zondag 12 augustus 2018

De grootste schaakbelg

Een tijdje geleden (eerste helft 2018) rondde de Nederlandse schaakjournalist Johan Hut een interessante reeks af op schaaksite.nl: een top veertig van de Nederlandse schakers (aller tijden). Zie Top 40 nederlandse schakers 1 Max Euwe.  Niet verwonderlijk was Euwe (WK tenslotte) nummer één, en Jan Timman nummer twee. Drie was Giri, vier Van Wely en vijf Donner. Een redelijk correcte top vijf lijkt me.

Enkele jaren terug was het de “mode” om de grootste Belg / Nederlander / Duitser / … te verkiezen in een TV-format. Dat werd in elk land anders gedaan en natuurlijk was ook deze verkiezing een momentopname. In België won Pater Damiaan (voor de niet-Belgen: een pater die in de tweede helft van de 19de eeuw op Molokai (Hawaii) voor melaatsen ging zorgen en er uiteindelijk ook zelf aan melaatsheid overleed), met sterke ruggensteun van de bekende Belgische strafpleiter (en mediafiguur) Jef Vermassen. Tweede (en die had mogen winnen vond ik) was Paul Janssen, een geniaal arts en farmacoloog (en goed amateurschaker), die de wereld een reeks nuttige (denk aan Immodium) geneesmiddelen schonk, en Janssen Pharma uitbouwde tot het uiteindelijk werd overgenomen door Johnson & Johnson.

Maar dit terzijde. De top-40 van Nederlandse schakers deed me nadenken over wat een top-30 zou zijn voor Belgische schakers. Een top-40 heeft weinig zin, omdat het dan een veel subjectievere keuze tussen min of meer gelijkwaardige spelers zou worden. Kijk maar eens naar de lijst van Belgische kampioenen en vooral de periode tussen 1960 (na de suprematie van O’Kelly) en 1980 (toen we met Meulders en Jadoul terug een paar “veelwinnaars” kregen). In die “tussenperiode” slaagde niemand erin om het NK te domineren. België was toen een land met spelers die dicht tegen IM-niveau aan zaten, maar had een brede top en nog geen schaakcultuur. Daarnaast mogen we niet vergeten dat slechts enkele van onze topspelers kans maken op een plaats in de top 20 van Nederland. Een top-50 of top-40 van Belgen zou daarom een beetje belachelijk zijn tegenover een top-40 van Nederlanders.

Hoe stel je zo’n top samen? Vooreerst zijn er de “usual suspects”: mensen met (veel) titels of zeer aansprekende resultaten aan of naast het bord. We denken aan O’Kelly (WK cr), Boey (zilver in WK cr en expert in twee openingen), Colle en Koltanowski, Dunkelblum. Ook Winants en Michiels (OTB grootmeesters) en OK, neem Gurevich, Chuchelov en Dgebuadze er dan ook maar bij. Dan (ik ga er snel door) de (recente) subtoppers: goede IM’s (of gelijkwaardig) zoals Meulders, Jadoul, Cekro, Hovhanisian, Van der Stricht, Ringoir, Dutreeuw. Dan enkele oude namen die zeker niet overwogen moeten worden: Limbos, Gobert, Devos, Dyner of Ambuhl.

En wat met Rubinstein: telt die mee? – hij heeft nauwelijks “voor België” gespeeld (en nu we toch op die piste zitten, netzomin als kapitein Evans, die ooit in Oostende begraven lag). Laten we die er maar uitlaten, het moeten minstens schaakbelgen zijn. Gewoond hebben in België, of over een Belgische rating beschikken, omdat je enkele partijen in IC hebt meegespeeld, is niet genoeg. Je moet minstens onder Belgische vlag hebben gespeeld.

Scope en boundaries zijn één ding – wat met het evaluatiecriterium: wat bepaalt “grootsheid”? Mijn voorstel is: een mix van 1) goede resultaten gedurende langere tijd, en 2) een zekere uitstraling / reputatie naast het bord, hetzij door bestuurlijke functies, hetzij door publicaties, hetzij door andere acties die een positieve uitstraling hebben op de Belgische schaakwereld. Een klein probleem is dat er vroeger naast het NK (enkel voor Belgen), ook een kampioenschap van de Belgische schaak-federatie was, dat open stond voor buitenlanders. En om het helemaal leuk te maken: beide kampioenschappen hadden onderbrekingen, zodat het tellen van titels (als criterium) niet eenvoudig is. Voor de eenvoud beschouw ik beide titels als min of meer gelijkwaardig.

Dus we zitten met een korf leuke namen. Omdat het in één artikel wat te uitgebreid zou worden, geef ik alvast mijn (voorlopige) top-10, op het gevaar af meteen correcties of aanvullingen te krijgen. Mocht dit een “thread” worden, dan ga ik er graag dieper op in (al dan niet met een andere volgorde volgens input van reacties – zelfs ik (ahum) heb de waarheid niet in pacht  ).

1) Alberic O’Kelly de Galway: wie doet beter dan een grootmeestertitel, goud op een WK cr, en arbiter zijn bij een hele reeks toptornooien en matchen, nog los van 12 nationale titels en goede prestaties in tal van tornooien? En dan nog eens schaakauteur, trainer en een eigen openingsvariant. Volgens Chessmetrics 2644 in januari 1957 en 27ste in de wereld begin jaren vijftig.

2) Edgar Colle: was hij nu wereldtop of niet? Zes nationale titels in een veel te kort leven, een eigen opening, winst in internationale tornooien, vóór wereldtoppers; individuele overwinningen op Euwe, Grunfeld, Bogoljubow, Stoltz, en zijn “onsterfelijke” aanvalspartij op O’Hanlon, het draagt allemaal bij tot de mythe van Colle, net als – jammer genoeg – zijn veel te vroeg overlijden. Chessmetrics geeft hem 2619 in december 1930 en een 14de plaats in de wereld.

3) Jozef Boey: zilver op een WK cr, openingsexpert in Jänisch/Schliemann en de Chigorin, vier nationale titels en dat alles als pure amateur naast een voltijdse job. Chessmetrics orakelt: 2584 in 1970 en een 163ste plaats begin 1971.

Dit lijkt een top drie niet niet makkelijk doorbroken gaat worden. Ter indicatie: naar alle drie zijn schaakclubs vernoemd, nog een indicatie van de impact die ze hebben nagelaten.

4) Luc Winants: lange tijd onze enige grootmeester, die dankzij een sterk schakende vader en enkele mooie tornooi-uitnodigingen, lange tijd als schaakprofessional top was van België, en zelfs eventjes de hoogst gerangschikte francofone schaker ter wereld. Ook nog auteur van één van de beste Belgische schaakboeken (Histoire des maitres belges). Alleen jammer dat hier slechts één nationale titel tegenover staat. Chessmetrics: 2593 en 155ste in de wereld in juli 1987.

