zondag 15 september 2019

Schaakprogramma's testen

Tot enkele maanden geleden heb ik mij nooit bezig gehouden met het testen van schaakprogramma's. Ik zag het nut er ook niet van in. De testen en resultaten die CCRL wekelijks publiceert, zou ik toch nooit individueel kunnen benaderen. Bovendien is het kostenplaatje ook niet min om zoiets goed te kunnen uitvoeren. Tenslotte zijn de meeste computerpartijen allesbehalve opwindend om naar te kijken. Voor creativiteit en drama kijk je beter naar partijen tussen mensen.

Echter zoals ik in het vorig artikel al aangaf, zat ik met een open vraag voor Leela. CCRL noch andere sites boden een antwoord op hoe sterk Leela zou zijn in vergelijking met de klassieke programma's wanneer ze allebei dezelfde hardware zouden gebruiken. Dit was een probleem voor mij. Leela kan ik gratis installeren op mijn PC maar ik wou die slechts gebruiken voor mijn analyses als ik wist dat het programma zou behoren bij de beste 2 die ik bezat. Die zelf opgelegde regel  zie mijn artikel al daterend van 2012 zullen wellicht sommigen idioot vinden maar voor mij is het ergens een houvast om mijn analyses te kunnen vertrouwen in de bordpraktijk.

Dus ik besliste om Leela dan maar zelf te testen. Dan is natuurlijk de vraag hoe doe je zoiets snel, goed en liefst zo goedkoop mogelijk. Ik zou een set puzzels kunnen gebruiken maar dat toont slechts 1 aspect van een schaakprogramma. Partijen spelen leek mij beter maar ik kon/ wou evenmin mijn hardware missen gedurende meerdere maanden. Een rapidmatch met tempo 15 minuten + 10 seconden increment over 100 partijen leek mij nog net haalbaar en zou toch al een goede eerste indicatie moeten opleveren van de speelsterkte. Daar de inzet een plaats was bij de top 2 van mijn schaakprogramma's vond ik het dan ook logisch om de nummer 2: Komodo 11 te kiezen voor de match.

Dan rest er nog de vraag wat te doen met de openingen. Laten we de programma's vrij in de keuze of gebruiken we een reeks stellingen die de programma's met verwisselende kleuren moeten uitspelen zoals TCEC doet?  Een vrij keuze benadert het best hoe mensen tegen elkaar spelen maar er zijn ook nadelen aan deze methode. De openingskeuzes zullen wellicht weinig of niet overlappen met mijn repertoire. Het risico bestaat dat de spanning snel uit de partijen zal verdwijnen met als gevolg een heel hoog ongewenst remisepercentage. Tenslotte Leela zal zonder openingsboek bijna altijd dezelfde openingszetten kiezen waardoor je dus riskeert om meerdere keren dezelfde opening/partij te spelen.

Dus ik koos voor een reeks stellingen maar dan is het opnieuw kiezen. Deze keer had ik snel een slimme oplossing gevonden. Ik maakte een nieuwe database en voegde een selectie toe van 50 recent gespeelde partijen van mezelf. Vervolgens verwijderde ik in alle partijen de zetten na zet 10. Hierdoor had ik een paar duplicaten die ik snel verving door nog enkele extra zelf gespeelde partijen te selecteren. Het eindresultaat was een mooie mix van 50 stellingen waarin soms het evenwicht al verbroken was. Hiermee was het gevaar van te veel remises alvast van de baan. Bovendien zouden steeds openingen gespeeld worden die ik zelf al op het bord heb gehad waardoor het sowieso leuk zou worden om de partijen te volgen.

Eindelijk was alles klaar. Via Fritz startte ik het menu op om de match te initialiseren want ik automatiseerde natuurlijk het hele proces. Eerst selecteerde ik Leela. Daarna Komodo 11. Ik koos het juiste tempo en als laatste stap linkte ik naar de database met mijn 50 stellingen. Na een laatste check van de parameters klikte ik op ok en de match was gestart.
Ongeveer 3 volle dagen duurde de match. Zowel dag als nacht liet ik hiervoor de PC aanstaan maar ik onderbrak wel een paar keer het proces om o.a. de PC eens te laten afkoelen want we zaten toen net in een hittegolf. Het was geen probleem om de draad terug op te pikken waar ik gestopt was waardoor het kinderspel was om zulke match tot een goed einde te brengen.

De match werd een groot succes die het testen oversteeg. Vooreerst bleek al snel dat beide programma's aan elkaar gewaagd waren maar tezelfdertijd ook totaal andere stijlen hadden. Daarnaast ontaardde menig partij in een spektakel bovendien met openingen die rechtstreeks uit mijn repertoire kwamen. Niet zelden soms zelfs met de kinderen erbij gingen we een uurtje 1 of meerdere partijen live volgen. Mijn kinderen vroegen mij ook geregeld naar wat de voorlopige stand was en er ontstond al snel een voorliefde voor kleine Leela die ondanks zijn tactische handicap (meer hierover later) er toch geregeld inslaagde om de reus Komodo te verslaan.

Dit smaakte naar meer en dit deed mij dan ook besluiten om in de maanden daarna nog 2 keer een gelijkaardige match te organiseren met nieuwere versies van Leela. Voor de 3de match verving ik wel enkele stellingen omdat het evenwicht te hard was doorbroken. Als in de 2 vorige matchen 4 keer hetzelfde kleur (dus ongeacht welk schaakprogramma) had gewonnen dan leek het mij toch beter om een andere stelling van een van mijn andere bordpartijen te kiezen.

2 matchen werden nipt verloren door Leela. De 2de match speelde Leela gelijk. Dit vond ik een onverwacht en bijzonder goed resultaat op mijn bescheiden hardware die zeker niet optimaal is voor Lc0. Anderzijds hebben de matchen mijn oorspronkelijke vraag niet kunnen beantwoorden. Het verschil is te klein om zekerheid te hebben wie de nummer 2 is van mijn beste schaakprogramma's. Heel erg vind ik dat niet want uiteindelijk heb ik Leela heel goed leren kennen in 300 partijen waardoor ik nu ook een vrij goed idee heb wanneer Leela het best gebruikt kan worden voor de analyse.

