woensdag 1 juli 2020

Vakantie deel 7

In de prive krijg je bij een voltijdse job in België 4 weken vakantie die je zelf min of meer kunt kiezen. Dat kan je soms nog aanvullen wanneer je werkgever toelaat om extra presteerde uren te recupereren maar het blijft heel mager. Begin dit jaar twijfelde ik dan ook om mee te spelen in Cappelle La Grande. Ik had al enkele dagen verlof genomen net na nieuwjaar dus nog eens 5 dagen minder zou betekenen dat ik spaarzaam zou moeten zijn in de rest van het jaar.

Vandaag ben ik uiteraard blij dat ik toch meegespeeld heb want sinds de start van de coronacrisis heb ik niet meer geschaakt buitenhuis en ook geen verlof meer genomen. Het bewijst nog maar eens dat je best niet te vaak leuke dingen uitstelt. Je weet nooit wat de toekomst brengt en wat je al gehad hebt, kunnen ze alvast nooit meer afpakken. In elk geval zal ik niet wachten tot mijn pensioen om te kunnen schaken zoals ik sommigen wel zie doen. Dan is de kans wel heel reëel dat het met de steeds stijgende minimum-pensioenleeftijd er nooit meer van komt.

Dus eind februari speelde ik voor het eerst in 15 jaar nog eens een tornooi mee in het buitenland. In 2005 ging ik voor het laatst mee met enkele Deurnse vrienden naar het tornooi met de unieke plaatsnaam Condom (Frankrijk). Het jaar daarna trouwde ik. Met de komst van de kinderen Evelien en Hugo werd die buitenlandse-rustpauze verlengd dus tot recent. 
Kleine kinderen worden groot en bovendien heb ik het geluk dat ze allebei ook graag schaken. Vorig jaar speelden we voor het eerst samen in België een open tornooi : zie mijn artikel uit schaken met het gezin. Dit jaar gaan we een stap verder met het buitenland. Het is trouwens de bedoeling om vanaf nu enkel nog te spelen samen met de kinderen. Dit levert niet alleen gigantische tijdswinst op voor mezelf maar het is ook gewoon veel plezanter samen. 
De kinderen zijn ondertussen voldoende zelfstandig om hun plan te kunnen trekken wanneer mijn partijen soms vele uren langer duren. Bovendien zorgde de organisatie voor enkele pingpongtafels waardoor de kinderen na hun partij ook heel veel plezier konden maken. Hugo had weinig moeite om nieuwe Franse vriendjes te maken zie sfeerfoto hierboven.

Ook hadden we op voorhand een afspraak gemaakt met de Belgische familie Smolders (3 jonge broers die schaken) en die net zoals wij in de Panne (half uurtje rijden) een logement hadden. De kinderen die vroeg klaar waren met hun partij zouden door mama Smolders al worden naar huis gebracht. De kinderen die laat met hun partij klaar waren, gingen met mij mee.

Een win/win want zo konden de jongsten op tijd naar bed en kon ik zorgeloos voluit mijn eigen partijen spelen. Op 1 uitzondering na tegen de Belgische IM Francois Godart (25 zetten) speelde ik elke partij tot op het bot. Zelfs in de laatste ronde tegen de Franse grootmeester Adrien Demuth weigerde ik remise o.a. omdat ik nog geen afscheid wou nemen. Ik had de internationale schaakscene duidelijk gemist in de voorbije 15 jaar.

Zelf verwachtte ik niets op voorhand van het tornooi. De Belgische interclub verliep voor mij desastreus dit jaar waarbij ik afklokte met 2,5/9 en ondertussen was mijn fide-elo gezakt op het laagste niveau sinds 18 jaar. Echter 1 aspect gaf mij stiekem toch hoop want deze keer zou niemand (behalve de meegereisde Belgen uiteraard) mij kennen. Ik heb een vrij sterk vermoeden dat ik mezelf bijzonder kwetsbaar gemaakt heb in België door zo vrijuit informatie over mezelf te delen op mijn schaakblog. 

Toeval of niet, feit is dat ik in tegenstelling met bijvoorbeeld Brasschaat vorig jaar eindelijk nog eens kon tonen dat ik het schaken niet verleerd was. Hierbij mag ik zeker niet niet vergeten mijn echtegenote te bedanken voor haar steun tijdens het tornooi. Op dag 3 hoorde ik van een Belgische FM dat hij nog steeds geen ontbijt had gekregen omdat niemand in zijn vriendengroep ervoor gezorgd had. Dan ben ik niet verwonderd dat de resultaten van sommige Belgen op zijn zachtst gezegd niet fantastisch waren. Ontbijt, lunch of avondeten stond niet alleen telkens klaar voor mij maar was ook een feest. Mijn echtgenote maakte het zelfs iets te gezellig door een fles wijn mee te brengen die ik met lichte tegenzin opzij zette om pas na het tornooi te kraken. Op mijn leeftijd is het heel waarschijnlijk dat alcohol een negatieve invloed heeft op mijn schaakspel.

Dus ik geloof dat persoonlijke resultaten makkelijk een paar honderd punten kunnen schommelen door de randvoorwaarden. Jezelf goed omringen tijdens een tornooi lijkt mij dus zeker een aanrader. In het verleden ging ik geregeld mee met mijn Deurnse vrienden naar buitenlandse tornooien maar pas vandaag besef ik ten volle de waarde hiervan zie deze memorabele fotoalbums. Ook tijdens Cappelle La Grande liep alles op wieltjes voor mij. Ik moest mij evenmin bezig houden met de kinderen waardoor ik tijd had om mijn partijen goed voor te bereiden. Ik had ook alle materiaal mee hiervoor zoals chess position trainer, de laatste updates van ultracorr x, mijn meest recente gespeelde online blitzpartijtjes, ....

Dit laatste kwam bijvoorbeeld heel goed van pas in de voorbereiding op de Bulgaarse grootmeester Radoslav Dimitrov. Tijdens de voorbereiding had ik gezien dat hij in ongeveer 1 op 40 partijen 1.b3 speelde. Daarop antwoord ik standaard met 1...f5. Echter na 2.Lb2 Pf6 krijg ik de laatste jaren online heel vaak 3.Lxf6 tegen en sommigen zien dit als een soort weerlegging. Je kan het vergelijken met 2 andere bekende systemen waarmee ik ervaring heb in het Hollands: 1.d4 f5 2.Lg5 Pf6 3.Lxf6 en 1.d4 f5 2.Pc3 Pf6 3.Lg5 d5 4.Lxf6. De eerste is niet goed voor zwart terwijl de tweede ok is. Het verschil zit hem in het feit dat wit onmiddellijk c4 kan spelen. Nu met 1.b3 heeft wit dus ook een onmiddellijk c4 maar daarentegen is b3 ook een kleine verzwakking en moet wit ook nog een extra tempo aan d4 spenderen. M.a.w. het is bijlange niet zo duidelijk dat het inderdaad een weerlegging is. Uiteindelijk door de openingslijnen van al mijn verloren online blitzpartijtjes te bekijken met een engine was ik zelfs in staat om de lijn te rehabiliteren. Mijn tegenstander was duidelijk verrast dat ik zo snel en accuraat zijn opening kon neutraliseren o.a. met een topnieuwtje 6... Df7!
Dan denk je wellicht dat ik geluk had dat ik net op die 1 op 40 openingen mezelf had voorbereid maar dan denk je verkeerd. Ik was wel degelijk ook voorbereid op de 39 andere mogelijkheden met vaak allerlei nieuwtjes ontdekt en uitgewerkt met de computer. Op mijn artikel de sterktelijst deel 2 kreeg ik kritiek dat ik te veel hamer op de voorbereiding. Ik heb toen gereageerd dat ik in een later artikel zou aantonen dat we het belang van een voorbereiding niet mogen onderschatten. Wel mijn partij tegen Radoslav is bewijs 1. Bewijs 2 had ik al gegeven in mijn artikel schaakidolen waarin ik aantoonde dat ik 18 zetten voorbereiding op het bord kreeg tegen de Franse grootmeester Adrien Demuth dankzij een doorgedreven voorbereiding van vele uren tot middernacht (opnieuw dus door ook alle andere openingen in zijn repertoire volgens de megadatabase bestudeerd te hebben). Echter daar houdt het nog niet bij op want onderstaande partij is bewijs nummer 3. In die partij is mijn tegenstander de internationaal meester Michael Wiedenkeller die zowel Zweeds als Luxemburgs kampioen is geweest. Ook hij werd verrast met een staaltje van mijn voorbereiding. Zelf had ik het systeem nog nooit eerder gespeeld zelfs niet in blitz. Daarentegen kan je van Michael 2 partijen terugvinden in de database met het systeem waarvan de meest recente al dateert van 2010 dus 10 jaar geleden. Desalniettemin lag ik al snel 40 minuten voor op de klok tijdens de partij.
De grote tijdshandicap heeft zeer waarschijnlijk mijn tegenstander een half punt gekost. Dit is op zich minstens even belangrijk dan de objectieve evaluatie van een stelling. Ik zou nog verder kunnen gaan met o.a. mijn partij uit de 4de ronde tegen Francois Godart waarin opnieuw de voorbereiding een sleutelrol speelde maar ik geloof dat ik mijn stelling voldoende heb bewezen (ik wil die partij ook nog reserveren voor een later blogartikel). Ik ben dus absoluut zeker dat je met een voorbereiding het verschil kunt maken. Natuurlijk kan je jezelf afvragen of leute maken niet veel belangrijker is dan een of meerdere extra halve punten te scoren. In het verleden hebben mij meermaals amateurs (waaronder zelfs FMs) verteld dat ze zulke inspanningen nooit zouden willen doen voor het schaken omdat je er toch geen geld mee kunt verdienen.

In die zin kan ik nooit weerleggen dat ik te veel hamer op de voorbereiding. Ik zal sommigen ook nooit kunnen overtuigen dat mijn eigen partijen goed voorbereiden voor mij net een belangrijk deel is van mijn plezierbeleving in het schaken. Ik ben dan ook gelukkig niet de gemiddelde schaker.

Brabo

dinsdag 23 juni 2020

Revolutie in het millennium deel 2

Vandaag zijn de mogelijkheden bijna onbeperkt om beter te worden in het schaken. We hebben met enkele muisklikken toegang tot talloze partijen gespeeld op hoog niveau. Als student leer je heel veel door die goede voorbeelden te bestuderen maar kan het ook zinvol zijn om foute voorbeelden te bekijken? Daar bestaat veel minder een consensus over.