5) Georges Koltanowski: de showman van het schaken, met een korte carrière in België, maar een grote in de USA – naast het bord wel te verstaan. Schreef 19.000 artikelen voor de San Francisco Chronicle, introduceerde het Zwitsers systeem in de US Open, werd voorzitter van de Amerikaanse schaakbond en uiteindelijk ook “Dean of American Chess”, de hoogste onderscheiding van de USCF. Chessmetrics geeft hem 2628 in maart 1936 en een 18de(!) plaats in april 1936 – dat is bij manier van spreken net onder het deelnemersveld van AVRO 1938!

6) Bart Michiels: van jeugdtalent naar grootmeester met een deelname aan Wijk aan Zee (het B-tornooi) en twee nationale titels, en dat allemaal naast zware studies en een full-time job. In deze moderne tijden is het moeilijk beter te doen, maar met wat extra nationale titels en / of tornooi-overwinningen zou hij nog op de lijst kunnen stijgen.

7) Richard Meulders: IM en acht nationale titels tussen 1978 en 1991. Jammer dat hij al in 2002 gestopt is (amper 51 jaar oud), er was nog “marge”.

Vanaf plaats 8 wordt het moeilijker, wegens keuze tussen een aantal gelijkwaardige spelers:  we hebben de ingeweken toppers Gurevich, Cekro, Dgebuadze, Hovhanisian, Chuchelov, en eerder nog van Seters en Soultanbeieff. 

8) Mikhail Gurevich: wereldtopper, één nationale titel, maar “te groot” voor de Belgische schaakscène, ondertussen uitgeweken naar de nieuwe schaakgrootmacht Turkije en occasioneel terug in België als schaaktoerist. Ooit nummer drie op de wereldranglijst, en zijn internationaal palmares is indrukwekkend, maar zijn impact op het Belgische schaakleven is te beperkt (hij was “slechts” 14 jaar schaakbelg). Niettemin, als we het enkel hebben over schaaksterkte, dan moet Gurevich altijd in de top tien staan. Moet hij hoger dan een achtste plaats? – misschien…

9) Michel Jadoul: lange tijd de nummer twee achter Winants, en zelf goed voor vier nationale titels; daarnaast ook bekend van enkele kleinere openingsvarianten, zoals het Portugees of een zijvariant in het Skandinavisch.

10) Victor Soultanbeieff: diverse nationale titels, maar een flitsende stijl en als amateur toch nog partijen afsnoepen van Europese toppers – je moet het maar doen; zijn boek “Guide pratique du jeu des combinaisons” is een prachtige bloemlezing van zijn combinatoir talent.

11) Alexandre Dgebuadze: drie titels, maar vooral een sterk speler die zijn plek gevonden heeft in België en trouw in België (en daarbuiten) actief blijft – vlak na de “periode Cekro” heeft hij het Belgische schaken nog verder versterkt, en daar mogen we hem dankbaar voor zijn.

12) Mher Hovhanisian: een natuurtalent – een natuurkracht; allervriendelijkst man met een scherpe, taktische stijl, die het de tegenstander continu moeilijk maakt. Dat hij net met zo’n aantrekkelijke stijl toch vijf nationale titels heeft veroverd, maakt het nog interessanter. Moest hij nu eens zo’n boek met eigen partijen neerpennen als Soultanbeieff, dan zet ik hem meteen in de top tien. Welke uitgever durft het aan?

13) Ekrem Cekro: vier nationale titels, en misschien de man die “het pad effende” voor andere allochtone schakers in België. Hij trok door zijn deelnames aan tal van tornooien en competities het spelpeil in België op, en de lokale toppers hadden een nieuw ijkpunt om zich op te richten.

14) Geert Van der Stricht: twee landstitels, waarbij zijn tweede titel in 2014 een mooie bevestiging was van zijn succes in 2003. Een onvermoeibaar schaker, met ook al publicaties bij New in Chess achter zijn naam.

15) Tanguy Ringoir: jeugdtalent, maar geeft nu de voorkeur aan zijn studies. Actueel top vijf in België met meer dan 2500 elo en drie nationale titels achter zijn naam. Nog altijd een grote belofte, maar er moeten wat meer schaakkilometers op zijn teller komen om de top tien binnen te komen.

16) Arthur Dunkelblum: IM, slechts éénmaal NK, maar desondanks een grote naam en maar liefst elf deelnames aan olympiaden.

17) Vadim Malakatko: zeer sterk speler, maar met een relatief lage impact op het Belgische schaakleven. Was wel een grote factor in de nationale interclubtitel voor Bredene enkele jaren terug. Maar hij moet wel enkele nationale titels veroveren om te stijgen in deze lijst.

18) Ronny Weemaes: Belgische schaaklegende met een indrukwekkend Belgisch palmares (hij had/heeft een website met al zijn titels in diverse categorieën en dat zijn er nogal wat), maar ook met bekendheid tot ver buiten de grenzen, want hij ging vaak naar het buitenland om tornooien te spelen.

19) Robert Willaert: vijf titels, maar vooral een landelijke reus – internationaal kon hij zich niet manifesteren / vrijmaken (?)

20) Jef Coolen: sterk speler, maar vooral een zeer sterk correspondentiespeler – na O’Kelly en Boey misschien de derde Belg aller tijden op dit vlak.  Limburgse grootheid, jammer genoeg veel te vroeg overleden.

Dat is een top-20 waarmee we kunnen leven, niet? Of ontbreken er namen – namen die ik misschien wel tussen 20 en 30 heb gezet – of zelfs daar niet?

21) Paul Devos: vocht diverse NK’s uit met O’Kelly, en kwam er lang niet altijd als verliezer uit. 

22) Frits van Seters: domineerde het kampioenschap van de Belgische Schaakbond tussen 1960 en 1970, schreef ook een boek, en was een tijdlang top drie in België.

23) Paul Limbos: vooral bekend van zijn winstpartijen tegen Humphrey Bogart, maar zijn werk in Congo hield hem lang buiten België en inactief op schaakvlak. Wanneer hij dan toch eens in België terug was, bleek meteen hoe sterk hij wel was.

24) Jos Gobert: twee nationale titels in het O’Kelly tijdperk – dan ben je geen kleine jongen meer. 

25) Stefaan Docx: topper, die door hard werken nog een goede 100 elo heeft weten te winnen op “latere leeftijd” en zo de “2300-muur” heeft weten te passeren (ik merk dat talrijke jonge spelers puur op talent relatief gemakkelijk tot 2300 elo halen, maar dan stagneren, wegens gebrek aan tijd, goed studiemateriaal, een goede coach of gewoon te weinig wil om verder te groeien.

26) Steven Geirnaert: toptalent uit Brugge, die zich geleidelijk aan heeft weten naar boven te werken uit die talentvolle groep aldaar. Openingsexpert en harde werker – kan zeker nog stijgen op deze lijst.

27) Robert Lemaire: topper uit de naoorlogse periode, ex-aequo eerste met O’Kelly in het NK van 1946 (hij verloor de play-off wel met 4-0). Speelde 1-1 gelijk op bord 2 tegen Prins in een interland tegen Nederland in 1947. Nog in 1979 speelde hij mee in het NK (in Gent) – dat is dus een verblijf van meer dan dertig jaar in de Belgische top. 