In mijn vorig artikel hebben we al kennisgemaakt met Leela door te kijken hoe het programma reageert in diverse stellingen maar het is pas door haar partijen na te spelen dat je pas echt beseft hoe verschillend het programma wel is t.o.v. de rest. Het is dan ook normaal dat ik het artikel beëindig met een selectie van 3 partijen waarin de kwaliteiten en minpunten het best naar boven komen van Leela. Dit was geen makkelijke opdracht want er was een zeer ruime keuze aan waanzinnig mooie partijen. Ik begin met een fantastische partij die start vanuit de Chigorinvariant van het Spaans (die o.a. aan bod kwam in het recente artikel statistiek). Leela offert heel vroeg een kwaliteit en slaagt daarna als een echte wurgslang heel langzaam zwart te versmachten.
Het bijzondere aan deze partij vind ik dat er geen vast centrum is. De strijd woedt over de ganse breedte van het bord maar nooit krijgt zwart de kans om zijn extra kwaliteit te kunnen gebruiken.

Een 2de partij ontstaat vanuit een Hollandse stonewall die ik o.a. op het bord kreeg eind 2017 tegen de Nederlandse IM Xander Wemmers zie geheim. In deze partij zien we het oprukken van beide randpionnen van Leela die zo typisch is voor zijn stijl. Daarnaast zien we een machtige demonstratie van activiteit. Komodo snapt in de verste verte niet waarmee Leela bezig is.
Leela speelde deze partij zoals vele anderen met een begrip van open lijnen, slechte lopers die vele malen geavanceerder was dan Komodo.

Als je al de vorige 2 partijen hebt nagespeeld dan begin je zelfs af te vragen hoe het mogelijk is dat Leela er niet in geslaagd is om Komodo helemaal te vernietigen in de matchen. Wel te vaak ging het taktisch helemaal fout. Een mooi voorbeeldje is de volgende partij waarin Leela 5 zetten te laat pas de combinatie begreep.
De blogliefhebber zal wellicht de link naar mijn artikel het vlindereffect ontdekt hebben. Alle zetten kwamen daar al aan bod dus het was voor mij wel een verrassing om dit effectief allemaal gespeeld te zien.

Het testen van schaakprogramma's met behulp van dit soort matchen smaakt naar meer. Het zal niet voor direct zijn want voorlopig heb ik nog te veel ander werk. Bovendien werkt Leela aan een totaal nieuw netwerk waarbij terug van 0 is begonnen waardoor het vandaag nog zwakker is dan de netwerken van enkele maanden terug. Het zou ook leuk zijn om tegen een volgende match te kunnen beschikken over nieuwere en sterkere hardware.

Brabo

zondag 8 september 2019

Leela (Lc0)

Eind 2017 vermeldde ik op mijn blog over de eerste +50 jarige die de 2700 grens doorbrak. Echter straks verwacht iedereen dat dit record verpulverd zal worden door oud wereldkampioen Viswanathan Anand. In december wordt hij 50 jaar en vandaag heeft hij nog steeds een torenhoge rating van 2765.

De jonge Nederlandse topgrootmeester Anish Giri sprak zijn bewondering hiervoor al uit in een recent interview op chess.com. Anand is een fascinerend fenomeen. In tegenstelling tot zijn leeftijdsgenoten is hij nog steeds jong van hart. De meeste mensen van zijn leeftijd zijn niet happig om veranderingen door te voeren. Zij stoppen met het downloaden van de laatste software of vernieuwen niet meer hun apps zoals jonge mensen doen. Echter Anand zorgt er nog steeds voor dat hij mee is met de laatste apps op zijn smartphone. Het feit dat hij nog vandaag bij de wereldtop behoort, is de verdienste van steeds opnieuw jezelf uit te vinden.

Dat motivatie vaak ontbreekt bij oudere spelers, zie ik geregeld bevestigd rondom mij. In de meest recente Vlaanderen Schaakt Digitaal spreekt de uitgever over Fritz. Dat programma gebruikte ik 20 jaar geleden om te analyseren. Vandaag nog Fritz gebruiken terwijl er gratis veel sterkere software beschikbaar is, getuigt voor mij enkel van een totaal gebrek aan ambities. Echter het wordt schrijnender wanneer een auteur die beschouwd wordt als absolute wereldtop betreffende openingsboeken zelf al niet meer mee is met de laatste ontwikkelingen. In een recent interview gaf de Israelische grootmeester Boris Avrukh blijk dat hij helemaal niet meer up to date was met zijn softwareZijn repertoire-boeken staan bekend als de beste die op de markt beschikbaar zijn maar dan is het toch een schok om te horen dat hij een oude versie van Stockfish had gebruikt en tot voor kort nog nooit had gehoord van Leela, laat staan er mee had gewerkt.

Het lijkt mij dan ook dat het vuur is uitgedoofd bij deze 41 jarige schaker. Het verwondert mij bijgevolg dan ook niet dat hij bij de aankondiging van zijn meest recente boek erbij vertelde dat dit zijn laatste zou zijn. Net zoals de 44 jarige oud-wereldkampioen Kramnik die zijn afscheid een paar maanden geleden had aangekondigd, heeft hij al tal van nieuwe plannen en uitdagingen. Van een zwart gat zal dus geen sprake zijn en natuurlijk is het uiteindelijk aan de persoon zelf om zijn eigen leven te leiden.

Zelf zit ik in dezelfde leeftijdscategorie maar last van schaakmoeheid heb ik nog helemaal niet. Integendeel want mijn schaakactiviteiten worden enkel opgeschroefd. Zo speel ik eind deze maand voor het eerst sedert meer dan een decennium weer schaak in het buitenland. Samen met mijn zoon Hugo spelen we in hetzelfde team voor Axel Landau in de Nederlandse interclub. Daarnaast na 2 decennia openingsboeken te negeren, heb ik er recent enkele aangeschaft en bestudeerd zie (o.a. statistiek). Tenslotte blijf ik heel aandachtig alle schaakontwikkelingen volgen op diverse schaaksites. Over 1 van die ontwikkelingen wil ik in dit artikel dieper op ingaan.

Over de opkomst van Alphazero en daarna Lc0 werd al meermaals geschreven op deze blog maar voor de gewone amateurschaker zal dit wellicht weinig interessant zijn geweest. Wat ben je tenslotte met een programma waar je zelf toch niet mee kunt werken? Wel dit laatste klopt niet (meer). Ik ben er enkele maanden geleden in geslaagd om Lc0 te installeren op mijn PC en ben ondertussen een absolute fan geworden. Begin 2018 kloeg ik dat de topprogramma's te veel op elkaar geleken waardoor het erg twijfelachtig was geworden of het nog nuttig was om behalve Stockfish nog iets anders te consulteren zie analyseren met de computer deel 3. Lc0 is compleet andere koek dan de klassieke engines. Je krijgt van Lc0 heel vaak een zeer waardevolle en afwijkende opinie.

