maandag 23 februari 2015

Een extra zet

Mijn 6 jarige zoon gaat graag naar de schaakles op zondag maar ik kan hem enkel brengen wanneer ik zelf geen wedstrijd die dag moet spelen. Zo mist hij al minstens 11 lessen op een schooljaar door de Belgische interclub. Het is een nadeeltje t.o.v. de andere kinderen waarvan de ouders niet schaken. Anderzijds kan ik natuurlijk thuis gemakkelijk dit compenseren maar hij vindt dit niet even aantrekkelijk. Spelen met leeftijdsgenootjes is veel leuker en in de club gaat het erg losjes aan toe. Soms heb ik zelfs het gevoel dat de schaakles tegenwoordig een beetje te vrij is. Als ik schakers zie doorgeefschaak spelen terwijl ze nog niet stap 2 voorbij zijn dan vraag ik mij af of dit niet eerder slecht dan goed is voor hun ontwikkeling. Fun is het zeker want vaak gaat het decibelgehalte zo de hoogte in dat er meerdere malen voor stilte wordt gevraagd.

Mijn eerste stapjes in de schaakclub liggen nu wel 20 jaar achter de rug maar ik herinner mij nog levendig dat ik in die beginperiode ook veel bezig was met allerlei nevenvormen van schaken. Als beginnende schaker is het een leuke uitlaapklep voor de frustraties die vaak gepaard gaan met het aanleren van de eerste technieken in standaardschaak. Doorgeefschaak (Internationaal beter bekend als Bughouse), biljartschaak (lopers kunnen 1 keer kaatsen op de rand), Cilinderschaak (a en h kolommen plakken aan elkaar, Atoomschaak (als een stuk wordt geslagen ontstaat een explosie waardoor de stukken op de 8 velden rondom ook verdwijnen), Weggeefschaak (een soort Verliesschaak) zijn een greep uit de varianten waaraan ik mij waagde toen. 

Het aantal varianten op het klassieke schaken is onbeperkt en het is niet zelden dat ik hoor van weer eens een nieuwe variant die werd uitgevonden. Wikipedia geeft een mooi overzicht van de meest bekende varianten. Er bestaat ook een boekje over 50 schaakvarianten van Adrey Calje. Toen ik in 1998 op de studentenolympiade in Rotterdam in contact kwam met de Zwitser Fabrice Liardet leerde ik dat sommigen  bepaalde schaakvarianten niet enkel als een vrijblijvend spelletje plezier beschouwden. Pagina's werden volgeschreven met analyses en de eerste theorie werd ontdekt.

Voor mij het signaal om de wereld van nevenvarianten stilletjes vaarwel te zeggen. Het avontuurlijke verdwijnt al snel en door de zeer beperkte populariteit is er evenmin toekomst. Uiteindelijk gaat specialisatie in een niche ook ten koste van het standaardschaken. Praktijkervaring of analyses zijn zelden relevant voor het standaardschaken. Een uitzondering is misschien het Marseillaisschaak waarin een speler steeds 2 zetten mag spelen per keer. Je krijgt niet alleen de kans om een dreiging te maken maar je kan ze ook uitvoeren. De partij wordt op een veel hogere snelheid gespeeld en men ziet veel duidelijker wat een tempootje kan doen. Vooral minder ervaren spelers kunnen moeilijk inschatten wat activiteit betekent.

Nu zelf sla ik de bal ook nog geregeld mis. In mijn blogartikel optische illusies kan je een voorbeeldje vinden van hoe cruciaal een extra zet was in het eindspel tegen Dgebuadze. Veel minder evident is het naar waarde schatten van een extra zet in de opening maar net daarom ook intrigerender. Hierbij denk ik eerst en vooral aan openingen die oorspronkelijk door zwart werden geintroduceerd maar vandaag minstens even goed met wit worden gespeeld met dan wel een extra tempo. Het Siciliaans/ Engels met e5 is zonder twijfel de meest bekende. Verder hebben we Scandinavisch in de voorhand, Koningsindisch in de voorhand, Philidor in de voorhand (met Jobava gisteren opnieuw winnend van een + 2700 speler) of zelfs een Fromgambiet in de voorhand (dit kwam aanbod in het artikel universele systemen).

Een stapje verder zijn de openingen waarin wit met opzet zijn extra zet weggeeft om zo het zwartkleur op te eisen. Dit kan om psychologische redenen zijn zoals in de partij Ernst Reinderman. Wit tracht zwart op onbekend terrein te lokken (hier het Weens met verwisselende kleuren). In een uniek geval is het omdat men denkt dat de bepaalde stelling zelfs beter is voor zwart dan wit (een mooi voorbeeld is een zijvariantje van de Bird dat ik met verwisselende kleuren op het bord kreeg en uitgebreid analyseerde in het artikel Belgische interclubs apotheose).

Wit geeft soms niet alleen een tempo weg om de kleuren te verwisselen maar omdat het extra tempo slechts een pyrrusoverwinning blijkt te zijn. Een ongetwijfeld ondertussen welbekend voorbeeld is de 3de matchpartij Anand - Carlsen gespeeld in 2014. Men ontdekte nog tijdens het spelen dat de stelling op zet 25 bekend was maar met de extra zet h3.

De extra zet h3 bleek g3 te verzwakken dus was eerder slecht dan goed. Eigenaardig  en we mogen dit zeker niet als algemene regel beschouwen. Zo toonde ik bijvoorbeeld in mijn artikel over de Gajewski-variant dat de 2de versie zonder h3 duidelijk interessanter was voor zwart.

Laatst kwam ik in mijn praktijk opnieuw iets bijzonder tegen die zeker past in deze thematiek. Laat ons eerst eens kijken naar een variant van het Open Spaans dat o.a. meerdere malen gespeeld werd door de sterke Egyptische grootmeester Amin Bassem.

Wel nu moet je een normale Spaanse variant bedenken waarin wit d4 in 2 stapjes speelt i.p.v. 1 zoals in bovenstaande lijn maar toch een tempo extra wint.

Het lijkt bijna op de Processie van Echternach. Ik vond het in elk geval knap van mijn jonge tegenstander om mij zo uit mijn ritme te krijgen. Toevallig of niet maar Tamer won laatst ook het Fischerrandomtornooi in Deurne terwijl hij slechts 5de op rating was. Zelf speelde ik ook voor het eerst in een decennium weer eens mee in een nevenvorm van schaken. Amusement was troef en meer hoeft dat soms niet te zijn.

Brabo

1 opmerking:

  1. Met enig verrassingseffect kan je met wit in de Alapin soms een tempo opgeven en naar het Schara-Henniggambiet overgaan: 1.e4 c5 2.c3 d5 3.cxd5 Dxd5 4.d4 cxd4 5.cxd4 Pc6 6.Pc3!?

    Je geeft eigenlijk geen tempo op, maar als je vergelijkt met het echte gambiet zie je dat zwart normaal gezien een extra tempo wint op de dame.

    BeantwoordenVerwijderen