28) Bernard De Bruycker: goed, misschien geen absolute topper, maar toch één van de eerste Belgische schaakprofessionals. Schaker in hart en nieren, boegbeeld van de KGSRL, levend schaakgeheugen van België, eigenzinnig schaker, met enkele “Prins-achtige” openingsvarianten op zijn naam. Wat hij aan schaaksterkte misschien tekort komt tegenover anderen in dit lijstje, maakt hij ruimschoots goed op vlak van impact – levende legende.

29) Pieter Claesen: het leek eer even op dat de opvolging voor Winants eraan zat te komen met de Claesen-broers, maar hoewel Pieter door de 2400-grens ging, kon hij niet verder doorzetten zoals Bart Michiels en Tanguy Ringoir later.

30) Robert Schuermans: misschien de Antwerpse tegenpool van Bernard De Bruycker. Onvervalst aanvalsspeler, zet altijd het bord in vuur en vlam en is hiermee misschien ook de geestelijke broer van Luc Henris, die ik hier (onterecht?) niet heb opgenomen.

Ik heb zeker namen vergeten, dus aanvullingen mogen zeker komen. Van sommigen kon ik de impact moeilijk inschatten, zoals Beyen en andere figuren uit het naoorlogse tijdperk. Iemand als de onlangs overleden eindspelcomponist Roger Missiaen kon ik ook moeilijk inschatten – zelfs de uitstekende site van Nikolaas Verhulst (belgianchesshistory) bevat ook niet alles. Daarnaast is deze top Vlaams gekleurd – ik heb te weinig zicht op het schaakleven in Brussel, Luik of Wallonië tout-court, dus namen als die van Pascal Vandevoort, Luc Henris, of spelers uit het kruim van de francofone top in de jaren 30-60 moeten misschien opgewaardeerd worden. Dan denk ik aan spelers als Ambuhl, Barzin, Dyner, Gustaaf Somers, Schumacher, Pergericht, Sammy Rubinstein, Raymond Soly, Frits Van Lennep, Gustave Pepers, Jozef Mollekens, Hendrik Wostyn, Alain Defize … Wie ik er doelbewust niet ingezet heb, is de heel jonge generatie – die moeten zich ook nog bewijzen “naast hun elo”: het volstaat niet om (even) meer dan 2300-2350 elo te hebben, om een plaats in deze top te krijgen. Dit is tenslotte een top aller tijden, en op basis van tien goede jaren kom je er niet in - tenzij je Colle of Gurevich heet.

Zoals gezegd, ik ben een lijstjesfan, dus ideeën voor andere lijstjes mogen gerust (beste Belgische partij, beste vrouwelijke schaker, beste Belgische schaakboek, … ).

Ter ere van de onlangs overleden Ronny Weemaes, volgend partijtje dat volgens mij niet in databanken zit. Ik heb de partij uit een oude Europe Echecs.
HK5000

donderdag 2 augustus 2018

Tactiek deel 3

Op de blog heb ik meerdere malen geschreven over de inspanningen die ik maak om mijn zoon te laten schaken. Hierdoor blijft er weinig vrije tijd over om zelf serieus te schaken. Het is een investering in de toekomst want ik schat binnen 2-3 jaar dat er voor mij beterschap zal zijn. Trouwens vandaag ontvang ik al de eerste dividenden. Hugo snapt steeds meer over het schaken waardoor ook onze gesprekken interessanter worden. Zo toont hij oprechte nieuwsgierigheid naar mijn gespeelde partijen waarbij hij met eigen ideeën op de proppen komt of enkele markante opmerkingen heeft over bepaalde zetten.

Zo was hij het laatst oneens over mijn gekozen strategie in een cruciale stelling van ronde 2 in Open Gent. Ik was volgens hem een angsthaas door niet de winnende zet te kiezen wanneer je de variant net niet helemaal kunt doorrekenen. Zijn logica is dat je er gewoon op moet vertrouwen dat je na enkele zetten spelen wel alles zult kunnen doorrekenen. Hij heeft een punt natuurlijk als we kijken naar onderstaande variant die ik in de partij uitrekende. In de slotstelling is de winst makkelijk te zien.
Hugo staat zeker niet alleen met deze visie zie commentaren van enkele sterke schakers op mijn artikel tactiek deel 1. Ook zij zijn van mening dat je niet alles op voorhand hoeft te zien. Een beetje rekenen en gezond verstand hadden mij moeten overtuigen om de winnende voortzetting te kiezen. Echter ik ben niet overtuigd want dit voelt eerder als ik wist het wel. Achteraf is het altijd makkelijk praten over hoe een andere zet tot betere resultaten had geleid. Trouwens ik kan hier uitzonderlijk zelfs bewijzen dat de winnende zet spelen nog geen enkele garantie had opgeleverd om effectief ook de winnende lijn te vinden. Puur toevallig vond ik een partij terug met exact dezelfde stelling in de megadatabase. In die partij speelde de Qatarees Mohammed Al-Sayed met wit de juiste zet maar week 2 zetten later alsnog af van de hoofdlijn.
Hij had toen een rating van 2486 elo. Vandaag is hij grootmeester dus zeker geen prutser. Ik bedoel als hij al de kritieke lijn niet vindt na het spelen van de beste zet dan is het wel erg kritisch om mijn gekozen voortzetting als laf te beschouwen. Ik denk mijn terughoudendheid was niet misplaatst. Daarnaast slaagt niemand erin om alles door te kunnen rekenen. Ik ben in goed gezelschap want vorige week vond Magnus ook niet dat er hem iets te verwijten viel toen hij zijn meesterwerk niet kon voltooien. Achteraf zei hij : "De hele stelling schreeuwt om 20.Lg5 maar als je geen mat ziet..."

Ik geloof vandaag rotsvast dat je eerst en vooral beslissingen moet maken op basis van concrete kennis. Dus ik ben een aanhanger van uren zwoegen aan het bord om talloze varianten uit te rekenen. Intuïtie is leuk maar competitieschaak laat weinig marge toe om te gokken. De beste stuurlui staan aan wal en dat is vandaag zeker het geval met alle beschikbare elektronica om onmiddellijk blunders te kunnen detecteren.

Natuurlijk zijn er uitzonderingen waarin een gokje zeker te overwegen valt. Zo denk ik aan slechte stellingen zonder perspectief. Een gok kan dan wel de kansen doen verbeteren. Of wanneer een half punt onvoldoende is gezien de omstandigheden. Solide spel kan dan minder winstkansen opleveren dan chaotische zetten spelen. Schaken is geen casino-spel dus gokken houd je best voor die enkele speciale situatie.

Brabo

zaterdag 28 juli 2018

De grote ontsnapping

Eerste ronde(n) in een open tornooi zijn vaak nutteloos. Het gigantisch eloverschil zorgt ervoor dat de meeste partijen eenrichtingsverkeer zijn waar geen van beide spelers lol aan heeft. De sterkere speler wint te gemakkelijk om ervan te genieten. De zwakkere speler wordt zo hard weggespeeld dat het zelfs onbegonnen werk is om er lessen uit te trekken. Kortom zoals ik al beschreef in de favoriet heeft honderden punten meer, valt het zeker te overwegen om dit soort partijen te vermijden. 