Dus Lc0 is vandaag beschikbaar voor iedereen. Veel grootmeesters gebruiken het al geruime tijd zie bijvoorbeeld een recent interview van de Franse grootmeester Iossif Dorfman maar voor de meeste amateurs is het nog onbekend. Nochtans zie ik ook voor hen potentieel in het programma. Zo gebeurt het regelmatig dat de traditionele schaakprogramma's complexe tactische oplossingen bedenken voor bepaalde openingsvraagstukken. Daarentegen is het niet zelden dat Leela kiest voor een veel rustiger alternatief gebaseerd op solide positionele zetten en dat is meestal veel eenvoudiger en makkelijker om te begrijpen en te herinneren. Tijdens mijn partijvoorbereidingen van de meest recente editie van Open Brasschaat liet ik mij daarom geregeld leiden door Leela om keuzes te maken in de opening. Een leuk voorbeeldje hiervan was onderstaande opening die deel uitmaakte van mijn voorbereiding op Guy Baete.
De openingen die amateurs spelen worden vaak genegeerd door grootmeesters en dan is het zeker een plus om Lc0 te kunnen raadplegen.

Ook in het middenspel vind ik Leela bijzonder goed presterend. Bij het nakijken van mijn analyses gemaakt in de laatste jaren vond Leela zo goed als alle kritieke zetten. Sommige lezers zullen misschien nog mijn artikel de horizon uit 2014 herinneren waarin ik aangaf dat programma's zoals Houdini en Stockfish na een uur rekenen nog steeds niet de beste zet f3 konden vinden. Wel Leela doet er vandaag op mijn desktop slechts 19 seconden over.
De laatste versie van Stockfish vindt f3 nu ook snel. Het toont nogmaals aan dat de schaakprogramma's er enorm op vooruit zijn gegaan in de laatste jaren.

Tenslotte is het eindspel misschien wel de fase waarin Leela het grootste verschil toont t.o.v de klassieke programma's. In het bijzonder wanneer er geen gebruik kan gemaakt worden van tablebases merk ik op dat Leela veel accurater is met de evaluatie. Keer op keer zag ik hoe Lc0 dankzij deze troef kon ontsnappen met remise uit benarde situaties. Een mooi voorbeeldje is een partijfragment die kwam uit een match Komodo tegen Lc0.
Dan is natuurlijk de volgende vraag: "hoe sterk is Leela precies". Ik zou kunnen verwijzen naar de meest recente superfinale van TCEC die Leela won van Stockfish met 53,5- 46,5 maar dat zou voor mijn PC een vertekend beeld geven. Voor TCEC wordt hardware gebruikt die Lc0 veel sterker laat spelen dan op mijn 2 jaar oude desktop (een AMD FX(tm)-6300 6 core processor 3,5Ghz met een Nvidia Geforce GTX 960 grafische kaart).  Op CCRL is het een gelijkaardig verhaal want ook daar worden de programma's niet vergeleken op dezelfde hardware. Uiteindelijk vond ik het noodzakelijk om dan zelf maar de programma's op mijn PC te vergelijken. 1 van de 3 Leela-versies die ik testte, haalde in een 100 partijen-rapidmatch met Komodo 11 (het enige commerciële programma dat ik nog gebruik in de analyses) een zeer knappe 50-50 score (meer hierover in een volgend artikel). Met een trager tempo blijkt Lc0 zelfs nog iets te winnen aan sterkte t.o.v. de concurrentie volgens CCRL.

Dus zelfs op mijn bescheiden hardware zit Leela luttele elopunten van de meest recente versies van Stockfish en Komodo. Ik ben er vrij zeker van dat Leela hen zou voorbij passeren op snellere hardware. Spijtig zit ik momenteel krap bij kas door allerlei onvoorziene uitgaven afgelopen jaar waardoor ik de droom van krachtige nieuwe hardware voorlopig on hold moet plaatsen.

Ok iedereen is nu overtuigd dat Lc0 een must is maar ik moet ook nog uitleggen hoe je Lc0 op de eigen PC kan installeren en gebruiken. Voor degene die het allemaal zelf willen uitzoeken zie Getting Started. Echter ik wil al onmiddellijk waarschuwen dat het niet zo simpel is. Op mijn 5 jaar oude portable lukte het zelfs helemaal niet. Ik vermoed dat het te maken heeft met een gebrek aan een recente grafische kaart. Zonder Nvidia grafische kaart is het wellicht zinloos.

Eerst moet je de engine downloaden en in een directory plaatsen. Je hebt de keuze tussen diverse versies. Ik koos lc0-v0.22.0-windows-opencl.zip want het is de meest recente en werkt voor mijn Nvidia grafische kaart. De cuda variant is sterker maar kreeg ik niet aan de praat op mijn PC wellicht omdat ik niet de juiste drivers heb of mijn grafische kaart te oud is. Indien je beter hardware hebt dan zou ik zeker ook de cuda variant proberen.

Vervolgens moet je een netwerk downloaden en plaatsen in dezelfde directory als de engine. Je kan kiezen uit honderden netwerken. De site beveelt netwerk 42700 maar momenteel gebruik ik 42820. Mogelijks is een ander netwerk nog een tikkeltje sterker maar het heeft weinig zin om voor een paar elopunten verschil uren te testen.

Daarna moet je dubbel klikken op het Lc0 bestand waarna je normaal een command prompt zult krijgen. Typ "go nodes 100" en druk op enter. Wacht tot het commando is uitgevoerd. Als je als laatste lijn "bestmove ..." ziet dan mag je het venster sluiten.

Ga nu naar Chessbase en start de applicatie "Create UCI Engine" onder de tab "Engine". Selecteer Lc0 en klik op ok. Als alles goed is gegaan dan moet je nu als engine Lc0 kunnen kiezen en kan je aan de slag met de nieuwe engine. Ik wil ook nog waarschuwen dat het even wennen is. Lc0 geeft pas na enkele seconden een eerste evaluatie in tegenstelling met de klassieke programma's die onmiddellijk een evaluatie tonen. Daarnaast schrik niet van het lage aantal stellingen die Lc0 bekijkt. Het is compleet normaal dat Lc0 duizend maal trager is dan Stockfish. Dit doet geen afbreuk op zijn speelsterkte.

