler – na O’Kelly en Boey misschien de derde Belg aller tijden op dit vlak.  Limburgse grootheid, jammer genoeg veel te vroeg overleden.

Dat is een top-20 waarmee we kunnen leven, niet? Of ontbreken er namen – namen die ik misschien wel tussen 20 en 30 heb gezet – of zelfs daar niet?

21) Paul Devos: vocht diverse NK’s uit met O’Kelly, en kwam er lang niet altijd als verliezer uit. 

22) Frits van Seters: domineerde het kampioenschap van de Belgische Schaakbond tussen 1960 en 1970, schreef ook een boek, en was een tijdlang top drie in België.

23) Paul Limbos: vooral bekend van zijn winstpartijen tegen Humphrey Bogart, maar zijn werk in Congo hield hem lang buiten België en inactief op schaakvlak. Wanneer hij dan toch eens in België terug was, bleek meteen hoe sterk hij wel was.

24) Jos Gobert: twee nationale titels in het O’Kelly tijdperk – dan ben je geen kleine jongen meer. 

25) Stefaan Docx: topper, die door hard werken nog een goede 100 elo heeft weten te winnen op “latere leeftijd” en zo de “2300-muur” heeft weten te passeren (ik merk dat talrijke jonge spelers puur op talent relatief gemakkelijk tot 2300 elo halen, maar dan stagneren, wegens gebrek aan tijd, goed studiemateriaal, een goede coach of gewoon te weinig wil om verder te groeien.

26) Steven Geirnaert: toptalent uit Brugge, die zich geleidelijk aan heeft weten naar boven te werken uit die talentvolle groep aldaar. Openingsexpert en harde werker – kan zeker nog stijgen op deze lijst.

27) Robert Lemaire: topper uit de naoorlogse periode, ex-aequo eerste met O’Kelly in het NK van 1946 (hij verloor de play-off wel met 4-0). Speelde 1-1 gelijk op bord 2 tegen Prins in een interland tegen Nederland in 1947. Nog in 1979 speelde hij mee in het NK (in Gent) – dat is dus een verblijf van meer dan dertig jaar in de Belgische top. 

28) Bernard De Bruycker: goed, misschien geen absolute topper, maar toch één van de eerste Belgische schaakprofessionals. Schaker in hart en nieren, boegbeeld van de KGSRL, levend schaakgeheugen van België, eigenzinnig schaker, met enkele “Prins-achtige” openingsvarianten op zijn naam. Wat hij aan schaaksterkte misschien tekort komt tegenover anderen in dit lijstje, maakt hij ruimschoots goed op vlak van impact – levende legende.

29) Pieter Claesen: het leek eer even op dat de opvolging voor Winants eraan zat te komen met de Claesen-broers, maar hoewel Pieter door de 2400-grens ging, kon hij niet verder doorzetten zoals Bart Michiels en Tanguy Ringoir later.

30) Robert Schuermans: misschien de Antwerpse tegenpool van Bernard De Bruycker. Onvervalst aanvalsspeler, zet altijd het bord in vuur en vlam en is hiermee misschien ook de geestelijke broer van Luc Henris, die ik hier (onterecht?) niet heb opgenomen.

Ik heb zeker namen vergeten, dus aanvullingen mogen zeker komen. Van sommigen kon ik de impact moeilijk inschatten, zoals Beyen en andere figuren uit het naoorlogse tijdperk. Iemand als de onlangs overleden eindspelcomponist Roger Missiaen kon ik ook moeilijk inschatten – zelfs de uitstekende site van Nikolaas Verhulst (belgianchesshistory) bevat ook niet alles. Daarnaast is deze top Vlaams gekleurd – ik heb te weinig zicht op het schaakleven in Brussel, Luik of Wallonië tout-court, dus namen als die van Pascal Vandevoort, Luc Henris, of spelers uit het kruim van de francofone top in de jaren 30-60 moeten misschien opgewaardeerd worden. Dan denk ik aan spelers als Ambuhl, Barzin, Dyner, Gustaaf Somers, Schumacher, Pergericht, Sammy Rubinstein, Raymond Soly, Frits Van Lennep, Gustave Pepers, Jozef Mollekens, Hendrik Wostyn, Alain Defize … Wie ik er doelbewust niet ingezet heb, is de heel jonge generatie – die moeten zich ook nog bewijzen “naast hun elo”: het volstaat niet om (even) meer dan 2300-2350 elo te hebben, om een plaats in deze top te krijgen. Dit is tenslotte een top aller tijden, en op basis van tien goede jaren kom je er niet in - tenzij je Colle of Gurevich heet.

Zoals gezegd, ik ben een lijstjesfan, dus ideeën voor andere lijstjes mogen gerust (beste Belgische partij, beste vrouwelijke schaker, beste Belgische schaakboek, … ).

Ter ere van de onlangs overleden Ronny Weemaes, volgend partijtje dat volgens mij niet in databanken zit. Ik heb de partij uit een oude Europe Echecs.
HK5000