Net daarom wordt in sommige tornooien door organisatoren gekozen voor versnelde paringen in de eerste ronden. Sterkere spelers krijgen tijdelijk extra paringspunten bij de start volgens hun rating waardoor spelers veel sneller interessante partijen kunnen spelen. In de worldcup wordt bij de eerste ronde-paringen gebruikgemaakt van een omgekeerde onderste helft zie WorldCup2017Regulations.pdf waardoor spelers in het midden van de tabel onmiddellijk zwaar aan de bak moeten tegen evenwaardige tegenstanders. Willekeurige paringen is een andere controversiële mogelijkheid die recent werd getest in de open van Isle of Man. Dit bracht zelfs een verrassende top-affiche Isle of Man open 1st round: Caruana-beats-Kramnik.

Desalniettemin elopunten zijn geen exacte wetenschap. Blunders gebeuren zelfs bij de allerbeste dus is het altijd uitkijken wie de schlemiel wordt in de eerste ronde. Welke favoriet maakt zichzelf belachelijk door onderuit te gaan tegen een veel lager gekwoteerde tegenstander (vaak is het verschil groter dan 500 elo)? Ik kon de dans tot nu toe goed ontlopen maar daar kwam in mijn laatste open bijna verandering in. Eerlijk gezegd voelde ik de bui al op voorhand hangen. Ik had geen officiële wedstrijd meer gespeeld sinds de laatste ronde van de Belgische interclub dus april (het is erg moeilijk voor mij om interessante wedstrijden te kunnen spelen die bovendien in mijn agenda makkelijk ingepland kunnen worden zie inactiviteit). Daarnaast had ik een paar minuten voor de partij opgemerkt dat mijn tegenstandster Sarah Dierckens, de Ponziani op haar repertoire had staan. Nu heb ik op mijn blog aangetoond dat de opening onder druk staat maar dat vergt wel een stukoffer dat naar zeer wilde complicaties leidt. Ik zag de Belgische FM Roel Hamblok bedenkelijk kijken naar wits openingskeuze maar eigenlijk volgt wit exact 1 van de beste strategieën tegen een hoger gekwoteerde tegenstander. Creëer grote complicaties waar geen van beide nog iets van snapt zie Hoe winnen van een sterkere speler?

Het is vaak moeilijk om te bepalen waarom het exact mis ging. Ik weet wel dat mijn kolossale blunder werd veroorzaakt door een enorme hallucinatie maar hoe en het waarom van die hallucinatie blijft een raadsel. Ik was natuurlijk achteraf opgelucht deze keer wel ontsnapt te zijn in tegenstelling met eind vorig jaar zie comebacks deel 3. Zonder de nodige medewerking lukt zoiets in geen geval. Lang zag het er evenmin uit dat ik zou ontsnappen want het duurde uiteindelijk meer dan 20 zetten vooraleer ik de bordjes kon verhangen. In meer dan 20 jaar competitie is dit mijn langste ontsnapping.
Normaal is een stuk extra steeds makkelijk gewonnen maar dankzij de centrale ongemakkelijke positie van de witte koning, kon ik blijven zoeken naar trucjes. Voor zover mogelijk vermeed ik afruil en misschien hebben mijn recente ervaringen in handicapwedstrijden tegen mijn dochter Evelien (zij is recent ook beginnen schaken) ook geholpen. In elk geval de ontsnapping is op zijn minst even verrassend als dat ik verloren kwam te staan.

Natuurlijk zijn dit soort comebacks bij beginners schering en inslag. Zij blunderen voortdurend materiaal waardoor een partij soms de meest gekke sprongen maakt. Echter bij ervaren tornooischakers is het iets zeer zeldzaam. Een record is mijn ontsnapping zeker niet. Zowel niet in lengte als in grootte. Nee in vergelijking met onderstaande partij is het slechts een flauw afkooksel. Jawel die partij werd gespeeld op een standaard tempo waarin beide spelers voldoende tijd hadden op de klok. Bovendien is wit echt geen beginner: James Burden, een Amerikaanse expert met 2100 elo.
Niets moeilijker dan een gewonnen partij effectief te winnen (quote van Emmanuel Lasker). Nu ik denk niet dat Sarah mij onderschat heeft nadat ze gewonnen stond. Ze bleef kalm spelen en ving lange tijd al mijn wanhopige pogingen op. Misschien was ze zelfs iets te kalm want hierdoor miste ze mijn snelle switch van de torens naar de c-lijn. In elk geval het is mij onduidelijk hoe wit het anders had aan boord moeten leggen om te winnen. Technische fouten zijn nu eenmaal gelinkt aan iemands sterkte en dus onvermijdbaar in complexe situaties. Ik had het geluk dat er net voldoende problemen overbleven om te ontsnappen.

Brabo

zaterdag 21 juli 2018

(Geen) spijt

Een paar artikels geleden kondigde ik enkele schaakkampen in België aan voor onze jeugd. Mijn zoon Hugo nam deel aan die van schaakinitiatief Vlaanderen die ondertussen alweer meer dan een week geleden eindigde. Het werd een schot in de roos voor zowel de organisatie als de deelnemers. Ik heb enkel positieve geluiden gehoord en gelezen want ook de dagelijkse fotoverslagen van de activiteiten waren zeer aangenaam voor het thuisfront. Onderstaande foto vat het kamp wellicht het best samen.
Een mega-springkasteel op het schaakkamp
Bron: http://schaakinitiatief.blogspot.com/


Het was superleuk, groots en goed georganiseerd. Mijn zoon wou dat het langer had geduurd en wil volgende keer zeker weer meedoen. Ik vermoed dat de organisatie best enkele extra begeleiders aantrekt voor volgende editie want het zou wel eens een stormloop kunnen worden. Meerdere kampen per jaar lijkt mij ook zeker interessant voor de jeugd maar ik weet niet of dit allemaal wel haalbaar is voor de organisatie.

Ja onze jeugdschakers hebben een luxe-leventje. Dat bestond allemaal niet in mijn tijd. Bovendien kwam ik pas heel laat met het competitie-schaak in contact. Wie weet hoeveel verder ik had gestaan in het schaken mits de condities toen anders waren geweest? Het heeft natuurlijk geen zin om hierover te jammeren. Het verleden kan je niet veranderen en bovendien heb ik nooit een keuze gehad.

In onze partijen maken we wel voortdurend keuzes en die leiden natuurlijk niet altijd naar het gewenste resultaat. Meestal kunnen we daarmee leven maar af en toe knaagt het zeker als we een keuze hebben gemaakt die gegarandeerd tot een minder resultaat heeft geleid. In onderstaande partij verkoos mijn veel lager gekwoteerde tegenstander de aangeboden zetherhaling te vermijden maar daarna kreeg hij het deksel op de neus.