Voila we zijn weer up to date maar de ontwikkelingen blijven niet stilstaan. Nieuwe neurale netwerken staan te piepen aan de deur. Chessbase wil natuurlijk ook meespelen in dit domein en stelde recent fat fritz voor. Interessanter vind ik de nieuwe schaakprogramma's die momenteel in de meestergroep van TCEC seizoen 16 aan het spelen zijn. Namen zoals Alliestein, Scorpio and Stoofvlees mengen zich al aan de top. Ja stoofvlees deed bij mij ook even de wenkbrauwen fronsen. De auteur is de Belg met Italiaanse roots Gian-Carlo Pascutto die blijkbaar liever stoofvlees eet dan pizza.

Brabo

donderdag 29 augustus 2019

De favoriet heeft honderden punten meer deel 2

De laatste jaren hoor ik af en toe schakers klagen over waarom 2 verschillende ratings bijhouden voor standaardschaak. Zo hebben vandaag de meeste actieve Belgische spelers zowel een nationale als een fide-rating. Dit creeert geregeld conflicten of tenminste irritaties. Zo hanteert de Open van Gent nog steeds tot op vandaag een eigenzinnige logica door de hoogste van beide ratings te gebruiken (hierover schreef ik al in 2015 zie ratings). Dat hiermee de Belgen telkens benadeeld worden t.o.v. buitenlanders bij de prijsuitreiking, heb ik al meerdere keren aan de lijve mogen ondervinden. Ondanks een beduidend lagere fide-elo en een hoger tornooiresultaat zag ik ook dit jaar de eerste geldprijs van de -2300 van onder mijn neus worden weggenomen. De prijsuitreiking liet ik dan ook wijselijk links liggen.

Onze Belgische schaakbond laat aan de clubs de keuze welke rating ze willen gebruiken voor het opstellen van hun spelers in de interclub. Echter hierdoor is er dit jaar in mijn club een serieus conflict ontstaan tussen 1 van de spelers en het bestuur. Het is namelijk zo dat de positie van de speler afhangt van het ratingsysteem. De speler vindt dat de fide-ratings gebruikt moeten worden. Dit klinkt logisch want in de interclub spelen heel veel niet-Belgen vandaag. Echter het bestuur houdt vast aan de statuten die nog dateren van een tijdperk wanneer de meeste spelers nog geen fiderating hadden. Als geen van beide partijen toegeeft, zal het ongetwijfeld tot een breuk leiden.

Het zijn 2 voorbeelden van de problemen die ontstaan door 2 ratingsystemen te onderhouden maar ik vermoed dat dit enkel de top van de ijsberg is. Trouwens in Frankrijk is men wel in staat geweest om de nationale rating af te schaffen en enkel nog de fide-elo te gebruiken. Waarom is België een apenland? De waarheid is iets complexer en hierbij speelt geld opnieuw een cruciale rol.

Fide vraagt vandaag 50 euro per toernooi voor de registratie en nog eens 1 euro/speler/toernooi zie handbook 03. Financial Regulations. Echter daarbij wordt ook vermeld dat een federatie maximum 30.000 euro/jaar aan ratingverwerking hoeft te betalen en daar profiteert Frankrijk handig van. Met 54860 FFE leden eind 2018 betekent dit ongeveer een kostprijs per lid van een 0,55 euro/jaar. België heeft slechts 4806 leden vandaag dus 30.000 euro wordt pas bereikt bij een kostprijs per lid van 6,25 euro/ jaar. Ik vind het niet eerlijk t.o.v. Frankrijk maar het is ook geen kapitaal om moeilijk over te doen. Echter het zou wel een lidgeldverhoging betekenen voor de KBSB en daar zit het al jaren volledig vast. In 2013 heb ik eens een algemene vergadering van de KBSB bijgewoond en er is weinig of niets veranderd sindsdien.

Dus het ziet er naar uit dat we nog lange tijd zullen moeten verder leven met de 2 ratingsystemen. Vervolgens lijkt het mij dan ook nuttig om ze met elkaar te vergelijken. De nationale rating is gekoppeld aan de fide-rating want alle fide-partijen tegen niet-Belgen worden ook verwerkt in de nationale rating. Desalniettemin zien we dat de verschillen toch soms oplopen. Ik maakte een overzicht van de top 100 spelers in België.


Gemiddeld zien we dat de Belgische elo ongeveer 10 punten hoger ligt dan de Fide-elo. Bij jonge spelers zoals Daniel Darha zien we dat de Belgische elo beduidend lager ligt en dat heeft uiteraard te maken met de veel hogere k-factor die de fide gebruikt waardoor progressie sneller gedetecteerd wordt. Daarnaast zien we het omgekeerde effect voor oudere spelers (+50 jaar) of spelers die terugkeren uit lange inactiviteit zoals Steven Stinis.

Daarentegen Roel Goossens past niet in dit rijtje. Hij is nog altijd maar 33 jaar en bleef de voorbije jaren een actieve speler dus erg vreemd dat zijn nationale rating meer dan 50 elo hoger is dan zijn fide-elo. Echter als je kijkt naar zijn meest recente nationale ratingverwerking dan valt wel iets op. Hij speelt vaak tegen veel lager gekwoteerde spelers en dat heeft natuurlijk te maken met zijn deelname aan het lokale clubkampioenschap. Net als ik is hij 1 van de weinige top 100 spelers die regelmatig meespeelt in clubkampioenschappen. Trouwens alhoewel minder uitgesproken zie ik hetzelfde effect bij mijn ratings. Vandaag is mijn nationale rating 37 punten hoger dan mijn fide-elo en dat gat zal na Open Brasschaat nog met enkel punten vergroten.

De oorzaak is niet zo moeilijk te achterhalen. De vele kleine toernooien worden niet verwerkt voor fide-elo maar het is net in die toernooien dat de 400 elopunten-regel vaak in werking treedt. Het is exact hetzelfde effect die recent op de voorpagina stond nadat de Tsjechische grootmeester Igor Rausis beschuldigd werd voor fraude. Echter net daardoor is ook heel veel discussie ontstaan over dezelfde 400 elopuntenregel. Zelfs sommige grootmeesters (zie bv. twitter) geloven niet dat het mogelijk is om de rating artificieel te laten groeien door voortdurend alleen maar tegen veel lager gekwoteerde spelers te spelen.