Zelfs het analyseren van de eigen partijen leidde recent al tot discussies zie mijn artikels welke partijen analyseren deel 1deel 2 en deel 3. Sommige jonge meesters doen nog maximaal een blundercheck (een kwartiertje per partij) en menen dat het meer rendeert om de studietijd te spenderen aan partijen van sterkere spelers. Ook in mijn lessen twijfel ik om partijen van mijn leerlingen in groep te bespreken. Soms doe ik het om een specifiek thema te bespreken maar over het algemeen probeer ik het te vermijden ook al omdat sommige studenten het niet kunnen laten om met fouten van anderen te lachen.

Desalniettemin zeker op amateurniveau draait schaken vooral om fouten en veel minder om concepten of ideeën. Er wordt niet zomaar gezegd dat de speler die de voorlaatste fout maakt, wint. Fouten compleet negeren, lijkt mij daarom geen juiste keuze. Dit hebben sommige auteurs al heel goed begrepen zie bv. swindels deel 2. Ik vind het dan ook heel positief dat in het boek "On the Origin of Good Moves" er niet alleen aandacht werd geschonken aan wat men kende in de vroege jaren van de schaakgeschiedenis maar ook nog niet kende.

Vooral de eerste officiële wereldkampioen Wilhelm Steinitz moet het hierbij ontgelden. Zowel tactisch maar ook strategisch en positioneel wordt hij door het slijk gehaald. Daarbij zoomt Willy vooral in op Wilhelm's theorie dat de koning best voor zichzelf kan zorgen. Zoiets klinkt absurd vandaag voor elke ervaren clubspeler maar Willem schrok niet terug om materiaal te slaan zelfs al bleef hierdoor zijn koning heel lang in het centrum staan. De variant van het koningsgambiet met Ke2 draagt niet toevallig zijn naam.

Je mag ook niet vergeten dat Wilhelm talloze partijen won met deze riskante strategie zeker in zijn beste jaren. Het is uiteraard niet zijn fout dat zijn tegenstanders niet sterk genoeg waren om hem af te straffen. Het is ook volstrekt begrijpelijk om iets opnieuw te spelen als je er al eerder succesvol mee was. Zelfs vandaag denk ik dat je hiermee best nog punten kunt scoren tegen zwakkere spelers. Daarentegen op meesterniveau is het een ander paar mouwen. Dat laatste ervoer ik recent nog in Cappelle La Grande. Mijn tegenstander de sterke Franse IM Chistophe Sochacki kende niet de opening en ik dacht hiervan te kunnen profiteren door een pion te winnen maar kreeg al heel snel spijt.
Ik werd gescheurd in de partij. Wit hield mijn koning in het centrum op straffe van groot materiaalverlies en toonde meesterlijk met het fijne 24.a3 aan hoe hopeloos al de situatie was voor mij. Kortom profiteren van een koning in het centrum is vandaag standaard op meesterniveau. Tenminste dat was het tot voor kort want recent horen we steeds meer een ander geluid. Hiermee kom ik tot de kern van dit artikel.

In het boek "On the Origin of Good Moves" wordt de evolutietheorie voorgesteld. De verbetering van het schaakniveau is door de geschiedenis een heel langzaam proces geweest. Echter dan spreken we enkel over de mens als schaker. In de laatste decennia verliep parallel een totaal andere proces van de schaakprogramma's die niet alleen veel meer schoksgewijs was maar ook tot honderd keer sneller. Zeker met de introductie van neurale netwerken is een nieuwe wereld opengegaan die we als mens nooit voor mogelijk hadden gehouden. Plots werd ons schaakinzicht met enkele honderden elopunten bijgesteld door een programma die slechts enkele uren nodig had om die kennis op te bouwen.

Er is al heel wat over geschreven maar 1 van de minst besproken revolutionaire veranderingen vind ik hoe verschillend Leela koningsveiligheid taxeert t.o.v. traditionele programma's als Stockfish. In de voorbije maanden was er weinig hoogstaand schaak omdat topspelers geen standaardschaak konden spelen maar de computers hadden geen last van het coronavirus en bleven/blijven gelukkig ons verwennen met absoluut topschaak. De TCEC superfinale van seizoen 18 is nog lopende maar in april hadden we al de fantastische TCEC superfinale van seizoen 17 die zelfs voor het eerst live op chess24.com door (top-) grootmeesters becommentarieerd werd. Het is moeilijk kiezen uit de plethora aan partijen maar persoonlijk vind ik onderstaande best een mooi voorbeeldje van hoe Leela weinig moeite heeft om de rochade weg te laten.
Trouwens om nog meer zulk moois te zien en van te leren, kan je natuurlijk ook nog altijd je eigen testwedstrijden organiseren. Vorig jaar deed ik dit al enkele keren zie mijn artikel schaakprogramma's testen en ook tijdens de corona-crisis vond ik het een leuke activiteit om nog eens te herhalen. Ook in mijn eigen georganiseerde rapidmatchen toonde Leela opnieuw aan dat je het niet te nauw moet nemen met koningsveiligheid. Ik heb opnieuw 1 partij geselecteerd die dit goed in de verf zet.
Het heeft ook niet lang geduurd voor mensen deze nieuwe inzichten probeerden toe te passen in hun eigen praktijk. Ik zie in de keuze van mijn openingen duidelijk de invloed van Leela met zijn hypergevoeligheid voor activiteit zelfs ten koste van (tijdelijke) koningsveiligheid. Een mooi voorbeeldje hiervan is de opening die ik speelde tegen de Belgische expert Tijs Cocquyt in Cappelle La Grande. Het ziet er optisch heel dubieus uit voor zwart en enkele grootmeesters hebben het al met de witte stukken gespeeld maar de computer toont haarfijn aan dat zwart voordeel heeft.
Zelf was ik erg onder de indruk van de opmars van de zwarte koning door de Belgische FM Hendrik Ponnet in onze meest recente onderlinge partij. In een bord vol stukken gaat zijn koning gewoon meehelpen in de voorste linie om de andere stukken vrij te maken voor andere taken. Achteraf las ik in een verslag van het volwassenenweekend 2020 van Schaakinitiatief Vlaanderen dat Hendrik een presentatie had gegeven over de diverse schaakmogelijkheden online om te spelen en bij te leren. Ik heb dus een sterk vermoeden dat Hendrik ook ervaring heeft met Leela of andere neurale netwerken.
Of dit betekent dat Wilhelm Steinitz het toch bij het rechte eind had, dat nu ook weer niet. Er bestaat een heel groot verschil tussen de type posities die Wilhelm en die Leela speelt met de koning nog in het centrum. Dat verschil draait uiteraard rond activiteit. Wilhelm pakte materiaal maar belandde daarna in zeer passieve stellingen waarbij hij enkel kon hopen dat zijn tegenstander niet het correcte pad zou vinden. Dat is zeker niet het geval bij Leela die vaak heel actief tegenspel kan creëren. Een laatste belangrijke opmerking is dat we echter nooit mogen vergeten dat wij mensen niet de rekenkracht hebben van een computer. Niet zelden gaat het in een positie die theoretisch ok is toch mis als mens omdat we niet in staat zijn om de optimale zetten te vinden met een koning in het centrum.

Brabo

maandag 15 juni 2020

Oude wijn in nieuwe zakken deel 3

In 2013 schreef ik op deze blog een lovende review over het boek "Move First Think Later" zie ik wist het wel. 8 jaar na zijn eerste boek heeft de Nederlandse IM Willy Hendriks zijn 2de boek uitgebracht: On the Origin of Good Moves.
Sommige schrijvers publiceren jaarlijks of zelfs nog vaker nieuwe boeken/dvds waarvan de kwaliteit dan ook meestal van een bedenkelijk niveau is. Wanneer een 2de boek pas na 8 jaar na een eerste meesterwerk volgt dan weet je op voorhand dat dit wellicht opnieuw een voltreffer zal zijn. Ik twijfelde dus niet om zelfs nog voor het boek werd aangekondigd bij de denksportkampioen om mijn exemplaar te bestellen.

En jawel het was weer absoluut genieten. Wellicht ook door deze corona-tijden verzwolg ik de pagina's in een mum van tijd. Het ging zelfs iets te snel want achteraf stelde ik mijzelf de vraag wat het boek mij nu eigenlijk had willen vertellen. Het boek bestaat uit 36 hoofdstukken met soms heel uiteenlopende onderwerpen waarvan het verre verleden een beetje zo de enige rode draad lijkt te zijn op het eerste zicht. Daarbij net zoals bij het eerste boek van Willy, zet de titel ons eerder op een dwaalspoor.

Het blijkt dat ik bijlange niet de enige ben die misleid werd want in de diverse reviews die er ondertussen al zijn: review 1, review 2, review 3 (in corona-tijden wordt er uiteraard meer gelezen en dit soort boek is dan ook heel welgekomen) lees ik telkens dat we hier te maken hebben met een soort geschiedenisboek. Mijn eerste gedachte was dan ook toen ik het boek uit had, waarom gaan we niet verder na 1894? Begint dan pas niet het echt goed schaken met grootheden zoals Lasker, Capablanca en Aljechin in de volgende decennia? Trouwens voor een geschiedenisboek is het wel heel vreemd dat er zo goed als nergens tabellen worden meegeven over scores en tornooiresultaten.

Nochtans zijn er ook een aantal hints zoals de aap op de cover en de ondertitel : "een sceptische gids in beter te schaken" dat we hier wellicht toch niet met een geschiedenisboek te maken hebben. Om uit te vissen wat dan wel (of exacter om mijn vermoedens te bevestigen), besliste ik om het boek een tweede keer te lezen. Deze keer liet ik mij niet meer meeslepen met de verhalen maar legde ik de focus op de conclusies van elk hoofdstuk om het concept van het boek te achterhalen. Met die nieuwe instelling maakte ik al heel snel progressie.

In een paar woorden samengevat, dit 2de boek is een vervolg op zijn 1ste boek maar met de focus op wat kunnen we leren van de (zeer) oude meesters (partijen gespeeld voor het jaar 1900) om te verbeteren. Dus het is opnieuw een trainingsboek en eveneens geschreven vooral voor de trainer alhoewel deze keer in tegenstelling met het 1ste boek er ook veel materiaal nuttig is voor de student (ik schat tussen 1500 - 2000 elo).