Wits voordeel was klein dus sowieso bleef er een groot risico bestaan dat ik als sterkere speler alsnog de partij zou winnen. Anderzijds is het onzin om spijt te hebben over de gemaakte keuze. Als je beter staat dan moet je geen remise nemen zelfs al is je tegenstander de sterkere speler. Je hebt in vergelijking met het begin van de partij een veel betere kans om te winnen. Het is veel grotere onzin om het spelletje te spelen met slechts als doelstelling remise.

Daarnaast doe je jezelf als speler geen gunst op lange termijn door snel remise te maken. Wil je als speler optimaal ontwikkelen dan moet je jezelf transformeren als een gladiator van het schaakspel. Dit kan je niet leren uit schaakboeken. Nee slechts door in elke partij alles te geven en dus bereid te zijn om te sterven op het schaakbord, krijg je de waardevolle praktische vaardigheden van een gehaaide tornooischaker.

Mijn zoon Hugo weet ondertussen dat ik hem liever zie verliezen dan een makkelijk remise te nemen. Dat leidt soms wel tot gekke taferelen zoals eind vorig jaar in de interclub. Zijn ploegkapitein kon zijn ogen/oren niet geloven toen Hugo remise weigerde in een verloren stelling tegen een 300 punten hoger gekwoteerde tegenstander. David tegen Goliath in het kwadraat maar natuurlijk geen happy ending.

Hugo werd kansloos van het bord gezet. Zonde van het halve punt zullen sommigen zeggen maar ik vond het een unieke kans om iets aan te leren. Zo had Hugo toen niet door dat hij eigenlijk al compleet verloren stond (wellicht ook zijn 300 punten hoger gekwoteerde tegenstander niet want anders had hij geen remise voorgesteld). Bovendien weet ik uit ervaring dat harde lessen altijd de beste zijn. Niemand houdt van verliezen en dus ben je meer bereid om dan te luisteren naar advies.

Trouwens van uitstel komt geen afstel. Met deze vechtersmentaliteit krijg je sowieso nieuwe kansen later in andere partijen. Dit gebeurde al heel snel want 6 maanden later in de Open van Maastricht stuntte hij 2 maal tegen spelers met meer dan 300 punten meer. Eenmaal won hij maar ik vind zijn remise knapper tegen de Belg Marc Van Stiphout.

Dat ik hiermee aantoon dat we altijd moeten doorspelen, is ook niet juist. Als je op het punt staat om op te geven dan moet je natuurlijk ook een cadeau niet weigeren. Daarnaast zijn er ook situaties waarin een half punt belangrijker is dan doorspelen. Ik denk bijvoorbeeld aan de tornooioverwinning met bijhorend prijzengeld, een titel van een kampioenschap, een teamoverwinning.

Uiteindelijk is het dus een kwestie van een doordachte keuze te maken. Spijt is daarna overbodig want er was toen geen betere informatie beschikbaar. Net daarom kan ik veel schakers niet begrijpen waarom ze toch maar niet de moeite doen om hun eigen partijen kritisch achteraf te bekijken. Pure tijdverspilling vind ik het om steeds opnieuw dezelfde (openings-)fouten te maken.

Brabo

dinsdag 19 juni 2018

Minachting

Eerder dit jaar schreef ik dat het een grote fout zou zijn om Stockfish naar de prullenmand te verwijzen na zijn nederlaag tegen Alpha Zero (zie analyseren met de computer deel 3). In het voorbije TCEC seizoen 11 werd voor iedereen duidelijk dat het programma in de nabije toekomst nog steeds een zeer belangrijke rol voor het schaken zal spelen. Eerst kwalificeerde Stockfish zich voor de superfinale met 7 punten voorsprong op de nummer 2 Houdini. Daarna zagen we een zeer opmerkelijke in deze tijd van zeer geadvanceerde programma's eenzijdige superfinale. De overtuigende eindoverwinning van Stockfish op Houdini met 20 overwinningen tegen slechts 2 nederlagen (verder alleen maar remises) was er eentje die we in het laatste decennium niet meer hadden ontmoet.

De suprematie van Stockfish kwam misschien nog het meest tot uiting in de dubbele overwinning tijdens de superfinale wanneer de Mar del Plata variant van het Koningsindisch moest worden gespeeld. Eerst won Stockfish met wit.
Daarna zoals alle gekozen openingen in de superfinale, werden de kleuren verwisseld voor de programma's (zo wordt zeker geen programma bevoordeeld door de openingskeuze). Opnieuw won Stockfish dus deze keer met zwart.
Achteraf was er natuurlijk heel wat speculatie hoe Stockfish zoveel vooruitgang op relatief korte tijd heeft kunnen maken. Hierbij werd al snel de focus gelegd op een nieuw parameter van Stockfish: de contempt-factor of vertaald naar het Nederlands: minachting. Dit vergt meer uitleg. Vooreerst nieuw is die parameter helemaal niet. Een contempt-factor bestaat al heel lang maar pas recent hebben de programmeurs van Stockfish beslist om er intensief gebruik van te maken. Het voordeel is ook bijlange niet altijd duidelijk. In het vorige TCEC seizoen maakte Stockfish iets te veel remises tegen zwakkere programma's zodat het de superfinale miste. Als remedie werd het programma voor het nieuwe seizoen aangepast om zetten te spelen die ruil zoveel mogelijk vermijden dus langer de spanning in de stelling houden en zo meer kansen creëren op fouten. Dus af en toe worden zetten gespeeld die Stockfish niet als beste beschouwt binnen een bepaalde marge (bepaald door de contempt) om meer winstkansen te behouden. Deze strategie is trouwens welbekend en aanvaard onder schakers zie mijn artikel spelen op de man maar computerschaak is heel verschillend.

De winst op de zwakkere programma's mag niet ten koste gaan door verlies tegen de sterke programma's. Zo wordt tegenwoordig driftig geëxperimenteerd met een dynamische contempt i.p.v. een puur statische zie tests op Stockfish. Hierin wordt bijvoorbeeld de grootte van de minachting aangepast volgens de evaluatie van een stelling. Je kan afruil sneller toelaten wanneer het programma zijn stelling als slecht beoordeelt of net omgekeerd.

Computerschaak blijft zich dus verder ontwikkelen. Trouwens verwacht niet dat Stockfish in de toekomst alleen zal heersen. Zo was er vorige maand groot nieuws voor grote concurrent Komodo. Het programma werd opgekocht door chess.com zie nieuws en dat zal zeker weer een boost geven. Dit laatste blijkt al waarheid te worden in het lopende TCEC seizoen 12 waarin Komodo eerst al de kwalificatie won maar ook de superfinale begon met een overwinning op Stockfish.