Nochtans lijkt mij zoiets vanzelfsprekend. Het is volstrekt onlogisch om evenveel ratingwinst te krijgen bij een overwinning op iemand die 400, 500, 600 of nog veel meer punten minder heeft. 1 geval bewijst geen stelling maar mijn eigen praktijk spreekt boekdelen. In de laatste 20 jaar speelde ik 88 standaardpartijen tegen spelers die 400 punten of meer lager waren gekwoteerd. Ik scoorde 87,5/88. Slechts 1 keer moest ik een remise toestaan. Serge Daenen vertelde mij achteraf dat hij 2 weken bezig was geweest met de voorbereiding van onze onderlinge partij en bovendien mag je niet vergeten dat hij al in het verleden eens een open tornooi in Frankrijk heeft gewonnen voor de Franse grootmeester Eric Prie.

In de voorbije 20 jaar is mijn speelsterkte ongeveer stabiel gebleven dus de ongeveer 80 elopunten winst over de 88 partijen was zeker onverdiend. Kan je voorstellen wat er zou gebeuren met mijn rating als ik 88 zulke partijen per jaar zou spelen en niets anders? Om een correcte rating te behouden, had ik slechts gemiddeld 0,056 elo per winstpunt mogen krijgen. Zulke correctie hoor ik meerdere spelers voorstellen maar er zijn wel enkele vervelende neveneffecten.

Zo wordt door fide afgerond per partij naar 0,1 en per klassement naar 1. Dit betekent dus indien we kiezen voor de nieuwe correctere berekening er heel vaak afgerond zal worden naar 0. Hoeveel (sterkere) spelers zullen nog willen spelen als ze op voorhand weten dat ze enkel rating kunnen verliezen. Je moet goed gek zijn om een oninteressante partij tegen een veel lager gekwoteerde speler te willen spelen waarbij je veel rating te verliezen hebt maar 0 elo te winnen. Het zal zeker het aantal forfaits drastisch verhogen.

Een rating heeft nooit de bedoeling gehad om spelers te ontmoedigen om te spelen maar we zien nu al dat sommige spelers bang zijn om rating te verliezen en daardoor minder spelen of tenminste heel selectief zijn in hun tornooikeuze. Ik zou dan ook kiezen voor de bluts met de buil. Trouwens rating blijft altijd relatief dus je spendeert er best niet te veel aandacht aan. Igor Rausis verbrandde echter net als Icarus zijn vleugels door te dicht te komen bij de zon. Als je zo hoog geraakt dan beginnen natuurlijk andere belangen een rol te spelen.

Brabo

woensdag 28 augustus 2019

12. Alexandre Dgebuadze

12. Alexandre Dgebuadze
21 mei 1971, Georgië -)
Drukke beroepsbezigheden én verlof hebben me verhinderd mijn “één per maand” frequentie aan te houden – met nog één drukke maand in het verschiet, hoop ik in de toekomst weer wat regelmaat in mijn schrijfsels te brengen. Maar zoals Brabo onlangs schreef: tijdsgebrek bestaat niet, enkel andere / nieuwe prioriteiten.

Het internationale pad bewandelde Alexandre voor het eerst als tiener met de Groningen Open in 1989 (4,5/9) en in 1990, het jaar waarin hij ook het NK van Georgië won. Het spelen van open tornooien is een ideale leerschool voor de ambitieuze jonge schaker – zo dook Topalov ooit eens “plots” in de top van de wereld op na een heel succesvolle Spaanse schaakzomer. Alexandre is niet zomaar een goed schaker – hij schaakt ook erg graag en veel, getuige daarvan zijn grote activiteit achter het bord en zeer veel deelnames aan tal van tornooien. Wat hierna volgt, is daarom slechts een fractie van zijn rondzwervingen op het schaaktoneel. 

Via goede prestaties in andere open tornooien (Werfen 1993 (6/9), Pardubice 1995, Policka open 1995) verkreeg hij zijn IM-titel in 1995. Het NK van Georgië speelde hij nog mee in 1996, maar hij eindigde met een minscore (4/9, Djandgava werd kampioen). In 1997 speelde hij (met 2465 elo) voor de Georgische club Nona Zugdidi in het EK clubteams op bord 1 en behaalde daar 2/3 (hij verloor in de eerste ronde van Akopian). 

Hij speelde ook enkele keren het WK voor -26 jarigen (“studenten”) mee, met behoorlijk succes. Het WK teams voor -26-jarigen in Saenz Pena 1997 was misschien zijn beste prestatie: een mooie plusscore (6/9) met slechts één verliespartij (tegen de sterke Rus Irzhanov). 

Daarnaast zagen we hem in actie op tornooien als de Linares open 1997 (een goed tornooi, met winst op Cifuentes, Xie Jun en Miezis), de Hoogeveen open 1998, Ubeda 1998, Linares open 1998 en Hoogovens C 1999. Zo “naderde” hij meer en meer België, zonder de aantrekkelijke opens rondom ons landje uit het oog te verliezen. In Lohmar won hij in 1999 het open tornooi, en werd tweede in Wijk aan Zee (Sonnevanck) in 2000. Het open kampioenschap van Utrecht (2000) schreef hij dat jaar wel op zijn naam, en in Oostende mocht hij aantreden voor de zomerse simultaan aldaar. 

In 2000 werd hij dan IGM, en in die periode maakte hij ook de overstap naar België, waar – het moet gezegd – hij bijzonder goed aardde, en het nationale spelpeil nog wat hoger trok, door zijn actieve deelname aan kampioenschappen, tornooien en interclubs. Vanuit België waren de opens van Cappelle la Grande (2001), Metz (2001) en het open NK van Nederland (2001) slechts een autorit verwijderd. Net als IC spelen in Frankrijk, Nederland, Engeland (de Britse Four Nations Chess League, waar hij enkele keren voor North West Eagles uitkwam (in 2004, 2006 en 2007; in totaal scoorde hij 5,5/8 tegen gemiddeld 2470) en Duitsland.