Echter net als zijn eerste boek is dit weer een boek die erg afwijkt van wat we in een standaard leerboek van het schaken kunnen terugvinden. Zo gebruikt Willy vaak opgaven bij de start van elk hoofdstuk waarvoor meerdere antwoorden bestaan of er zelfs geen finale conclusie kan worden gemaakt. Ik ken niet veel leerboeken die met opzet zulke opgaven erin steken integendeel want men doet er meestal alles aan om de opgaven zo helder mogelijk te houden. Bovendien gooit de auteur zelf nog olie op het vuur door te stellen dat die (zeer) oude meesters op een heel bedenkelijk niveau speelden. Zo zegt hij letterlijk op pagina 318 dat tegen begin van de 19de eeuw (jaar 1800) de beste spelers ongeveer 2000 elo hadden en tegen het einde van de 19de eeuw (jaar 1900) het niveau nog steeds heel matig was met ongeveer 2400 elo. Het had veel makkelijker geweest om zijn boek te verkopen door verder te drijven op bv. deze site met de toprating van 2784 die Wilhelm Steinitz behaalde in 1876 maar hij doet net het tegenovergestelde in zijn boek door die ratings neer te sabelen als complete onzin.

Dus alles wordt verkeerd gedaan in dit boek maar dan begint het uiteraard pas wat net dit boek weer een meesterwerk maakt en waarvan ik verwacht dat het een referentie zal worden voor de komende generaties. Ja toch wel ondanks dat ik het helemaal eens ben dat die oude meesters heel zwak schaakten in vergelijking met onze hedendaagse topspelers (een zeer interessante referentie die in het boek niet vermeld staat is Intrinsic Ratings Compedium met eloratings berekend voor ook de heel oude meesters uitsluitend op basis van de kwaliteit van de gespeelde zetten en die de wild geschatte elo's door de auteur helemaal bevestigen).

Dan stel je natuurlijk de vraag of het uberhaupt nog zinvol is te kijken naar die zeer oude partijen vanuit didactisch oogpunt? Misschien moeten we hetzelfde doen zoals vandaag met de nieuwe beeldenstorm en onze geschiedenis enkel nog laten beleven via geschiedenisboeken of musea. Dit is de essentie van dit nieuwe boek. Waarom mogen we ons schaakverleden niet vergeten? Welke lessen uit het verleden zijn er voor ons vandaag?

Wel ik denk dat we het boek in 2 grote kernboodschappen kunnen splitsen:
-  De partijen of ruimer genomen publicaties uit die lang vervlogen tijden bevatten talloze voorbeelden van schaakideeen/ motieven/ concepten die in een heel pure vorm worden getoond en daardoor ook excellent materiaal zijn voor de student (vandaar dat ik ook de elovork 1500-2000 elo opgeef). Onder 1500 elo is men veelal nog niet sterk genoeg om alles al te begrijpen. Boven de 2000 verwacht ik dat je het meeste al kent. De auteur maakt hierbij de humoristische opmerking dat wat in latere tijden volgt, vaak gewoon complexere vormen zijn van al bekende thema's of een mix zijn en daardoor dan ook minder bruikbaar zijn voor de lessen. Uiteraard bestaat er geen exact tijdstip wanneer dit tijdperk van "modelpartijen" stopt maar ik vind de keuze van het jaar 1894 met de eerste publicatie van Tarrasch Dreihundert Schachpartien zeker een aanvaardbare keuze.
- De 2de grote kernboodschap gaat over de evolutie-theorie en ruimer genomen welke theorieën er van die tijd ook vandaag nog als waarheid kunnen worden beschouwd. Niet veel zo blijkt want de auteur maakt korte metten met veel onzin die over die periode toen en daarna als waarheid werd verkondigd. Tja ik heb het al in 2018 op deze blog geschreven zie vals nieuws dat schakers ook weinig moeite hebben om de waarheid te verdraaien in hun voordeel (ik geef toe dat mijn vorig artikel zeker ook niet helemaal bulletproof was). Vooral de theorie dat spelers zich ontwikkelen volgens bepaalde fasen moet het ontgelden. Toen ik in 2013 MFTL reviewde, had ik weinig of geen ervaring met lesgeven. Echter de laatste 5 jaar heb ik vele keren gezien hoe mank de ontwikkeling loopt/ liep bij vele jonge schakers doordat ze enkel de stappenmethode (konden) volgen. Van bij de start heb ik mijn kinderen ook altijd geholpen met tips over openingen en positionele kennis waardoor ze heel snel een voorsprong namen op leeftijdsgenoten. Ik ben het dus helemaal eens met de auteur dat er helemaal niet zoiets is als fasen maar dat de ontwikkeling optimaal gebeurt door een evolutie op alle domeinen ongeveer aan dezelfde snelheid. Bovendien blijkt uit een recent interview met de jonge Russische topgrootmeester Daniil Dubov dat het wel vaker gebeurt dat coaches een ontwikkeling vertragen of op zijn minst even pauzeren door een bepaalde stijl op te dringen waarbij 1 domein geaccentueerd wordt. Lesgeven zie ik daarom als een menu waaruit de student kan kiezen en geen absolute verplichting. Een goede coach/ lesgever past natuurlijk wel zijn menu aan volgens zijn student-(en).

In het boek wordt gekozen om de chronologie van de gebeurtenissen zoveel mogelijk te respecteren zodat het allemaal ook vlotter leest maar opnieuw wil ik benadrukken dat het geen geschiedenisboek is. Vaak worden sprongen voorwaarts of achterwaarts gemaakt om een bepaald onderwerp aan te snijden. Daarnaast geeft de auteur ook gewoon toe dat hij niet weet of zijn voorbeeld het allereerste was van een bepaald thema. Nu een student maalt niet wie of wanneer een bepaald thema voor het eerst gespeeld werd. Het belangrijkste is dat de studenten het begrijpen en dat ze zien dat de aangeboden stukjes kennis ook vandaag nog steeds heel relevant zijn. Dit laatste doet de auteur heel handig door heel regelmatig de link te leggen naar recente toppartijen of naar zijn eigen partijen (iets wat ik altijd heel graag doe in mijn eigen lessen en dat mijn leerlingen zeker appreciëren of zelfs op mijn blog zie bv. oude wijn in nieuwe zakken deel 1 en deel 2.)

Ik ontdekte trouwens bij het voorbereiden van dit artikel dat ook het recente boek van de Roemeense grootmeester Mihail Marinold wine in new bottles dezelfde insteek gebruikte. Ik vind het vreemd dat ik geen reviews hiervan kan vinden want Mihail heeft best een goede reputatie als schrijver. In elk geval bevestigt Mihail wat Willy in zijn boek schrijft. Het verleden zit vol met waardevolle lessen. Ik vermoed dat een student zelfstandig dit niet kan maar trainers hebben geen excuus om die oude partijen niet te bestuderen om ze daarna als lesmateriaal te kunnen gebruiken.
Een magische cover dus ik begrijp niet dat er zo weinig aandacht aan dit boek werd geschonken.
Door niet verder te gaan dan eind 19de eeuw blijven de thema's dan ook heel toegankelijk voor de student. Ook niet verwonderlijk is dat 90% van de inhoud beperkt is tot die 19de eeuw want veel materiaal bestaat er gewoon niet dat verder teruggaat in de tijd. Ik heb hierbij wel nog een kleine kanttekening betreffende de vermelde referenties op pagina 427. Ik mis het monumentale werk van Hans Renette over Henry Bird die een uitstekend overzicht geeft over het schaken in (hoofdzakelijk 2de helft van) de 19de eeuw. Dit is een zeer recent werk van zeer hoog niveau dat meer dan waarschijnlijk waardevolle input had kunnen betekenen voor On the Origin of Good Moves.

De evolutie-theorie die Willy voorstelt, gaat trouwens ook veel verder dan het accumuleren van kleine stukjes kennis. Het onderwerp van hoofdstuk 15 wordt ook in het boek van Henry Bird heel mooi beschreven. Zo wordt heel uitgebreid verteld over hoe de speelomstandigheden drastisch veranderen in de 2de helft van de 19de eeuw van schaken in cafés naar onze huidige speelcondities (alhoewel dit ook vandaag niet altijd gegarandeerd wordt zie schaakcomfort deel 2). Daarnaast is er ook de opkomst van competitieschaak (eerst uitsluitend matchen en later steeds grotere tornooien) waardoor de topspelers hun ideeën aan elkaar kunnen aftoetsen. Zelf schreef ik eind 2019 al dat competitie van primordiaal belang is om een betere schaker te worden zie Hoeveel partijen moet ik spelen? waaraan Willy het hoofdstuk 5 wijdt.

De opgang van magazines en boeken zorgde vervolgens voor een steeds betere verspreiding van de nieuwe schaakkennis waardoor een steeds grotere groep spelers sterker werd en waarvan latere generaties ook leerden. Op het einde van het boek wordt dan ook de balans gemaakt. Wie of wat zorgde voor de grootste vooruitgang op gebied van schaakkennis? Waren het de enkele grote kampioenen en ging de vooruitgang dus schokgewijs of was het eerder een heel langzame evolutie op alle niveaus? Ik las een reactie op schaaksite van iemand die meent dat Steinitz voor een Copernicaase omwenteling zorgde door het schaken op systematische wijze als eerste te benaderen en dit op papier te zetten maar ook dit wordt in het boek tegengesproken (zie pagina 189). In 1865 publiceerde Gustav Neumann het boek "De nieuwste theorieën en praktijk van het schaakspel" dus lang voor Steintiz. Ook voor Steinitz waren al veel spelers bezig met hun partijen te analyseren, naar de waarheid aan het zoeken met aandacht voor aanval en verdediging, openingen te classificeren, hun conclusies te synthetiseren en theorieën op papier te zetten. Dat lijkt erg hard op wat ook nog vandaag wordt gedaan. Bovendien blijkt ook nog dat veel van wat er op papier werd gezet door Steinitz maar ook door zijn opvolger Lasker later als onzin werden ontmaskerd.

De belangrijkste les voor de student is dan ook dat er geen shortcuts bestaan in het schaken. Er bestaat helemaal geen set van regels die je kan toepassen waarmee je als grootmeester kunt spelen. De auteur zegt dan ook dat de meeste regels niet meer zijn dan goed grootmoederlijk advies. Dit is dan ook het eindpunt van het boek. De luie student is gedoemd op zijn erbarmelijk niveau te blijven spelen. Enkel zij die bereid zijn om bloed, zweet en tranen te spenderen aan het schaken, kunnen een hoger niveau ambiëren.