Fans van computerschaak hebben dus zeker weer wat om naar uit te kijken. Echter computerschaak blijft desondanks een nichemarkt wat we vertaald zien in de aantallen bezoekers. Stockfish is vele honderden punten sterker dan de regerende wereldkampioen Magnus Carlsen maar toch worden Magnus partijen 1000 keer meer bekeken. Voor de modale schaker is de computer bijna uitsluitend een middel om een oordeel van een stelling te krijgen of ruimer genomen analyses te maken. Bijna iedereen kiest hiervoor het sterkste programma en daarbij is het dan ook nog mooi meegenomen dat vandaag toevallig dat programma dus Stockfish ook gratis is.

Echter wat weinigen weten is dat je met de laatste versie van Stockfish moet opletten in de analyse. De evaluaties zijn zonder de correcte interpretatie een stuk minder nauwkeurig dan eerdere versies van hetzelfde programma of t.o.v. andere topprogramma's. Dit komt door de contempt-factor die de evaluaties beïnvloedt. Wanneer wit afruil vermijdt door een zet dan wordt een bonus gegeven van 0,2 voor wit. Omgekeerd wanneer zwart afruil vermijdt wordt een negatieve bonus van -0,2 gegeven voor een zet. Dit geeft als vreemde effect dat de evaluatie zeker in de beginfase voortdurend op en neer gaat met bijna een halve pion zelfs wanneer er geen fouten worden gemaakt. Dit wordt heel visueel met een evaluatie-profiel gemaakt door de Fritz-interface op een partij waarin geen grote fouten werden gemaakt.
Stockfish 9 met contempt (10 seconden per zet)









Deze schommelingen in de eerste 20 zetten ontbreken wanneer we van dezelfde partij een evaluatieprofiel door de Fritz interface laten maken maar waarbij we de contempt van Stockfish verwijderd hebben. Onderstaande screenshot toont dit opnieuw heel duidelijk aan.
Stockfish 9 zonder contempt (10 seconden per zet)







Dit is ons normaal evaluatie-patroon die we als basis nodig hebben voor het commentariëren van partijen zie leestekens of om diepe openingsanalyses te maken zie schaakopeningen studeren deel 2. In de analyse willen we in de eerste plaats een objectief oordeel over hoe sterk de zetten zijn en niet welke zetten in computerschaak de beste winstkansen zullen geven.

De contempt of minachting uitschakelen kan door in de Fritz-interface naar de instellingen te gaan van Stockfish. Je moet enkel de contempt-waarde van 20 naar 0 resetten zie hieronder screenshot.
Stockfish parameters
Het enige probleem van deze oplossing is dat de Fritz-interface niet toelaat om de nieuwe instelling als standaard te bewaren. Dus telkens je Stockfish opstart, moet je het opnieuw doen. Dit is ok als je maar heel sporadisch een keertje Stockfish gebruikt maar als intensieve gebruiker is het erg vervelend. Op het internet ging ik dan ook op zoek naar een beter alternatief die ik uiteindelijk vond op stockfish 9 for analysis. Daar kan je een speciaal gecompileerde versie downloaden van Stockfish om te gebruiken in de analyse. Als je die versie gebruikt dan hoef je helemaal niet meer telkens de contempt-parameter op 0 te zetten.

Het is niet de enige beperking i.v.m. standaardinstellingen van de Fritz-interface. Zo slaag ik er niet in om het programma te laten onthouden geen naam van de commentator toe te voegen. Telkens ik de analyses bewaar, moet ik handmatig mijn naam verwijderen. Dit is slechts 2 seconden werk maar in een paar maanden tijd gebeurt het soms 1000 keer dus dan loopt het tijdverlies toch op.
Nog een ander tekortkoming is in de standaardinstellingen van de nieuwe toepassing automatische analyse van partijen gespeeld op playchess. Ik speel de laatste tijd weer heel wat blitz online (bij gebrek aan serieuze competitie). Echter wanneer ik de openingen van die blitzpartijtjes daarna wil checken met een schaakprogramma draaiende op de Fritz interface zie mijn artikel de (on-)zin van blitz, word ik steeds gestoord door pop-up schermen over tactische blunders gespot door de computer-trainer. Het is vandaag onmogelijk om die trainer definitief uit te schakelen.





Er bestaan vandaag andere interfaces dan die van Chessbase voor schaakprogramma's maar geen enkele kan op basis van functionaliteit concurreren. Chessbase heeft dus vandaag een absoluut monopolie en dit is zeker niet goed voor de eindgebruiker. Vandaag zien we dat de klemtoon uitsluitend ligt op steeds meer functionaliteit voor het brede publiek om hen te overtuigen nieuwe versies te blijven kopen van hun producten. Het optimaliseren van bestaande functionaliteit voor de weinig intensieve gebruikers (slechts enkele percenten van het klantenbestand) is financieel niet rendabel. Bovendien zijn weinig of geen van de Chessbase programmeurs vandaag actieve sterke tornooispelers zie o.a. interview met Matthias Wuellenweber in 2018. Professioneel schaken en programmeren valt dan ook bijzonder moeilijk te combineren.

Brabo

dinsdag 12 juni 2018

Vakantie deel 4

De zomermaanden staan voor de deur en dat is voor veel ouders met jonge kinderen een periode van extra stress. Zeker als je allebei fulltime werkt in de privé-sector dan moet je tijdig nadenken over hoe de kinderen deze maanden zullen doorbrengen. Persoonlijk is onze situatie nog extra uitdagend omdat we evenmin kunnen rekenen op familie. Als je dan ook niet wenst afzonderlijk verlof te nemen (deze keuze maakten mijn ouders waardoor ze uiteindelijk zeer weinig vakantie samen doorbrachten) dan moet je extern zoeken naar oplossingen voor een groot aantal vakantiedagen.

Concreet in ons geval zullen onze kinderen 5 weken van de schoolvakantie naar kampen gaan. Ja dat vind ik zelf ook waanzinnig veel en ik vermoed dan ook dat sommigen het geen goed voorbeeld van opvoeden zullen beschouwen. Ik had het liever ook anders gezien wat niet wil zeggen dat ik mijn eigen keuzes slecht vind. Zo zijn er ook wel duidelijk voordelen. Mijn kinderen vinden de kampen best ok. Er treedt snel verveling op wanneer men hele dagen thuis zit. Daarnaast bieden de kampen ook vaak mogelijkheden om zichzelf niet alleen te amuseren maar ook te ontwikkelen. Sport, taal, goochelen, creatief knutselen... zijn een greep uit de diverse interessante activiteiten waarvoor ze ingeschreven zijn.

Dit jaar hebben we ook voor het eerst actief op zoek gegaan naar schaakkampen. Zoon Hugo had hiervoor duidelijk zijn voorkeur getoond en uiteindelijk botsten we op 2 mogelijkheden in België: Schaakinitiatief Vlaanderen en Sportakampen. Hij wou beiden meedoen maar spijtig vielen ze samen (enkel het gevorderde schaakkamp van sportakamp was voor Hugo interessant) waardoor een keuze gemaakt moest worden. Ik vernam dat de meeste schaakvriendjes voor Schaakinitiatief Vlaanderen hadden gekozen dus volgden wij.