In België speelt hij interclub bij Rochade Eupen (na 2016 Wirtzfeld) en speelt begin 2001 mee in Hoogovens (Corus ondertussen), waar hij net achter Viktorija Cmilyte (7/9) tweede eindigde met 6,5. Hij wint ook het derde meestertornooi van Gent in 2001. Het Belgisch NK (Charleroi 2001) was een grondige kennismaking met de top van het Belgische schaak (hij werd tweede), een ervaring die duidelijk vruchten afwierp. Het resulteerde in vier nationale titels (2002/2004/2005/2007). Ondanks zijn suprematie op het Belgische toneel in dat decennium, kwam hij tot nu toe slechts éénmaal uit voor België in de olympiaden: in 2012 scoorde hij 40% op bord 1. 

In 2002 veroverde hij dan zijn eerste nationale titel in Geel (7,5/9) en liet Pieter Claesen en Arthur Abolianin met een duidelijke marge achter zich. In dat jaar spelt hij ook mee in de Harmonie Open in Nederland. 

In 2003 moest hij een Geert Van der Stricht in supervorm voor zich laten in het NK te Eupen, maar in het jaar erop werd hij gedeeld eerste met Bart Michiels in het NK te Westerlo, maar de titel ging naar Bart Michiels.

In het NK van 2005 te Aalst ontweek hij een ex-aequo en won met 7/9 de titel, voor Paul Motwani (6,5) en Marc Dutreeuw (5,5). In dat jaar werd hij derde in het Siom-tornooi te Gouda (winnaar werd Daniël Fridman). In oktober van datzelfde jaar werd hij met 5/9 16de in het open NK rapid van Nederland. Rapid is zijn ding wel: in 2005 presteerde hij sterk in het rapidtornooi van Livry Gargan bij Parijs (enkel Nikolic kon van hem winnen). In 2005 pikte hij ook nog een first Saturday tornooi mee.

In het EK van 2006 speelde hij goed (6,5/11), gevolgd door een minder solide prestatie in het kampioenschap van de Europese Unie. 

2007 startte met weer een rondje Cappelle-la-Grande en het EK, gevolgd door de open van Liverpool (7/9). In dat jaar volgde dan zijn voorlopige laatste titel te Namen. Hij won ook nog het Hypercube snelschaakkampioenschap van de Utrechtse club Oud Zuylen. 

In 2008 speelt hij het EK mee en eindigt op +3. In dat jaar wordt hij weer tweede in het NK te Eupen. In de open van Charleroi wordt hij gedeeld derde-vierde. In het seizoen 2008-09 speelt hij Bundesliga. In 2009 volgt weer een tweede plaats in het NK te Namen. In 2011 wint hij in Helmond de HSC/De Legibus Open, voor Daniël Fridman.

In 2014 haalt hij zijn hoogste FIDE blitzrating: 2585, maar dat is een uitschieter die hij niet kan vasthouden – rapid is meer zijn ding.

Met een FIDE-rating die de laatste 15 jaar niet onder 2470 geweest is – en een piek bereikte van meer dan 2560 elo, is het maar nipt dat hij de top-tien heeft gemist. Met nog enkele jaren activiteit en een succesje hier en daar, moet dat zeker mogelijk zijn. Op de huidige Belgische elolijst (augustus 2019) staat hij zesde met 2499, en met 2208 partijen is hij koploper qua “activiteit” in de top 100. Je kan natuurlijk zijn 12de plaats in deze (zeer subjectieve) lijst betwisten. Die top tien is hardbevochten maar een veelvoudig Belgisch kampioen en IGM met 2580 hoogste elo, die bovendien heel actief is, één deelname aan de olympiaden kan voorleggen, talrijke overwinningen in kleine en middelgrote opens past hier eigenlijk goed in (alleen – wie moet dan wijken?). Misschien is hij te bescheiden of te zeer een gentleman, en moet hij zich wat meer profileren (artikels en boeken schrijven, op trainingsvlak of op organisatorisch niveau actief worden) – of achter het bord nog eens uithalen met een nationale titel, een deelname aan een olympiade, een deelname aan de WK-cyclus, een mooie winst in een open tornooi, wie weet. Ter info, zijn dochter Marie (°2004) schaakt ook en zit nu rond 1760 elo. Opvolging verzekerd – de naam Dgebuadze zal nog niet zo snel uit de schaakrapporten verdwijnen.

In België is zijn palmares als één van de sterkste actieve spelers natuurlijk zeer goed: hij heeft grote plusscores tegen Geert Van der Stricht, Daniël Sadkowsky, Gorik Cools, Pieter Claesen (die hem wel 2x versloeg in een -26 WK), Stephane Hautot, Xander Wemmers, Ekrem Cekro en Pascal Vandevoort, om het bij de voornaamste te houden. Enkel topgrootmeesters hebben een grote plusscore tegen hem over meerdere partijen: Gurevich, Eingorn, L’Ami. Onder de lokale matadoren zijn er wel enkelen die hem de baas kunnen: Bart Michiels en Steven Geirnaert kunnen zich na 5 of meer partijen nog de betere noemen. 

Wat in zijn winstpartijen tegen zwakkere spelers opvalt is zijn prima positionele spel, gekoppeld aan een fijn tactisch zintuig: wanneer de tegenstander ook maar één foutje maakt, maakt hij er gebruik van, en éénmaal hij een voordeel heeft, lost hij niet eenvoudig meer zijn greep. Dankzij zijn vele deelnames aan open tornooien, speelt hij veel partijen tegen lager gekwoteerde spelers. Dat levert veel “amateur tegen meester” materiaal op, dus de keuze is ruim; ik kies de volgende. Wit speelt zijn opening OK, maar doet dan iets wilds, wat geen vervolg krijgt. Zwart straft het witte inconsistente spel snel af met een serie precieze zetten.

HK5000

vrijdag 16 augustus 2019

Obstructie deel 2

In de schaaklessen proberen we zoveel mogelijk algemene regels aan te leren zodat de betere zetten sneller kunnen worden gevonden. Dat is noodzakelijk om relatief eenvoudig een basisniveau in het schaken te bereiken. Echter om hogerop te geraken, wordt het steeds belangrijker om ook meer en meer de uitzonderingen te herkennen.

In mijn lessen voor de gevorderde schaker neem ik bijgevolg ook de tijd om te vertellen over o.a. "het overbodige stuk" en "de lijn van Troitsky" (zie vorig blogartikel voor meer uitleg). Alhoewel deze complexere en vaak onbekende vormen van obstructie uiterst zelden in de bordpraktijk voorkomen, hebben ze een didactische waarde. Zo bestaat er een categorie van eindspelen waarin het loont om ballast over boord te gooien (nutteloze pionnen) om een gemakkelijkere verdediging te kunnen spelen.