Brabo

dinsdag 9 juni 2020

De sterktelijst deel 2

De saga van de Belgische interclub blijft duren maar daar wens ik niet meer op terug te keren. Echter in mijn vorig artikel gaf ik ook aan dat ik later eens wou dieper ingaan op het feit dat een ploeg zoals Zottegem met 2 IMs en 1 FM op het punt staat (tijdelijk) te verdwijnen uit 2de klasse. Sommige reacties op deze blog lieten verstaan dat ze daar geen enkele moeite mee hebben maar dit kan je toch niet als normaal beschouwen. Vooraf had ik Zottegem als titelkandidaat beschouwd en zeker niet degredatiekandidaat.

In eerste afdeling spelen 12 ploegen. In 2de afdeling spelen 24 ploegen. Elke ploeg bestaat uit 8 spelers. Als je alles samentelt dan kom je aan 36 ploegen x 8 spelers/ploeg = 288 spelers. Als ik kijk naar de actieve Belgen dan vind ik 8 GMs en 23 IMs dus slechts 31 spelers in totaal waarvan er dan nog enkele niet meespelen uit eigen keuze in de hoogste 2 divisies. Ik bedoel hoe is het dan uberhaupt mogelijk dat wanneer je spelers hebt die bij de top 10% behoren zich niet kunnen handhaven.

De belangrijkste reden is volgens mij, de massale toename aan buitenlandse spelers in 2de afdeling want het niveau van de beste Belgische spelers is niet gestegen. Dit laatste kan je bijvoorbeeld snel checken door de elo van de Belgische speler op plaats 100 te vergelijken vandaag met die van enkele jaren terug. Op KBSB top 100 zien we dat vandaag die 2206 elo is, terwijl die in april 2014 zelfs 2210 elo was. In mijn artikel van 2014 Deurne in de middenmoot merkte ik al die tendens op en die lijkt de laatste jaren alleen maar te zijn doorgetrokken Ik berekende opnieuw de gemiddelde elo van de ploegen in de serie waarin Deurne speelde en zag opnieuw een toename van ongeveer 20 elo t.o.v. 2014.
Echt zwakke broertjes zoals vroeger zitten er niet meer tussen waardoor bijna iedereen van iedereen kan winnen. In 2014 had je 3 ploegen die buitenlandse spelers opstelden. Vandaag heb je er al minstens 6: TSM, Brasschaat, KBSK, KOSK, Wetteren en Wachtebeke. Trouwens die laatste maakt het wel erg bont door de reglementen maximaal naar eigen hand te zetten. Het lijkt mij meer dan toeval dat Wachtebeke ondanks de op 1 na laagste gemiddelde elo vandaag op de 3de plaats staat. Ik had mij op 7 spelers van Wachtebeke voorbereid maar zelfs met de vaste bordenvolgorde had ik mij niet voorbereid op mijn tegenstander. Ruben Decrop had mij al gewaarschuwd in 2013 dat rotaties ook in 2de afdeling voorkomen maar ik had nooit gedacht dat het zo erg zou worden als in 1ste afdeling (zie Hollandse stappen in de Engelse opening).

Ja Wachtebeke en in mindere mate ook andere ploegen in 2de afdeling krijgen hierdoor een voordeel die hen elowinst oplevert. Het is moeilijk om daar een exact cijfer op te plakken maar mijn eigen resultaten dit seizoen spreken boekdelen:
  • - 2,5/9 Belgische interclub: TPR: 2139
  • - 4,5/5 Klubkampioenschap Deurne: TPR: 2228
  • - 6/9 Open Cappelle La Grande: TPR: 2369
  • - 4,5/5 Nederlandse interclub: TPR: 2432
  • - 4/6 Open Leuven: TPR: 2245

Trouwens we zien in bovenstaande cijfers ook een duidelijk verschil in TPR wanneer veel tegenstanders mij kennen of niet (iets wat ik recent al aangekaart heb in mijn artikel schaakopeningen studeren deel 4). Vandaag wordt een elo vaak als absoluut beschouwd om iemands speelsterkte te bepalen maar we zien dat een elo ook afhankelijk is van andere factoren waardoor het soms heel sterk varieert. In elk geval mijn resultaten dit seizoen hebben mij alleen maar meer doen verlangen naar spelen in het buitenland. Zeker de Nederlandse interclub was een verademing. Niet alleen kende niemand mij er goed maar was ik eindelijk af van het nadeel in de Belgische interclub.

Ik heb ook nog een leuke anekdote van mijn Nederlands avontuur dit seizoen bij Landau-Axel. Het enige half puntje dat ik afgaf was opnieuw niet toevallig tegen een Belg: FM Marc Lacrosse. Echter wat voorafging, was op zijn minst grappig te noemen. Net als bij elke ronde vroeg mijn ploegkapitein op welk bord ik graag zou zitten. Dit is mogelijk in Nederland want in tegenstelling tot de Belgische interclub is de bordvolgorde helemaal vrij en die kans liet ik niet zomaar schieten. Elke ronde vroeg ik een ander bord om de voorbereiding van mijn tegenstanders zo lastig mogelijk te maken. Soms trachtte ik met opzet een speler te vermijden die mij iets te goed kent maar het omgekeerde wou ik voor de partij tegen HWP SAS van Gent. Uit de eerdere ronden leidde ik af dat Marc Lacrosse, hun sterkste speler meer dan waarschijnlijk wit zou krijgen. Daarnaast weet ik dat Marc niet graag speelt tegen mij en dus meer dan waarschijnlijk niet op een hoog bord zou plaatsnemen. Echter een te laag bord zou strategisch te riskant zijn omdat zijn potentieel als sterkste speler grotendeels verspild zou worden. Bovendien is Marc met wit aartsgevaarlijk voor (iets) lagere elo's dus voor het team dacht ik dat het wel interessant zou zijn indien ik tegen hem zou kunnen spelen.

Uiteindelijk nam ik bord 4 als de meest waarschijnlijke keuze voor Marc. Daar zou hij wit hebben. Hij zou de topborden vermijden en hij zou toch nog het team goed kunnen helpen. Bovendien had ik nooit eerder lager gespeeld dan bord 3 dus Marc zou denken dat hij er "veilig" was. De ronde startte en ik zat op bord 4 maar er was geen Marc te bespeuren. Echter mijn bord bleef wel leeg en toen begon het mij te dagen dat ik wellicht goed had gegokt want Marc komt vaak laat aan zijn bord. En jawel even na de start kwam Marc aangehold. Hij keek mij aan en ontplofte. "Hoe heb jij kunnen raden dat ik op bord 4 zou zitten? Ik had het nog gedacht dat bord 4 te hoog was." Ik kon mijn lach niet meer inhouden. Puur goud was Marcs reactie. De partij was een ander paar mouwen. Marc zette onze theoretische discussie verder in de Stonewall (3de keer dezelfde variant) en ondanks dat ik voorbereid was en Marc niet, moest ik hard werken voor het halfje.
Ik merk op dat ik in de Nederlandse interclub vaak veel beter ben voorbereid dan mijn tegenstanders in tegenstelling tot de Belgische interclub. De reden is dat er weinig spelers bereid zijn om zich serieus voor te bereiden op 4-5 of zelfs meer spelers. Ik ben dit al jaren gewoon door de grote sterktelijsten in de Belgische interclub en dat speelt daar in mijn voordeel. Echter in de meest recente ronde van de Nederlandse interclub zag ik ook de keerzijde van de open bordvolgorde in onze match tegen Bergen op Zoom. Om de kansen van Bergen op Zoom te verhogen werd beslist door hun ploegkapitein om de 2 zwakste spelers op te offeren op hun 2 hoogste zwartborden (1 en 3). Hierdoor kreeg ik een zwakkere tegenstander tegen dan mijn bijna 700 punten lager gekwoteerde zoon Hugo die op bord 8 speelde zie knsb.netstand.nl/pairings/view/5559.

Strategisch werkte het ook al omdat we een forfait moesten geven wegens een gebrek aan bereidwillige spelers maar ik ga uiteraard naar Nederland schaken in de hoop om sterkere tegenstand te ontmoeten. Dit is geen reclame voor het schaken alhoewel mijn tegenstander een verdienstelijke poging ondernam om er iets van te maken.

Er zullen altijd spelers zijn die de reglementen zullen maximaal buigen om een extra voordeel te kunnen verkrijgen terwijl we eigenlijk willen dat de strijd enkel op het bord gebeurt. Het optimale zou een middenweg zijn tussen een vaste en een compleet open bordvolgorde. Zulk reglement is makkelijk te maken maar het gebeurt niet net zoals we vandaag zien hoe moeilijk het is om tot een besluit te komen betreffende 1 seizoen in de Belgische interclub.

Brabo

woensdag 3 juni 2020

Hoe moet het nu verder met de Belgische interclub?

Gisteren ontplofte een bom in de Belgische schaakwereld met de beslissing van de Commissie voor geschillen door de eerdere beslissing van de raad van bestuur omtrent de annulering van de Belgische interclub ongedaan te maken. Plots is het weer totaal onduidelijk hoe of wat er nu zal gebeuren.

Voor ik begin de essentie van de kwestie te bespreken, vind ik het absoluut positief dat er uberhaupt een geschillencommissie bestaat zodat beslissingen van de raad van bestuur altijd kunnen worden in vraag gesteld. Zeker over de heel gevoelige interclub is het noodzakelijk dat we dit heel behoedzaam aanpakken want niemand heeft er baat bij om het paradepaardje van de KBSB de nek om te wringen.

De eigenlijke kwestie is natuurlijk hoe moeten we nu verder met de Belgische interclub. Ik snap best dat sommige ploegen/ clubs die de promotie al (bijna) mathematisch hadden verzekerd, het niet eens zijn met de annulering van de competitie. Anderzijds de alternatieven zijn evenmin erg aantrekkelijk. Doorspelen op een later tijdstip, lijkt mij vandaag volstrekt onduidelijk want wie weet wanneer we ooit opnieuw zullen kunnen normaal schaken. Het schaken dat wordt voorgesteld in het Belgisch kampioenschap lijkt mij onmogelijk te kopiëren naar de interclubs waar vandaag al een enorme variëteit aan speelcondities bestaan (van uitstekend tot ronduit abominabel zie bv. schaakcomfort deel 2).