Een paar dagen geleden kreeg ik toevallig via gimme zelfs nog een nieuw aanbod voor een schaakkamp die niet samenvalt met de 2 vorige. Chessconsult biedt een combinatie aan van Frans en schaken in de regio van Dinant tijdens de eerste week van juli. In deze formule was zelfs mijn dochter zeer geïnteresseerd alleen komt dit voorstel gewoon veel te laat. De planning werd al opgemaakt in maart, noodzakelijk om zeker te zijn van plaats. Daarnaast zijn de kampen ook al betaald dus moeilijk of niet te annuleren.

Dus dankzij het schaakkamp zal mijn zoon Hugo tijdens de zomer als schaker actief blijven. Anderzijds we spreken hier slechts over 1 weekje dus erg actief is dit niet.  Echter hem meer laten spelen is niet vanzelfsprekend ondanks wat sommigen denken zie reactie op mijn artikel "hoeveel geld spendeer je aan het schaken".  Ja er zijn talloze tornooien tijdens de zomermaanden maar een goede ouder zal nooit een kind laten meespelen zonder er een garantie bestaat op permanente begeleiding. Dit is een enorme struikelblok voor de ontwikkeling van het Belgisch schaken waardoor slechts een handvol jeugdspelers uberhaupt de kans krijgen om zich te ontwikkelen. Er zijn bijna 400 aangesloten spelers in de categorie -10 maar slechts 7 die vandaag een vaste rating hebben dus 20 of meer officiële partijen gespeeld.
Categorie 10 jarigen


Jammer natuurlijk maar het is op 1 of 2 clubs na, ieder voor zich. Dus als ouder moet je normaal alles zelf regelen. Trouwens daarbij komt ook nog dat de meeste ouders niets van de schaakwereld afweten en dus informatie van tornooien moeilijk kunnen vinden. Geregeld krijg ik dan ook de vraag om tips te geven welke tornooien interessant kunnen zijn voor zoon/ dochter. Vakantiegidsen zijn er in overvloed maar de eerste schaakgids moet nog worden gemaakt.

Wel het is te zeggen er bestond er geen tot begin dit jaar want de Nederlander Rob Spaans zorgde voor een primeur met zijn Reisgids voor schaakliefhebbers. Eindelijk hebben we een gids die ons zal vertellen waar de sterkste schaaktornooien zijn, de leukste vakantiecombinatie schaken-andere bezienswaardigheden, de best georganiseerde jeugdtornooien, schaken op exotische bestemmingen,... Ik kocht het boek prompt aan en begon er onmiddellijk in te lezen.
Nu gelukkig wist ik op voorhand dat het inhoudelijk over iets helemaal anders gaat zodat ik helemaal niet teleurgesteld was dat tornooien zelfs niet eens aan bod komen. Nee, de titel is misleidend want het betreft uitsluitend locaties die je kan bezoeken waar schaakcultureel erfgoed kan worden bezichtigd. De auteur heeft honderden plekjes gevonden in Europa waar unieke vaak erg oude waardevolle schaakborden of schaakstukken staan of afgebeeld zijn.

Je moet een kunstliefhebber zijn en schaker om het boekje te kunnen appreciëren. Zelf vond ik het een zeer aangenaam werkje waarin duidelijk heel veel tijd is ingestoken. Het boek over Henry Bird leerde mij dat clubschaak begin 19de eeuw zijn eerste levenslicht zag en tornooien langzaam in de 2de helft van de 19 de eeuw populair werden. Daarentegen leerde mij de schaakgids dat schaken al veel eerder in Europa voorkwam dan ik zelf ooit had gedacht. Rob bewijst met meerdere voorbeelden dat schaken al in Europa gespeeld werd rond het jaar 1000. Dat is dus veel eerder dan de 16de eeuw van Ruy López de Segura en Gioachino Greco.

Spijtig is er geen enkele vermelding van schaakcultureel efgoed in België. Ja Rob beschrijft het hotel-restaurant Damier van Kortrijk en de wok-restaurants van chesscafe in Gent en Leuven omdat er schaakmotieven verwerkt zijn in hun design maar serieus kun je dat niet noemen. België heeft duidelijk niet de minste schaakgeschiedenis. Het verklaart wellicht deels waarom België tot op vandaag een schaakdwerg gebleven is.

De eerste schaakgids voor de tornooispeler moet dus nog worden gemaakt. Anderzijds is zulk project wel realistisch? Tornooien komen en gaan. De Open Gent waaraan ik wellicht weer deelneem is 1 van de weinige die we al enkele decennia zien doorgaan. Mijn eerste deelname dateert er al van 1993 dus 25 jaar geleden. Daarnaast zien we ook dat tornooien veranderen van gedaante. Het formaat wordt gewijzigd. Er wordt uitgeweken naar een andere lokatie. De datum verschuift. Ik bedoel zulke schaakgids zou in elk geval slechts een zeer beperkte houdbaarheidsdatum hebben.

Nee als een speler wilt zoeken naar tornooien dan gebruikt hij vandaag best de online beschikbare schaakkalenders. Wij volgen momenteel zeer nauwlettend World's Biggest Chess Tournament Calandar. Fide heeft ook zijn kalender met alle tornooien die zij erkennen zie fide tournaments. Daarnaast bestaan er ook nog heel wat kleinere kalenders zoals die van schaaksite voor tornooien in Nederlandstalig gebied: overzicht meerdaagse toernooien eind mei t.e.m. begin augustus 2018. Tja de geïnteresseerde zomerschaker raad ik dus aan om enkele van die kalenders eens te doorpluizen en dan nog is het mogelijk dat je een leuk tornooitje mist omdat ze er niet vermeld wordt. Het is een gedoe want hulpmiddelen zijn er zelden om gericht te zoeken. Trouwens je kijkt best naar alle condities van een tornooi om nare verrassingen te vermijden.

Ja ondertussen hebben we al enkele ideeën maar uit veiligheidsoverwegingen schrijf ik die niet op de blog. Er is niets handiger voor minder correcte figuren om op voorhand te weten wanneer iemand een schaaktornooi van meerdere dagen ver weg van huis zal spelen. Schrijf dus ook nooit op bv. facebook wanneer je op verlof bent tenzij het al voorbij is. Geniet van de deugddoende vakantie en veel schaakplezier.

Brabo

dinsdag 5 juni 2018

BJK deel 4

September 2016 begon ik met lesgeven in KMSK aan hun sterkste jeugdspelers zie de schaakmicrobe. Wekelijks wanneer er geen interclub is, tracht ik hen tijdens het schooljaar iets bij te brengen. Als leidraad volg ik de thema's uit de instructieboeken van stappen 5 en 6 maar de lesinhoud bouw ik volledig rond origineel materiaal. Hiervoor heb ik 2 belangrijke redenen. Mijn leerlingen zijn allemaal voldoende gevorderd als schaker om zelfstandig door de boeken van stap 5 en 6 te gaan. Trouwens sommigen hebben dit al gedaan. Daarnaast vind ik dat de thema's in die boeken vaak onvoldoende zijn uitgediept. Geregeld kan ik zelf nog heel wat extra vertellen of een les aantrekkelijker maken door te verwijzen naar de actualiteit zie bv. piondoorbraken. Dat laatste is geen overbodige luxe want gisteren werd ik nogmaals geconfronteerd met hoe weinig onze jeugdige schakers geïnteresseerd zijn in schaakgeschiedenis. Geen van mijn leerlingen had ooit gehoord van Efim Bogoljubov terwijl hij ooit bijna wereldkampioen was.

