maandag 4 februari 2013

De wetenschappelijke aanpak

In het voorbije Tata Steel tornooi stond opnieuw geen maat op Magnus Carlsen. Hij scoorde 10/13, een evenaring van Kasparovs record maar tegen een sterkere tegenstand (2722 t.o.v. 2664). Hiermee stelt Magnus zijn elorecord nog scherper op 2872 elo (t.o.v. 2851 van Kasparov). Misschien het eigenaardigste van alles is dat Magnus zich helemaal niet baseert op een sterk openingsrepertoire maar vooral in het middenspel en eindspel de tegenstanders verslaat. Tegen Aronian, Wang en Giri stond hij ronduit slecht met zwart uit de opening maar telkens slaagde hij erin te ontsnappen. Met wit verkreeg hij evenmin het traditioneel openingsvoordeeltje maar daar maalde hij niet om zolang hij erin slaagde om een onbekende complexe stelling op het bord te toveren. Een typische Carlsenpartij was tegen de Amerikaanse topgrootmeester Hikaru Nakamura die hij met flitsend aanvalschaak in een zeer zeldzaam systeempje van de Neo-Svechnikov of ook wel Kalashnikov genoemd van het bord combineerde.
Het is niet iedereen gegeven om na 8 zetten al in de (Neo)-Svechnikov een originele en complexe stelling op het bord te hebben. Carlsen slaagt er keer op keer in om zijn tegenstanders op onbekend terrein te brengen waardoor ze niet kunnen terugvallen op hun schaakkennis maar verplicht worden om zelf de vele onbekende problemen op het bord op te lossen.

Een grondlegger van de moderne openingstheorie is zonder twijfel GM Evgeny Svechnikov. Het is dan ook niet verwonderlijk dat hij Carlsen helemaal niet begrijpt. In een recent interview op de Russische nieuwssite was hij keihard voor Carlsen. Svechnikov: "Carlsen toont vandaag een goede techniek maar zonder een wetenschappelijke aanpak in de openingen wordt hij geen kampioen. De openingsbehandeling in zijn partij tegen Nakamura was zwak want volgens mij stond zwart zelfs beter in de opening." Persoonlijk vind ik als je de nummer 1 bent van de wereld met bijna 100 punten meer dan de wereldkampioen dat je al kampioen bent maar ik vermoed dat Svechnikov wereldkampioen bedoelt en niet hoeveel punten of tornooien iemand wint. De toekomst zal uitwijzen of Svechnikov gelijk heeft of niet. In maart komt de eerste grote test in de Kandidatenfinale. Makkelijk zal het niet worden. Ik hoop dat het eerlijk wordt gespeeld en we geen herhaling krijgen van Curucao 1962 waarna Robert Fischer de 3 Soviets beschuldigde van een onderling akkoord. Het zijn andere tijden vandaag uiteraard maar ik onderschat niet het patriottisch Russisch gevoel dat nog heel sterk bestaat vandaag wat je o.a. kon lezen in Kasparovs reactie op chessvibes. In Londen spelen 3 Russen: Kramnik, Grischuk en Svidler.

In tegenstelling met Carlsen focus ik mijzelf niet op het optimaliseren van mijn score maar tracht ik altijd iets wetenschappelijks in mijn partijen te steken. Dit heb ik o.a. al eens besproken in het blogartikeltje: spelen op de man. Als amateur kan ik mij dit ook makkelijk permitteren. Het is dan ook niet verwonderlijk dat ik in mijn 6de partij van de Open Leuven 2012 met veel overgave voor de 4de keer dezelfde variant speelde tegen Benjamin Tonoli alhoewel het misschien praktisch niet de beste keuze was om het volle punt te behalen en optimale kansen te behouden op tornooiwinst. Om te begrijpen hoe de vork aan de steel zit, moet de lezer wel eerst eens het blogartikeltje een theoretisch duel in de svechnikov lezen.

De 6de ronde werd gespeeld 's ochtends en zoals vaak in ochtendpartijen kwamen heel veel spelers te laat. Je kon de paniek aflezen op enkele gezichten toen ze merkten dat we al aan zet 20 waren terwijl zij nog moesten beginnen. Het aanvangsuur was toch niet vervroegd? Nee na het bekomen van de schrik zag men dat wij op enkele minuten een halve partij al hadden gespeeld. De reacties over het theoretisch duel waren verdeeld. De ene zag er het einde in van het schaken terwijl de andere eerder verwonderd was. Ondanks de lange voorbereide openingsfase had de partij een verrassend hoge foutenlast wat te wijten was aan de hyperscherpe stelling die op het bord ontstond. Voor de toeschouwers was het smullen.
De rochade op zet 35 blijkt geen record te zijn wat ik o.a. terugvond op de website van Tim Krabbe. Daar werd zet 48 opgegeven als record maar voor zwart. Een leuk ideetje zou eens zijn om te weten wat het record is voor een lange witte rochade. Ik heb geen chessbase dus misschien voelt iemand zich geroepen om die oefening eens te maken.