Als we nu 3 maanden na de stopzetting nog geen datum kunnen afspreken voor de hervatting en er nog steeds geen enkele opening is naar een normaal leven dan moet je toegeven dat het onmogelijk is om een competitie met meer dan 1000 spelers nog voor de start van de volgende af te werken. Dus rekening houdend met al het vorige, blijft er alleen nog de logische bevestiging van de huidige stand in de interclubs over. Voor afdeling 2A zou dit een absoluut horrorscenario betekenen voor de ploegen die op de laatste 2 plaatsen staan. 
Zottegem met 2 IMs en 1FM zou dan degraderen naar 3de afdeling en we spreken hier niet over oude mannetjes van +70 jaar maar spelers die normaal in de beste jaren zitten. Je kan je hierbij afvragen wat er aan de hand is want het is zeker niet zo dat we honderden IMs en FMs hebben in België waardoor er zelfs geen plaats meer voldoende is voor hen in 2de afdeling maar dit is voor een ander artikel. Als je kijkt naar de stand dan moet je gewoon toegeven dat er nog minstens 6 en wellicht 7 ploegen op de wip zitten/ zaten. Deurne had een realistische kans om te overleven maar ik kan onmogelijk voorspellen wie precies degradeert en wie niet indien de laatste 2 ronden zouden worden alsnog gespeeld.

Bij een zwitsers tornooi kan ik nog begrijpen dat je een streep zet onder een bepaalde rangschikking na stopzetten van het tornooi maar in een round robin hangt te veel af van de toevallige volgorde. Een degradatie laten afhangen van iemand die toevallig de sterkste nog niet gehad heeft, vind ik oneerlijk. Echter dan zijn we terug weer bij af en zitten we in een patsituatie wat misschien leuk is op het schaakbord maar zeker niet naast het schaakbord.

Ongetwijfeld denken zo velen er over en het is dan ook niet verwonderlijk dat men op zoek gaat naar doorbraken om de pat te kunnen opheffen. De geschillencommissie deed een verdienstelijke poging hierin maar ik kan hun logica niet goed volgen. Zo wordt het vademecum (KBSB statuten) bovengehaald en gerefereerd naar artikel 8.2.2.2 onder fide toernooiregels: Als een speler minstens 50% van de partijen gespeeld heeft dan zal zijn score in de toernooitabel blijven en in rekening gebracht worden voor het eindklassement. De niet gespeelde partijen worden aangeduid als in de tabel hierboven. Daarnaast wordt gerefereerd naar de fide waar speler als team kan worden beschouwd.

Tot hier kan ik perfect volgen maar als ik dan zelf ga kijken in het vademecum waar dit geschreven staat dan staat er net voor het volgende belangrijke zinnetje: 8.2.2: Indien een speler zich terugtrekt, of uitgesloten wordt dan zal dit volgend effect hebben op de resultaten:

M.a.w. de dubbel punt en "volgend effect" laten duidelijk verstaan dat wat daarna volgt, betrekking heeft op 8.2.2 en niets anders. Echter voor zover ik begrijp heeft niemand in de interclub beslist om zich terug te trekken en werd ook niemand uitgesloten dus waarom refereert men dan naar dit artikel. Er staat trouwens nog een nota onderaan die nog verder impliceert dat het niet kan worden toegepast bij annulering van de competitie: "Dit lijkt mij een contradictie: als de arbiter anders beslist is de afwezigheid gerechtvaardigd en is dit artikel niet van toepassing." De arbiter heeft uiteraard beslist dat de afwezigheid gerechtvaardigd is dus dit artikel is niet van toepassing. Ik zie geen andere artikels waarop de geschillencommisie zich gebaseerd kon hebben maar ik hoor het graag in de reacties.

Ik spreek mij niet uit wie juist of fout is. Ik stel enkel vast dat ik de beslissing niet begrijp. Mijn persoonlijke mening doet er weinig toe in deze kwestie maar ik zou gewoon wachten zelfs met het plannen van de competitie voor volgend jaar. Mijn voorkeur gaat naar de laatste 2 ronden ook nog te spelen maar ik heb geen idee wanneer dit kan en welke impact dat zal hebben op de rest. Sommigen verkiezen duidelijkheid boven alles en daar kan ik zeker ook begrip voor opbrengen. We zitten nu eenmaal in een situatie waar er geen eenduidig antwoord voor bestaat.

Brabo

donderdag 28 mei 2020

Chesspub deel 2

2020 moest het jaar worden van mijn comeback naar een vol-actieve schaker maar de coronacrisis besliste hier anders over. Een decennium heb ik mijn schaakactiviteiten beperkt om een aanwezige papa te kunnen zijn voor mijn kinderen waardoor ik gemiddeld slechts een 10-tal partijen voor fiderating speelde per jaar. Echter kleine kinderen blijven niet klein en eisen steeds meer zelfstandigheid op. In 2018 begon ik dan ook maar gewoon mee te spelen in de rapidtornooien waaraan mijn kinderen deelnamen. Vorige zomer ging ik een stap verder door samen met het gezin een meerdaags tornooi in België te spelen. Vervolgens speelde ik samen met mijn zoon Hugo in de Nederlandse interclub en begin 2020 werd de laatste stap gezet door samen met het gezin in het buitenland een meerdaags tornooi te spelen (Cappelle La Grande/ Frankrijk).

Het was/is mijn intentie dan ook om enerzijds het schaken buitenhuis zonder de kinderen af te bouwen en liefst helemaal te vermijden. Anderzijds wou/wil ik vol inzetten in het spelen van officiële wedstrijden samen in zoveel mogelijk tornooien waardoor ik voor 2020 een vervijfvoudiging dus naar 50 standaardpartijen met fiderating voor mezelf mikte. Daar was ik aardig naar op weg tot dus de coronacrisis roet in het eten wierp. Voorlopig is het nog compleet onduidelijk wanneer we weer naar een normale situatie kunnen terugkeren. Ik ben ook niet zo wanhopig als de deelnemers aan de Brugse meesters/Belgisch kampioenschap om gelijk welke condities te aanvaarden om toch maar te kunnen schaken. Ik zie dat ik niet de enige ben die er zo over denk want de nochtans erg lage limiet van 120 deelnemers lijkt voorlopig nog niet in zicht. Op schaaksite werd zelfs geopperd dat we misschien zelfs een jaar of langer niet meer normaal zouden kunnen schaken. Dit zou pas mogelijk zijn nadat een vaccin beschikbaar is voor de massa of groepsimmuniteit bereikt is.

In elk geval begin dit jaar had ik geen glazen bol die dit scenario voorspelde en ging ik er dus nog altijd vanuit dat ik heel veel zou schaken wat aanvankelijk ook het geval was. Net daarom besliste ik toen ook dat ik veel sneller op de hoogte moest zijn van de nieuwe theoretische ontwikkelingen. In het verleden lag ik niet wakker van af en toe in de weinige partijen die ik speelde, verrast te worden met een moderne variant die ik nog nooit gezien had. Echter ik vond het een compleet ander verhaal wanneer mij dit nu regelmatig zou overkomen. 

Topspelers filteren en analyseren dagelijks alle gespeelde (top-) partijen om hun repertoire up to date te houden maar daar heb ik niet de tijd voor als amateur en ik betwijfel sterk dat ik dit zou willen doen zelfs als ik tijd had. In mijn artikel mode deel 2 gaf ik hiervoor al als quick-fix chesspublishing.com en chessbase magazin op maar welke van de 2 zou ik kiezen. Met Chessbase Magazin had ik ervaring maar met chesspublishing.com niet. Echter eind vorig jaar vertelde de Belgische FM Frederic Decoster mij dat hij al lang geabonneerd was op chesspub en dat trok mij uiteindelijk over de streep om het zelf ook eens te proberen. Ik heb er absoluut geen spijt van.

Vooreerst als je enkel geïnteresseerd bent in openingstheorie dan krijg je bij chesspub sowieso veel meer waar voor je geld. Chessbase magazine kost jaarlijks 100 euro waarvoor je maximum 20 x 6 = 120 partijen/openingen besproken krijgt. Als je op alle 12 openingssecties abonneert bij chesspublishing.com voor 90 euro dan krijg je ongeveer 85 x 12 = ongeveer 1000 partijen/openingen besproken en dan hou ik nog geen rekening met het feit dat je automatisch gratis toegang krijgt tot de archieven van 10 jaar terug. Ok kwantiteit is niet perse beter dan kwaliteit maar de kwaliteit valt best mee en is soms zelfs uitstekend (meer hierover later). 10 cent per partij/ opening bij chesspub is belachelijk weinig want voor die prijs kan de auteur zelfs nog niet eens de database openen, laat staan enig commentaar schrijven.

Als nieuwe klant kreeg ik dus toegang tot de archieven tot 10 jaar terug van chesspub waardoor je zelfs zou kunnen stellen dat ik slechts 1 eurocent betaalde per partij/ opening. Ik vraag mij echt af hoe dit commercieel model na al die jaren overeind blijft want zelfs bij een minimum aan inspanningen om een partij te becommentarieren, ben je toch al snel een kwartiertje kwijt. Bovendien zag ik dat aan sommige partijen meerdere uren analyse werden gespendeerd. Ik ben bijgevolg dan ook niet verrast dat sommige medewerkers er na enige tijd de brui hebben aan gegeven. Rijk ga je dus nooit worden door te werken voor chesspublishing.com want ik kan nooit geloven dat ze miljoenen klanten hebben. Ik wil alleen maar zeggen het is een no brainer om klant te zijn van chesspub.

Desalniettemin wou ik het in dit artikel toch eens hebben over de aangeboden kwaliteit van de analyses want behalve dat iets stopgoedkoop is, denk ik dat het ook interessant is om op voorhand te weten of het de moeite waard is om tijd hieraan te spenderen. Trouwens nu we spreken over tijd wil ik ook nog opmerken, doe niet wat ik gedaan heb door slechts 60 euro en dus 30 euro te besparen omdat ik dacht dat ik met 6 van de 12 openingssecties voldoende had. Als je de volle 90 euro betaalt dan krijg je automatisch alle files in 1 keer gedownload in een pgn. Ik moest manueel elke maand downloaden en daarna alles herschikken. Als je weet dat het ongeveer 20 seconden per file vergt en je hebt 12x6x10=720 files in totaal te archiveren dan kan je zelf uitrekenen dat ik hiermee 4 volle uren bezig was met dit uiterst vervelend klusje.