Daarnaast zijn mijn leerlingen ook geregeld verwonderd hoe het mogelijk is dat ik zo vaak eigen partijen kan verwerken in een lesthema die hen uiterst zeldzaam lijkt. Ik speel slechts een fractie van het aantal partijen per jaar die zij spelen. Mijn veel langere schaakcarriere compenseert het evenmin want sommige van mijn leerlingen hebben al bijna evenveel officiële partijen gespeeld. 

Het niveauverschil is een meer plausibel antwoord want partijen gespeeld op een hoger niveau hebben gemiddeld meer inhoud (lijkt mij tevens een heel goede reden om beter te worden in het schaken). Echter de belangrijkste oorzaak moeten we zoeken in het verschil van werkethiek tussen mijn leerlingen en mezelf. In tegenstelling tot mijn studenten analyseer ik mijn partijen grondig met behulp van schaakprogramma's. Een blundercheck van enkele minuten beschouwen zij als ruim voldoende.

Dat een 1600-speler tevreden is met zulke blundercheck, kan ik perfect begrijpen. Wanneer een +2100 jonge speler ambities heeft om hogerop te geraken nog steeds maximaal een blundercheck doet dan loop je heel snel tegen een plafond. Ik zie dit heel duidelijk aan mijn leerlingen waar geen enkele voorbij het stadium van een blundercheck is geraakt. Sommigen hebben het potentieel om zeker beter te worden dan ikzelf maar zonder een mentaliteitswijziging wordt het onwaarschijnlijk.

Dit jaar wou ik dan ook stoppen met lesgeven maar het was mijn dochter Evelien die mij overtuigde om toch nog een jaartje erbij te doen. Ik ben 6 jaar naar de schaaklessen geweest voor mijn zoon Hugo dus een 2de jaar weigeren voor mijn dochter Evelien zou unfair zijn. Echter ik heb hierbij wel gezegd dat het sowieso het laatste jaar is indien geen van beide bereid is om zelfstandig aan het schaken geregeld te werken. Daarnaast zal ik mij dit jaar weer meer toeleggen op de leerlingen met 1600 elos. Ik denk dat ik voor hen meer kan doen dan voor de hogere elos.

Je eigen partijen analyseren vind ik dus een absolute must. Ondanks misschien wel de drukste periode in mijn leven, blijf ik er vandaag alles aan doen om dit niet te verwaarlozen. Excuses bestaan niet, enkel andere prioriteiten. Ik blijf mezelf ontwikkelen als schaker want ik ontdek nog steeds nieuwe dingen. Zo botste ik laatst op een eigenaardige stelling waarin alle computerprogramma's (Leela inclusief) kozen voor een zeer merkwaardige obstructie.
Dd2 is natuurlijk counter-intuïtief maar computers rekenen dieper en zien dat de obstructie slechts tijdelijk is. Dit zien we ook terug in het topschaken waar meer dan ooit oude dogma's op de schop worden genomen zeker nu alle topspelers zeer intensief gebruik maken van de beste schaakprogramma's. Zo werd onderstaande variant plots zeer populair nadat Carlsen het met succes had getest.
In het vorige artikel toonde ik voorbeelden van stellingen waarin je geen obstructie op het eerste zicht kunt zien maar die er wel is. In dit artikel toon ik voorbeelden van stellingen waar je op het eerste zicht een obstructie ziet maar die er geen is. Heb ik al gezegd dat schaken moeilijk is?

Brabo

dinsdag 30 juli 2019

Obstructie

Reeds in stap 1 wordt uitgelegd welke waarde ieder stuk heeft. Zonder die informatie zou het misschien wel honderden partijen duren vooraleer we een beetje aanvoelen welke ruil goed of slecht is. Deze tijd ontbreekt ons maar niet voor computers die dan ook nog eens in staat zijn om heel veel partijen te spelen in zeer korte tijd. Schaakprogramma's zijn dus perfect in staat om zelf uit te pluizen welke waarde een stuk heeft en kan dit bovendien ook nog eens gemakkelijk laten variëren met andere parameters zoals loperpaar, positie, eindspel...

Zo werken de traditionele schaakprogramma's vandaag maar ik krijg het gevoel dat Alpha Zero en Leela helemaal geen waarde bepalen van de stukken. Ik heb hun code niet bestudeerd maar zeker is dat de focus ligt op de beweeglijkheid van de stukken. Dus een stuk dat niet kan bewegen, wordt niet in rekening gebracht. Onderstaand voorbeeld illustreert dit perfect. Dit was de slotstelling van mijn partij tegen Marcel Vermaat (zie comebacks deel 2)


Het is een dode remisestelling maar zowel Komodo als Stockfish evalueren het totaal verkeerd. Leela daarentegen detecteert dat de 2 extra pionnen niet meer kunnen bewegen en beoordeelt daarom de stelling als compleet gelijk. Het tellen van materiaal faalt hier schromelijk. Anderzijds viel het mij ook op dat dit geen garantie is dat Leela vestingen perse beter evalueert. Mobiele vestingen dus waarin stukken een zone moeten verdedigen, blijven ook voor deze nieuwe soort van programma's vaak een struikelblok.

Desalniettemin lijkt mij het bepalen van hoe goed een stelling is aan de hand van de beweeglijkheid van de stukken een grote verbetering t.o.v. stukken tellen. Trouwens dit doet bij mij ook nog een belletje rinkelen. In de eerste jaren dat ik schaakte, maakte ik geregeld van een partij een overzicht van hoe de mobiliteit in een stelling evolueerde. In een tijd waar ik nog geen computer had, zette ik op papier in kleur welke velden 1,2 of meer werden gecontroleerd. Dit hield ik maar een tijdje vol want het was een erg tijdverslindend werk en er was nauwelijks enig rendement. Spelers zijn soms verwonderd als ik zeg dat ik met een coach wellicht veel verder was geraakt. Door noodgedwongen try en error heb ik kostbare tijd in mijn kinderjaren verspild en die tijd kwam nooit meer terug als volwassene.