Of je nu speelt met een wetenschappelijke aanpak of niet, het maakt weinig uit zolang je zelf tevreden bent over wat je haalt uit het schaken. Zelf sta ik klaar om met Benjamin Tonoli een 5de keer de wapens te kruisen in deze variant want ik geloof dat er nog steeds muziek in zit. Afwachten of het lot en uiteraard ook Benjamin er ook zo over nadenken.

Brabo

7 opmerkingen:

  1. Ik heb wel partijen gevonden waarin wit later rocheerde, maar dat waren neppartijen - beiden speelden eerst talloze malen hun paarden heen en weer.
    In Zemerov-Molnar, HUNchT2 1994 rocheerde wit op de 48e zet - en won (ik vind dat die voorwaarde er eigenlijk bij moet).

    http://chesstempo.com/gamedb/game/402678

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Er is ook nog Lebeda-Erben, Württenberg 2005, maar ik kan die partij niet helemaal serieus nemen.

    http://www.365chess.com/search_result.php?submit_search=1&eco=C50&wid=179220

    Niettemin is mat op de 56e zet middels de korte rochade opmerkelijk.
    Voor de lange rochade kom ik niet verder dan de 37e zet in Luettich-Gohlisch, Pinneberg 1998.

    BeantwoordenVerwijderen
  3. MNb, bedankt voor het opzoekwerk van deze leuke weetjes.

    BeantwoordenVerwijderen
  4. Naar mijn gevoel heb je 2 stromingen in schaken.

    Enerzijds de lijn Botwinnik-Fischer-Kasparov, waarbij de opening een belangrijk deel van hun succes was. Botwinnik tilde openingpreparatie naar een "wetenschappelijk" niveau. Fischer verfijnde die aanpak en paste die toe op een redelijk beperkt repertoire. Kasparov verbreedde die aanpak (denk aan zijn aanpak van het Schots en het Evans Gambiet).

    Anderzijds heb je de lijn Karpov-Kramnik-Carlsen, waarbij de focus eerder lag op de fases na de opening.

    Dit is geen zwart-wit beeld. Botwinnik, Fischer en Kasparov waren ook absolute monsters in de andere fases van een schaakpartij maar ze probeerden hun wil al van de opening op te leggen. En Karpov, Kramnik en Carlsen zijn zeker geen doetjes op openingsvlak, anders zouden ze ook niet de wereldtop hebben bereikt. Maar hun doelstellingen in het begin van partij zijn vaak subtieler dan de eerste groep.

    Ik denk dat Carlsen een goede kans maakt om in de nabije toekomst wereldkampioen te worden. Ik ben vooral onder de indruk van het feit dat hij vaak er in slaagt om stellingen beter te doorgronden dan zijn sterke tegenstanders. Objectief staat hij vaak niet beter maar zijn tegenstanders hebben vaak niet door dat ze in de fout gaan.

    BeantwoordenVerwijderen
  5. Ik heb de boeken Kasparov - Karpov gelezen en Karpov was in zijn betere jaren zeker niet de mindere op openingsgebied dan Kasparov. Kramnik durft al eens een vierpaardenspel boven halen vandaag (zie: http://schaken-brabo.blogspot.be/2012/09/schots-vierpaardenspel.html) maar zulke frivoliteiten zag ik hem niet doen 10 jaren geleden. Kramnik is m.i. beïnvloed door Carlsen. Het is te kort door de bocht om te stellen dat er een lijn Karpov-Kramnik-Carlsen is. Carlsen is het begin van iets nieuws alhoewel ik wel toegeef dat er pioniers bestaan zoals Ivanchuk en Short die al jaren eenzelfde filosofie toepassen.

    BeantwoordenVerwijderen
  6. Kramnik heeft toch de Berlin defense herondekt. Nu speelt bijna elke topper dat. Voor zijn match tegen Kasparov werd dat als totaal niet relevant bevonden.

    BeantwoordenVerwijderen
  7. Ik begrijp niet wat de Berlijnse verdediging te maken heeft met een stroming.
    Het klopt dat Carlsen het Berlijns ook af en toe speelt maar Carlsen speelt dezelfde opening op een totaal andere wijze dan Kramnik.
    1 voorbeeldje om mijn stelling te illustreren: http://www.chessvibes.com/reports/london-r6-carlsen-also-beats-polgar-anand-blunders-mcshane-beats-jones In deze Berlijnse partij Aronian - Kramnik zie je duidelijk de superieure openingskennis opgebouwd door een wetenschappelijke aanpak van Kramnik.

    http://www.chessbase.com/newsdetail.asp?newsid=7847 In de Berlijnse partij Caruana - Carlsen zie je helemaal geen superieure openingskennis maar een typische Carlsenpartij die compliceert en ontsnapt.

    Het is slechts 1 voorbeeldje maar we zien heel duidelijk ondanks dezelfde opening en hetzelfde resultaat dat er een enorm verschil is in aanpak tussen Kramnik en Carlsen. Je kan m.i. dus beide spelers zeker niet beschouwen in eenzelfde stroming.

    Toevallig zal mijn volgend artikeltje gaan (o.a.) over eenzelfde openingen gespeeld door totaal verschillende spelers.

    BeantwoordenVerwijderen