Ok nu gaan we eens kijken wat we precies krijgen voor de weinige centen die we hebben uitgegeven. Omdat ik maar 6 van de 12 openingssecties aangekocht heb, kan ik enkel die 6 bespreken. Daarnaast is het ook fair om slechts te kijken naar de meeste recente publicaties (laatste 12 maanden). De huidige auteur mag je niet afrekenen op de vorige en het is evenmin eerlijk oude analyses te vergelijken met de meest recente engines. Desalniettemin merkte ik op dat er soms grote verschillen waren in aanpak tussen de auteurs. Hieronder geef ik een samenvatting met een finale score voor elke sectie. 10/10 betekent voor mij analyse gemaakt op (top-)corrrespondentieschaakniveau. 1/10 is wat je kan krijgen van een automatische analyse gemaakt door een engine. Als je kijkt naar de betaalde prijs dan zou zelfs 1/10 nog aanvaardbaar zijn dus met de score wil ik enkel de verschillen aantonen. Elke sectie heeft zeker een meerwaarde.
De maximum score is dus 7/10. Ik ben zeker dat de Israelische grootmeester Michael Roiz vaak meerdere uren per partij spendeert om zijn partijen te becommentarieren dus ongelooflijk dat hij dit doet voor wellicht een habbekrats. Een constante die ik opmerk in alle besprekingen is dat computerpartijen totaal genegeerd worden alhoewel ik al meerdere malen heb vermeld dat dit in de toekomst een steeds grotere rol zal spelen voor de openingen. Daarnaast zie ik ook weinig of zeer zelden referenties naar correspondentiepartijen. In sommige openingen kan ik dat nog begrijpen maar in andere gebeuren bijna alle belangrijke ontdekkingen in correspondentieschaak. Ik krijg ook het gevoel dat de meeste auteurs niet mee zijn met de laatste technologische ontwikkelingen (sommigen zijn ook niet meer zo jong). Sommigen gebruikten duidelijk verouderde engines en ik twijfel of al iemand Leela gebruikt (wat volgens mij vandaag absoluut een must is).

Kortom als ik de analyses vergelijk met wat ik zelf maak, dan pak ik het toch een heel stuk grondiger aan. Desalniettemin chesspub blijft voor mij heel nuttig om bijvoorbeeld in de partijvoorbereiding te gebruiken wanneer ik nog geen uitgebreide analyse over een bepaald systeem heb kunnen maken. Het is ook goed om gewaarschuwd te worden over bepaalde nieuwe tendensen of in het slechtste geval zelfs een mogelijke weerlegging in het repertoire. Allemaal mooi en wel maar over hoe vaak spreken we dan concreet? Om dit te beantwoorden keek ik naar mijn meest recent gespeelde 100 partijen waarbij de 6 gekozen openings-secties voorkwamen. Vervolgens checkte ik voor ieder van de 100 partijen of de opening al dan niet besproken werd in chesspub. 1 kritieke lijn aangeven was al voldoende om als besproken te worden beschouwd maar 1 zet vond ik daarentegen onvoldoende.
32% lijkt niet veel maar de theorie is vandaag zo uitgebreid dat dit eigenlijk een vrij goed resultaat is. Ik had misschien i.p.v. de sectie "Dragons" beter gekozen voor "Flank Openings" maar sowieso koos ik beter voor alle 12 secties. 

Ik vermoed dat de relevantie van chesspub voor elke speler ook anders zal zijn. De clubspeler die enkel tegen -2000 elo speelt of zelf zo snel mogelijk de theorie probeert te verlaten, heeft natuurlijk niets te zoeken bij chesspub. Vanaf +2200 elo wordt het wellicht echt interessant want vanaf dat niveau krijg je zeker te maken met partijvoorbereidingen en meer mainstream-openingen. Voor de correspondentieschaker meen ik dat het materiaal te licht is, behalve misschien dan de sectie "Open Sicilians". Gisteren ontdekte ik bij het voorbereiden van dit artikel nog toevallig dankzij chesspub een gat in mijn repertoire. Voor mij is het alvast een geslaagde aankoop.

Brabo 

dinsdag 19 mei 2020

Schaakidolen

In 1983 won de Fransman Laurent Fignon voor het eerst de ronde van Frankrijk. Slechts 7 jaar was ik toen. De weken daarna zetten ik en mijn 3 jaar jongere broer steevast een geel petje op en fietsten we in de buurt van ons ouderlijk huis al luid schreeuwend Fignon. 6 jaar later viel ons idool van zijn sokkel door in een bloedstollende tijdrit aan het slot van de tour nog zijn 1ste plaats af te geven aan de Amerikaan Greg LeMond. Slechts 8 luttele seconden bedroeg het verschil. Het is het kleinste verschil ooit in de tour geweest tussen de eerste twee. Laurent wou tijdens de tijdrit niet horen hoeveel het tijdsverschil was maar dat brak hem later zuur op.

Daarna heb ik nooit meer idolen gehad. Idolen lijkt mij dan ook vooral iets voor jonge kinderen die nog veel dromen en verwachtingen hebben van het leven. Ook in het schaken zie je dit fenomeen vandaag terug. Sommigen gaan zelfs heus op jacht naar foto's en handtekeningen zie bv. dit Chessbase-artikel van vorig jaar over Daniel Dardha belgian champion at 13. We zien Daniel op foto's met zowel Magnus Carlsen en Garry Kasparov. Vandaag is het wellicht Daniel die zelf bij jonge fans (of niet zo jong meer zie hieronder) gevraagd wordt om te poseren.
De nieuwe Belgisch kampioen met een oud Belgisch kampioen
Bron: http://www.skdeurne.be/Fotoalbum/fotoalbum.php
Als je vraagt aan een willekeurige schaker welke wereldkampioen op hem het meeste indruk heeft gemaakt dan krijg je meestal als antwoord de speler die wereldkampioen was toen hij/zij begon te schaken. Voor sommigen is het Robert Fischer. Voor anderen is het Magnus Carlsen, Vladimir Kramnik, Garry Kasparov of Anatoly Karpov. Met die laatste kon ik trouwens nog een mooie foto vinden, gemaakt in 2004 waarop ik zelf ook sta. Die foto kwam er nogal onverwacht. Ik speelde toen voor het Franse team Lille en we stonden op het punt om de slotfase van de top seize (hoogste afdeling van de Franse interclub) te spelen in Belfort. Vooraf werden we als team onthaald op het stadhuis en daar was ook Anatoly aanwezig als eregast. Onze ploegkapitein miste niet de unieke kans om samen voor de lens even te poseren. Ik dacht aanvankelijk dat die foto verloren was gegaan maar mijn pa kon hem nog terugvinden op zijn oude computer.
Anatoly zien we in een net pak in het midden. Helemaal links zien we een nog erg jonge Tigran Gharamian die hetzelfde jaar internationaal meester werd, enkele jaren later in 2009 grootmeester en in 2018 zelfs kampioen van Frankrijk. Het was een leuke en interessante tijd samen. Ooit hoop ik er eens opnieuw te spelen al dan niet samen met mijn zoon Hugo.

In Belfort speelde ik toen op een paar borden afstand van grootheden zoals Kramnik en Anand maar daarvan heb ik geen foto's. Het is een gemiste kans alhoewel ik evenmin de persoon ben om de paparazzi te spelen. Idoliseren vind ik sowieso niet erg verstandig wat niet wil betekenen dat een leuke foto toch plezierig kan zijn.

Dat laatste dacht ik ook toen ik net voor de lockdown compleet onverwacht tijdens het krokustornooi van Gent kennismaakte met de wereldrecordhouder blindschaken Timur Gareev. Ik vermoed dat ik de enige was op het tornooi die hem herkende maar internationaal is hij in het schaken een zeer bekende figuur. In 2016 verscherpte hij het wereldrecord simultaan blindschaken tot 48 borden waarmee hij in het guinnessbook of records terechtkwam. Echter er valt nog veel meer te vertellen over deze zeer interessante persoonlijkheid. Ik denk bijvoorbeeld aan al schakend skydiven of de waanzinnige looprace tijdens het Amerikaans kampioenschap van 2019 (hiervan kan je de ongelooflijke beelden nog steeds bekijken op twitter). Ik was dan ook erg blij dat hij bereid was om niet alleen een bulletpartijtje met mij te spelen (die ik jawel verloor -geen schande want hij had zonet dan ook Rapid van Cappelle La Grande gewonnen voor een reeks sterke grootmeesters- maar waar zowel ik als de hele zaal van smulde toen bleek dat er na wederzijdse promoties plots 4 dames op het bord stonden) maar ook de tijd nam om samen op de foto te gaan.
Ik had liever nog wat meer en langere partijtjes gespeeld maar hij was op doorreis dus ik begreep uiteraard dat hij andere prioriteiten had. Nu toeval was dat ik eigenlijk nog maar 2 dagen eerder tegen een andere idool/ bekendheid had kunnen spelen en dat was wel een lange en zelfs officiële partij.

Recent had ik het er over dat ik het boek the Modernized Dutch heb aangekocht en bestudeerd. Wel de auteur van dit boek, de Franse grootmeester Adrien Demuth speelde mee in Cappelle La Grande. Ik hoopte stilletjes dat ik de kans zou krijgen om tegen hem te spelen en jawel dit gebeurde in de laatste ronde.

Die ochtend vroeg ik mezelf af of het ok zou zijn om zijn boek te laten signeren voor de partij om misschien zo makkelijker remise van de grootmeester te krijgen maar dat vond ik uiteindelijk iets te kinderachtig. Echter tijdens de partij op zet 20 stelde plots de grootmeester zelf remise voor (het reglement van Cappelle La Grande laat ten vroegste toe om na 20 zetten remise voor te stellen). Wat doe je dan want dat was net waar ik op voorhand had willen voor tekenen? Inderdaad, ik weigerde maar pas na ruim 20 minuten nadenken alhoewel ik slechts 1 zet had zie chessbomb.
Die lange aarzeling kostte mij achteraf wellicht een half punt want ik weigerde natuurlijk niet zomaar remise. Ik had tot middernacht de avond voordien de partij voorbereid en kon hiervan profiteren want kon een stuk analyse volgen tot zet 18 die ik hier al op mijn blog in 2014 had gepost zie mode. Dus ja vele uren je eigen partijen analyseren, levert soms voordeel op later, zeker als je tegenstander niet je blog leest.