Vandaag na bijna 2 jaar lesgeven durf ik een balans op te maken. Enkele van de minder ambitieuze leerlingen zijn afgehaakt. Zij vonden het niveau te hoog en/of de werkdruk te veeleisend. Anderen vonden het dan net wel een pluspunt dat ik in mijn lessen moeilijkere en complexe thema's durfde aan te snijden. Dus je kan nooit voor iedereen even goed doen zeker in een heterogene groep. Desalniettemin ben ik in elk geval blij om te horen dat sommigen wel graag les bij mij volgen. Anderzijds ben ik natuurlijk ook erg benieuwd of ze dankzij mijn lessen uiteindelijk ook beter schaken. Wel ik mag zeker niet klagen over de successen van mijn leerlingen. Afgelopen 2 jaar behaalden ze 3 Belgische jeugdtitels (2 van mijn zoon en Deon Lee in de hoogste categorie), 2 Vlaamse jeugdtitels (opnieuw Deon en daarnaast Thijs De Bock) en tenslotte zijn er nog een resem ereplaatsen. Helemaal niet slecht vind ik als je werkt met slechts 5/6 leerlingen van eenzelfde club.

Recent zorgde mijn beste leerling Sterre Dauw voor misschien wel de grootste stunt door als outsider (slechts 9de op startrating) bij de volwassen het open kampioenschap van Vlaanderen te winnen zie klassementen. Sterre is mijn meest toegewijde en ambitieuze leerling wat je heel duidelijk aan zijn traject kunt zien van de voorbije (kleine) 2 jaren. Hij won maar eventjes 400 fide-elo zie onderstaande elocurve die ik haalde van chessgraph.
Zelf ondervond ik ook al laatst hoe sterk hij was geworden want in het rapidtornooi van Aalter moest ik als witspeler remise claimen om erger te voorkomen. Ik stelde hem daarom in de vorige les de vraag of mijn lessen nog wel zinvol waren voor hem. Ik heb nog ongeveer honderd fide meer en ik schat dat een leraar best minstens een 300 punten meer heeft. Sterre liet mij verstaan dat hij graag nog les bij mij zou willen blijven volgen. Enerzijds omdat ik er nog steeds in slaag nieuw dingen hem aan te leren. Anderzijds omdat het natuurlijk organisatorisch en financieel zeer moeilijk zoniet onmogelijk is om een trainer van 2400- 2500 elo aan te trekken. Tenslotte zijn mijn lessen nog steeds gratis en daarmee hoor ik een grote uitzondering te zijn als FM.

Heb ik mijn roeping als leerkracht gemist? Zoiets durf ik niet te stellen. Trouwens er bestaat geen enkel hard bewijs dat mijn lessen gelinkt kunnen worden aan de bordresultaten van mijn leerlingen. Misschien hadden ze het zelfs nog beter gedaan als ik mij niet men hen had gemoeid. Dit klinkt uiteraard vreemd maar zo voel ik mezelf grotendeels de schuldige in het falen van 2 leerlingen in de laatste ronde van het bjk. Ik begin met de partijvoorbereiding van mijn zoon Hugo. In de laatste ronde moest hij tegen de ongekwoteerde Duitser Matthias Heilligtag. Ik had gezien uit de eerdere ronden dat we meer dan waarschijnlijk de afruilvariant van het Spaans op het bord zouden krijgen dus maakte ik een eenvoudige strategie voor de partij klaar. Hugo zou alle stukken mogen/ moeten afruilen en dan makkelijk het resulterende pionneneindspel winnen. Zelfs de Nederlandse oud-wereldkampioen Max Euwe had al lang geleden aangetoond hoe dit pionneneindspel gespeeld moet worden zie hieronder.
's Ochtends hadden we samen door het pionneindspel gegaan dus Hugo begreep wat te doen. Echter de partij werd een debacle. Vooreerst was Hugo zo bezig met afruilen dat hij een elementaire winst al miste net na de opening. Vervolgens had hij niet door dat de pionnenstructuur na de opening afweek t.o.v. wat we bestudeerd hadden en dus het plan niet kon doorgaan. Tenslotte was Hugo zo hard bezig met afruilen dat hij uiteindelijk te passief speelde. De rest van de partij geef ik mee ter volledigheid maar is verder in dit verhaal niet belangrijk.
Mijn andere leerling Kobus Michielsen overkwam eenzelfde scenario in zijn partij tegen Parcival Rogge, spelend voor LSV. Ik had gezien dat Parcival al 2 keer eerder op het bjk tegen de versnelde Draak een systeem met c3 - Ld3 - Lc2 had gekozen en vermoedde dat hij dat ook wel eens zou durven spelen tegen andere Siciliaanse systemen. Kobus wou winnen met zwart dus kozen we een scherpe anti-dote op basis van onderstaande partij.
G5 ziet er natuurlijk riskant uit maar de topengines tonen aan in de diverse varianten dat zwart uitstekend tegenspel heeft. Nadat Kobus de raad meekregen had om nog eens met de computer alles te herhalen, leek het mij een aanvaardbare openingskeuze. In de partij ging het echter grondig mis. We kregen de voorbereiding op het bord maar Kobus zag niet dat er een belangrijk detail verschillend was wanneer hij g5 speelde. Wit had nog niet gerocheerd in tegenstelling tot onze analyses waardoor g5 natuurlijk averechts werkt. In de partij implodeerde Kobus.
Achteraf besef je dat je eigenlijk beide leerlingen door de voorbereiding naar een nederlaag geleid hebt. Zonder voorbereiding hadden ze zonder twijfel een veel betere partij gespeeld. Nu kregen ze niet eens de kans om hun speelsterkte te tonen en dat is jammer vooral in een laatste ronde van het belangrijkste jeugdtornooi op het jaar. Een geluk bij een ongeluk had Hugo want zijn concurrent verloor ook zodat hij alsnog de tornooi-overwinning kreeg (de Belgische titel had hij toen al).

In mijn vorig artikel toonde ik een succesverhaal van voorbereiden maar bovenstaande voorbeelden tonen ook de andere kant van de medaille. Jonge onervaren spelers zijn vaak niet in staat om te beseffen hoe belangrijk een ogenschijnlijk detail kan zijn voor de evaluatie van een stelling. Als men niet op tijd omschakelt van een bepaalde voorbereide strategie dan kan dit heel nare gevolgen hebben. Toch blijf ik erbij dat voorbereiden nuttig is zelfs voor kinderen. Leren schaken gebeurt nu eenmaal met vallen en opstaan. Nieuwe dingen niet durven aanleren omwille van verkeerde interpretaties zal op lange termijn niet renderen.

Brabo