Ik heb het niet zo voor schaakidolen of zelfs algemeen idolen maar dat betekent niet dat je eigen ervaringen niet rijker zijn wanneer bepaalde personen erbij zijn. Uiteindelijk heeft ieder van ons ook voor een groot deel zijn eigen lot in handen. Het leven is een groot avontuur dus het is een kwestie van zelf durven stappen te zetten.

Brabo

donderdag 14 mei 2020

Swindels deel 2

Nu we met zijn allen onze favoriete hobby niet kunnen uitoefenen, is het zaak om de vrijgekomen tijd niet te laten verkommeren. Daarom 1 van de eerste dingen die ik deed toen de lockdown begon, was een interessant boek uitzoeken. De keuze was niet moeilijk want ik volgde al geruime tijd de blog van de Australische grootmeester David Smerdon dus ik wist op voorhand dat ik met zijn nieuw boek The Complete Chess Swindler nooit een foute keuze kon maken.
Oorspronkelijk had de auteur als bedoeling een bloemlezing te geven van de mooiste en meest fantastische swindels in de schaakgeschiedenis maar tijdens het schrijven ontdekte David dat het mogelijk was om een soort handleiding te creëren om te leren swindelen. Het boek is een verdienstelijke poging hierin maar ik verwacht niet dat ik na het lezen van dit boek een betere swindelaar ben geworden. Voor mij blijft het boek toch vooral een mooie collectie van swindels en enkele leuke verhalen waardoor het sowieso een aangenaam boek was om te lezen.

Trouwens dit betekent evenmin dat er geen lessen te trekken zijn voor sommige schakers uit het boek. Zo vind ik het helemaal correct dat eindspel-kennis/ kunst op de eerste plaats staat in het boek als basisvaardigheid voor een swindelaar. Op mijn blog heb ik meer dan een dozijn voorbeelden in diverse artikels getoond van eindspelen waarin ik halve of zelfs volle punten nog kon stelen. Speelbare eindspelen worden maar in een klein percentage van de partijen bereikt maar in die weinige partijen zie ik wel enorm veel marge voor verbetering bij veel spelers.

Als laatste in de rij van basisvaardigheden staat sportiviteit of eerder het gebrek aan sportiviteit. De auteur worstelde duidelijk ermee om het al dan niet toe te voegen aan het boek en vermeldt daarom ook dat hij enkel de swindels weerhouden heeft die nog net legaal zijn. Misschien 1 van de grappigste hiervan is de toilet-swindel. Je ziet dat je tegenstander naar het toilet wilt gaan maar zijn resterende bedenktijd is te weinig waardoor hij moet wachten tot er voldoende tijd door increment wordt toegevoegd of er een nieuwe tijdsperiode aanbreekt. Daar je zelf nog heel veel tijd hebt staan op de klok, ga je dan met opzet trager of zelfs niet meer spelen. Je tegenstander heeft dan de keuze tussen een natte broek, verliezen op tijd of een zeer pijnlijke zak ballen. Wel je gaat het niet geloven maar die keuze moest ik laatst maken tijdens de open van Cappelle La Grande in de 5de ronde tegen de Bulgaarse grootmeester Radoslav Dimitrov. Ik weet niet waaraan ik het verdiend heb maar in een potremise stelling liet mijn tegenstander zijn klok met opzet 38 minuten aflopen (lezers die het met eigen ogen willen checken kunnen vandaag nog steeds de klokstanden van wits 67ste en 68ste zet aflezen op chessbomb).
Iedereen in de zaal zag dat het remise was, zelfs mijn dochter Evelien met slechts 1400 elo die naast mijn bord bijna in slaap was gesukkeld. Echter ik wou hem dit halve punt op die wijze niet gunnen en kneep dus mijn ballen samen. Uiteindelijk zette Radoslav mij met een grote grijns op zijn gezicht pat. Ik had genoeg afgezien. Rare snuiters zijn toch sommige grootmeesters. We moesten diezelfde avond nog een 2de keer aan de bak dus ik vond het een dwaze keuze om op die manier een uur te verliezen.

Echter behalve de vaardigheden die we ons al dan niet moeten aanleren, speelt psychologie wellicht een nog grotere rol. Het domein van de swindels begint wanneer gewoon de beste zetten spelen ontoereikend zijn. Daarbij maakte de auteur 4 categorieën van swindels gebaseerd op basis van hoe geprofiteerd werd van een zwakte van de tegenstander : haast, overmoed, angst en controledwang. De meeste voorbeelden werden gegoten in oefeningen die de lezer kan/ moet oplossen want ze bevatten 1 concreet idee. Daarnaast werd ook een merkwaardige collectie van grootste swindelpartijen getoond waarbij 1 zijde lange tijd compleet verloren staat maar op het einde alsnog de partij kan doen kantelen. Om dit extra in de verf te zetten, voegde de auteur bij elk van die partijen ook een evaluatiegrafiek van de computer.

In mijn artikel Swindels deel 1, geschreven slechts 2 jaar geleden, vertelde ik dat zulke grote swindelpartijen zo goed als nooit voorkomen in mijn praktijk maar vorig jaar leek het alsof de schaakgoden het op mijn partijen hadden gemunt. Niet 1 maar meerdere partijen grensden aan het waanzinnige waarvan onderstaande misschien wel de meest spraakmakende was. Zet 40 was net gehaald en ik sta compleet verloren. De nederlaag leek/ was onafwendbaar en dat tegen een speler die 500 punten lager gekwoteerd is. Hoe was ik toch in zulke positie terecht kunnen komen want ik had nochtans niets gek gedaan in de partij. De opening was niet goed verlopen maar het was vooral in het middenspel dat ik gewoon op een hoopje werd gespeeld. Verscheidene toeschouwers bleven speciaal hangen in de analysezaal om mijn nederlaag bevestigd te zien.
In de partij voer ik eigenlijk min of meer uit wat David verkondigt in zijn boek. Belangrijker dan materiaal is om de stelling te compliceren en daarbij speelt koningsveiligheid vaak een cruciale rol. Wits koning stond helemaal alleen dus het was een kwestie van lijnen openen om toegangswegen te creëren. Vervolgens panikeert wit door de plotse dreigingen die ontstaan. Na het onnodig kwaliteitsoffer staat wit nog steeds gewonnen maar dan wordt het technisch al moeilijk. In het slot gaat wit zelfs nog de mist in door tijdnood. Wit is gehaast en wil de remise forceren met de pion te laten oprukken maar mist hierdoor mat. In de partij voelde ik het al aan dat dit zou gebeuren toen ik zijn pion op f3 sloeg.

Minder uitgesproken maar met een veel grotere inzet gebeurde in de meest recente ronde van de Belgische interclub dus net vooraleer er werd beslist om het kampioenschap stop te zetten en later zelfs te annuleren. Opnieuw zijn we zet 40 en kijk ik aan tegen een compleet verloren stelling. Veel spelers hebben al veel minder slechte stellingen opgegeven zie bv. opgeven. Mijn tegenstander de Belgische FM Hendrik Ponnet had er ook alle vertrouwen in want verliet zijn stoel en ging wat keuvelen na de voorbije hectische tijdnoodsfase maar ik denk dat het net dit was dat ervoor zorgde dat hij in de volgende zetten mij totaal onnodig tegenspel liet creëren. Overmoed is wellicht niet de juiste benaming maar zeker de concentratie verslapte.
In de partij moest Hendrik de partij dus een tweede maal winnen. De spanning was op het einde te snijden want het werd steeds duidelijker dat onze partij misschien wel een cruciale rol zou spelen in de super-spannende degradatiestrijd die dit jaar aan de gang was in 2de klasse. Indien ik remise uit de brand kon slepen, wonnen we de match en zou Deurne een heel goede kans maken om in de 2 resterende matchen het behoud te verzilveren maar ik kwam opnieuw verloren te staan. Steeds meer spelers kwamen kijken en de ontknoping kwam toen ik besliste om mijn e-pion plots niet meer te verdedigen. Met slechts seconden op de klok viel Hendrik voor de lokaas want die e-pion werkte hem al zo lang op zijn zenuwen. Het resulterende toreneindspel gaf geen winstkansen meer. Het was een ongelooflijke swindel die vandaag ons toelaat om met enige voldoening volgend jaar opnieuw in 2de klasse aan te treden.

Ik heb nu 2 recente bloedstollende swindelpartijen getoond waarin ik de held was dus is het eerlijk om ook eens de pineut te spelen. Dit gebeurde in de laatste ronde van Cappelle La Grande tegen de Franse grootmeester Adrien Demuth. Sommigen vertellen mij dat ik een IM-norm hierdoor gemist heb maar wat ben je met IM-normen als je eigen rating gezakt is onder de 2250 fide. In de partij sta ik heel lang gewonnen. Ook hier zien we hoe zwart mits een koningsaanval tracht mijn controle over de partij te breken en uiteindelijk erin slaagt omdat ik in tijdnood panikeer. In het eindspel kom ik nog een 2de keer dicht bij de winst maar dan is het al technisch lastig. De grootmeester heeft tenslotte weinig moeite om de remisehaven te bereiken door af te wikkelen en een eindspel met een kwal minder uit te verdedigen.
Zulke swindels vergen creativiteit (26... Ph8!!??) maar ook volharding in het verdedigen van lastige eindspelen. Ik vind ze persoonlijk veel knapper omdat ze veel meer zijn dan 1 enkel idee. Tenslotte vond ik nog 1 goede tip in het boek. Als je een swindel wilt plaatsen dan kijk eerst naar welke zet je tegenstander wilt spelen. Zoek dan naar wat je eigen stelling nog te bieden heeft en of er een zet met die laatste troef gespeeld kan worden die zijn zet op het eerste zicht niet verhindert. De praktijk/ het boek toont aan dat het vele keren lukt om zo succesvol te swindelen.

Brabo

donderdag 7 mei 2020

Chess position trainer deel 3

In mijn vorig artikel trachtte ik aan te tonen dat voor mij de 7...De8-variant in de Leningrader onvoldoende solide is om zorgeloos vaak te spelen tegen sterke spelers. Ik sloot het artikel af met enkele alternatieven voor te stellen maar liet de lezer in het ongewisse over welke precies ik zou willen spelen en hoe ik die dan zou aanleren. In dit artikel breng ik meer duiding zonder natuurlijk te ver in detail te gaan over de gemaakte keuzes want tenslotte lezen veel van mijn toekomstige tegenstanders dit artikel ook.

De eerste knoop had ik al snel doorgehakt. Ik zou switchen van 7...De8 naar 7...c6 die vandaag veruit de populairste keuze is bij de sterkste spelers. Trouwens hiermee geef ik geen grote geheimen prijs want sinds de Open van Cappelle La Grande 2020 staat er al een partij van mij met 7...c6 in de database (meer hierover in een later artikel). Echter toen ik vorig jaar die keuze had gemaakt, stelde ik vast dat ik een probleem had. Ik kon geen goed recent werk over de Leningrader met 7...c6 vinden die ik als leidraad kon gebruiken. In de meest recente megadatabase alleen al staan meer dan 7000 partijen met 7...c6. Hoe kan ik snel het kaf van het koren scheiden?

Wel ik ga te rade bij een expert natuurlijk. Dit bedoel ik figuurlijk want ik stel geen echte vragen maar kijk naar zijn/ haar partijen. Dus het eerste wat ik deed, was een expert vinden. Chessbase kan je hierbij op weg zetten want vandaag is het een koud kunstje om in Chessbase te weten te komen welke sterke spelers meermaals een specifieke variant gespeeld hebben. Echter bij het doorscrollen van de partijen stelde ik vast dat het merendeel blitz en rapid was. Sommige +2700 spelers speelden het zelfs uitsluitend op een sneller tempo. Het leek mij heel dubieus om de kern van mijn standaard-repertoire te laten steunen op een mix van blitz en rapidpartijen. Bijgevolg bleef er niets anders over om filters zelf te creëren en zo een echte expert te vinden.

De ultieme expert is een +2700 speler die vandaag uitsluitend kiest voor de opening. Spijtig bestaat die niet. Ik heb zelfs geen +2500 speler gevonden die de Leningrader met c6 altijd durft te spelen. Ik heb wel een handvol spelers gevonden die het afwisselend durven te spelen maar niemand boven 2700 elo. Tot vorig jaar zou ik David Anton Guijarro als grootste expert hebben beschouwd maar sinds kort is hij +2700 elo en speelt hij de opening enkel nog in partijen met een snel tempo of als uitzondering. Vandaag denk ik dat de sterke Franse grootmeester Maxime Lagarde de eer verdient van grootste expert. Alhoewel want hij mixt diverse systemen in de Leningrad en ik krijg het gevoel dat hij vaak gewoon zonder veel studie varianten kiest. De bekende quote van Korchnoi geldt hier zeker ook: I don't study, I create. Wetenschappelijk is zulke aanpak dus absoluut niet.

Veel wijzer werd ik niet. Gelukkig bezit ik ook een goed up to date correspondentiedatabase en daar vond ik wel een handvol spelers die op hoog niveau (+2400 ICCF) zeer vaak de Leningrad met c6 speelden. Sommigen van hen hadden zelfs nog geen enkele partij ermee verloren en dat is uiteraard heel goed nieuws rekening houdend met de engines die iedereen vandaag kan gebruiken om voor te bereiden. Dit betekent in elk geval dat een weerlegging nog niet voor onmiddellijk is. Hieronder geef ik een tabel van de experten in correspondentieschaak met hun titel, hun huidige iccf-rating en score met de opening volgens mijn database.
Ik heb de lijst beperkt tot de spelers met minimum 10 partijen maar elke recente partij van een +2300  correspondentiespeler is zeker de moeite om te bestuderen omdat iedereen zeer intensief gebruikmaakt van de computer.

We kennen nu de experten maar we moeten ook nog bepalen welke varianten we willen bestuderen. Daarin kan je zo ver gaan als je zelf wilt. Echter op het einde moet je het ook nog allemaal kunnen onthouden dus het is best hiermee van bij de start rekening te houden. Het is daarom praktisch om te beginnen met de meest gespeelde varianten. Hierbij maakte ik nogmaals gebruik van de 100 meesterpartijen-regel die ik introduceerde in mijn artikel schaakopeningen studeren deel 2. Echter i.p.v. achter naar voor werkte ik deze keer van voor naar achter. Onderstaand screenshot legt het beter uit.
Dus voor alle kandidaatzetten waarmee meer dan 100 meesterpartijen staan in de database in dit geval 8.d5, 8.b3, 8.Tb1, 8.Dc2, 8.Te1 en 8.Db3 zocht ik in eerste instantie op wat de experten zouden spelen. Vaak was er unanimiteit maar af en toe was er ook verdeeldheid. Willekeurig wou ik niet kiezen dus maakte in die twijfelgevallen een aparte speed-analyse geconcentreerd op de 2 of 3 weerhouden zetten. Ik liet dan Stockfish tientallen soms honderden verkorte blitzpartijtjes tegen zichzelf spelen (zie computers worden autonoom) waardoor ik een vrij goed idee kreeg van de plussen en minnen.

Hetzelfde proces herhaalde ik voor de volgende zet. Weer zocht ik via mijn openingsboek op welke zetten in meer dan 100 meesterpartijen werden gespeeld en weer bepaalde ik voor ieder van hen via de experten en eventuele speed-analyses mijn antwoord. Daarna herhaalde het proces weer voor de volgende zet en de volgende zet tot er geen enkele zet meer was waarmee 100 meesterpartijen gespeeld waren. Dit klinkt erg complex maar ik had uiteindelijk slechts 7 varianten die maximaal 4 zetten diep waren dus daarmee wist ik nog niet veel over de nieuwe opening.

Vervolgens breidde ik mijn openingsstudie stelselmatig uit door ook zetten te bekijken die minder dan in 100 meesterpartijen werden gespeeld. Eerst trachtte ik het voor alle zetten die in minstens 50 meesterpartijen werden gespeeld. Daarna zakte ik zelfs naar 30 meesterpartijen. De variantenboom groeide van 7 naar 12 varianten met maximaal 5 zetten diepte dus nog steeds heel beperkt maar onderschat niet hoeveel tijd zelfs zoiets vraagt. Ondertussen zat ik al een maand verder waarmee ik wil onderstrepen dat je best niet twijfelt om een boek/dvd te kopen als die beschikbaar is over je opening.

Toen in augustus dan ook plots een nieuw boek over de Leningrader met c6 werd aangekondigd door Thinkers Publishing, was ik er als de kippen bij. De Franse grootmeester Adrien Demuth had vanuit zijn eigen tornooiervaring een lijvig boek van bijna 500 pagina's over het Hollands geschreven met als kern dus de Leningrader met c6.  Net als meerdere boeken van deze relatief jonge uitgeverij  kreeg het boek als label modernized mee dus werd het logischerwijze The Modernized Dutch Defense.
Deze titel is zeker niet gestolen. Het boek staat volgepropt met originele analyses op een paar uitzonderingen na. Toeval of niet maar in de enkele overlappingen met het boek van Malaniuk staan ook exact dezelfde foute evaluaties die ik al vermeldde in de leningrader deel 1. Hadden die fouten kunnen vermeden worden dan was ik helemaal tevreden geweest van mijn aankoop.

Dus eindelijk had ik een compleet modern werk van de Leningrader met c6 maar wat moest ik nu doen met de zelf-gemaakte analyses? Het viel mij bovendien ook op dat Adrien vaak iets anders had gekozen als hoofdvariant. Wel eigenlijk was de beslissing eenvoudig. Ik varieer nog veel te weinig in mijn repertoire zie o.a. nog mijn recent artikeltje verrassingen deel 3 dus waarom niet beide in mijn repertoire houden. De eerste keer speel ik volgens mijn eigen analyses en een volgende keer kan ik het boek volgen. Dit betekent trouwens niet dat ik beide keuzes moet kunnen onthouden op hetzelfde moment. Een tweede keer dezelfde lijn gebeurt nooit in standaardpartijen op dezelfde dag.

Nu de meeste varianten in het boek had ik helemaal nog niet bekeken dus viel er ook niets te kiezen. Anderzijds bedankte ik feestelijk voor bijna 500 pagina's van buiten te leren. Een tip op chesspub vertelde mij om enkel te concentreren op de vet gedrukte zetten en die in een eigen boek te gieten via chessable maar dan bedacht ik mij dat ik ook nog chess position trainer bezit zie deel 1 en deel 2. In tegenstelling met chessable hoef ik helemaal niet online te gaan. Dat dit geen overbodige luxe is, ondervond ik laatst tijdens Cappelle La Grande toen ik enkel een uurtje had om mij voor te bereiden in de analysezaal waar geen wifi beschikbaar was. Natuurlijk kan je dat proberen te omzeilen met zelf een hotspot te creëren via je smartphone maar dan ben je weeral kostbare minuten kwijt zonder maar te spreken van extra kosten. Schakers die wensen te werken met chessable in het vliegtuig zijn al helemaal de pineut.

Ik vreesde vooraf dat het nog steeds veel werk zou zijn om de vet gedrukte zetten in een pgn te converteren maar dat viel best mee ook al omdat ik enkele hoofdstukken negeerde (ik speel iets anders of zie ze als te zeldzaam). In iets meer dan 2 uren had ik gedaan waardoor mijn oorspronkelijke analyses bestaande uit 25 zetten, werden uitgebreid met 133 nieuwe zetten. Op Chess Position Trainer kost het me een dik half uur om alles 1 keer correct te hebben nagespeeld dus dat lijkt mij voorlopig de limiet. Het is een mooi evenwicht tussen kwaliteit en kwantiteit. Dat ik hiervan vrij zeker ben is omdat zelfs de vrij zonderlinge variant aanbevolen door Sim Maerevoet in het artikel ideeen deel 2 niet vergeten is (stond dus in het boek bij de vet gedrukte zetten).

Kortom toen ik in 2017 voor het eerst kennismaakte met Chess Position Trainer stond ik sceptisch t.o.v. de mogelijkheden van de software. Ondertussen heb ik mijn visie aangepast alhoewel ik vermoed dat ik het programma wellicht niet gebruik volgens hetgeen de ontwikkelaar voor ogen had. Tenslotte wou ik ook nog meegeven dat ik onlangs probleemloos mijn compleet repertoire kon overhevelen naar een nieuwe PC met Chess Position Trainer. De licentiesleutel kan je 3 keer gebruiken en die bleek nog steeds actief.

Brabo