Als mens is het dus volstrekt zinloos om op ieder moment in een partij trachten te achterhalen welke zetten leiden tot het grootste positieve verschil in beweeglijkheid tussen beide kleuren. In de schaakliteratuur kan je wel enkele thema's vinden die je op weg zetten om de juiste zetten te vinden. Zo introduceerde wijlen Mark Dvoretsky jaren geleden het merkwaardige concept van het overbodige stuk. Wanneer 2 stukken van hetzelfde kleur vechten voor hetzelfde veld dan is het handig indien mogelijk om als tegenpartij ze niet af te ruilen. In mijn eigen bordpraktijk kwam eind vorig jaar een mooi voorbeeld hiervan op het bord. Alhoewel ik het thema al lang kende, liet ik de kans onterecht aan mij voorbijgaan.
Zwart aan zet
Al mijn schaakprogramma's geven Pd8 op en evalueren het sterker dan mijn sjablone Tad8 die slechts een bescheiden voordeel oplevert voor zwart. Het is dus zeker niet zo dat de klassieke schaakprogramma's helemaal geen begrip hebben van beweeglijkheid.

Soms is een stuk niet alleen beperkt in zijn beweging maar zou het zelfs beter zijn om het stuk helemaal niet op het bord te hebben. Je eigen stuk zorgt alleen maar voor obstructie. Zeer bekende voorbeelden hiervan zijn de stikmat of de mat achter de paaltjes (zie bv. When your chess pieces betray you). Echter er bestaan ook veel minder evidente voorbeelden hiervan. Eentje besprak ik o.a. in 1 van mijn jeugdlessen: 2 paarden tegen 1 pion.
Zonder de pion is het steeds remise maar met de pion riskeer je te verliezen. De befaamde Troitsky-lijn vertelt ons hoever de pion maximaal mag zijn opgerukt om nog winstkansen met de paarden te kunnen creëren. 

Een ander speciaal geval kwam terloops aan bod in mijn artikel ruil pionnen wanneer je slechter staatKersverse internationaal meester Daniel Dardha bewees enkele maanden geleden al dat toren+loper tegen toren geen sinecure is om te verdedigen zie zijn partij tegen Vincent Blom uit de Belgische interclub maar soms is het met een extra pion zelfs sowieso verloren.

Ik hoor regelmatig ouders houtjes tellen op het bord van hun kind om enig idee te hebben hoe goed of slecht het gaat. Pas wanneer je zelf op enig niveau schaakt, begin je te beseffen dat het iets ingewikkelder ineen zit en er steeds weer nieuwe uitzonderingen op de regel tevoorschijn komen.

Brabo

donderdag 25 juli 2019

Statistiek

"Best by test", zei oud-wereldkampioen Fischer over 1.e4. Hij behaalde de beste resultaten met 1.e4 dus koos hij ook het vaakst ervoor. Schaken is in de eerste plaats resultaten behalen en dus is het dan ook vanzelfsprekend om eerder voor openingen te kiezen waarmee men al goed heeft gescoord.

Anderzijds zie ik dat sommige amateurs wel heel snel een opening weggooien van zodra ze een blauwtje hebben oplopen. Men wisselt van opening even snel als van onderbroek met als gevolg dat men uiteindelijk van alles iets kent maar niets goed. Ofwel doet men de moeite niet om een oplossing te vinden voor een probleem in de opening ofwel erger nog denkt men onterecht dat de nederlaag het gevolg is van de gekozen opening.

In het boek Ivan's Chess Journey Unravelled geeft de Nederlandse sterke grootmeester Ivan Sokolov dan ook de raad om een opening minstens een aantal keren uit te testen vooraleer de beslissing te nemen het niet meer te spelen. Een interessante aanvulling vond ik dat hij voor zichzelf soms wel openingen van zijn repertoire heeft gehaald ondanks dat er theoretisch niets mis mee was. Het type stelling resulterend uit de opening beviel hem niet waardoor de resultaten ondermaats bleven en als professional kan je dan uiteraard niet lang dit blijven spelen.

Statistiek beïnvloedt dus ons schaak maar in vergelijking met computerschaak blijft het slechts kinderspel. In computerschaak is statistiek altijd zeer intensief gebruikt geweest om progressie te maken. Elke nieuwe minor-upgrade van een schaakprogamma wordt uitgebreid getest om bugs te verwijderen maar vooral om de eventuele verandering in speelsterkte te kunnen meten. In de loop van de computergeschiedenis zien we trouwens tevens een zeer interessante ontwikkeling van technieken die statistiek omhelzen.

Snelheid is hierbij steeds de leidraad geweest. Hoe sneller er gemeten kan worden, hoe sneller er kan worden bijgestuurd. Het maken van automatische testsessies was dan ook de eerste logische stap om de traagheid van de mens te omzeilen. Met de steeds snellere hardware werd het in het voorbije decennium ook steeds interessanter om vaker te kiezen voor korter en meer i.p.v. langer en minder (partijen). Deze wijziging van analyseren legde ik reeds uit in 2015 op mijn blog zie computers worden autonoom en gebruik ik tegenwoordig zelf zeer regelmatig.

In de laatste 2 jaar zien we nu zelfs programmeurs kiezen voor enkel nog te werken met bulletpartijen of nog sneller. Hiermee werd ook het pad geëffend voor de neurale netwerken die meer dan ooit het moeten hebben van enorme aantallen partijen spelen. Zo leerde AlphaZero zichzelf schaken door in enkele uren tijd 44 miljoen partijen tegen zichzelf te spelen. Enkel de spelregels werden aangeleerd en voor de rest moest het programma het zelf uitzoeken. Tenminste dat was het commerciële verkoopspraatje dat men overal kon lezen zoals op chessbase. Over de echte kern van het verhaal dus hoe het programma zichzelf continu verbetert, werd nauwelijks iets verteld. Om hierover meer te leren, besloot ik het boek Game Changer aan te kopen.
Ik ben halfweg met het boek maar ik heb ondertussen wel al door dat het boek niet bedoeld is om de programmeercode van Alphazero uit te leggen. De auteurs zijn in de eerste plaats schakers dus niet verwonderlijk concentreren ze zich dan ook op de schaakinhoud van de gespeelde partijen. Het blijft een mooi boek om te lezen maar voor de technische kant van hoe het schaakprogramma werkt, heb je veel meer aan het wetenschappelijk document van Google/Deepmind.

Daarin wordt o.a. uitgelegd dat het programma werkt met een waarschijnlijkheid-spreiding over 4672 mogelijke zetten. In de beginstelling zijn er slechts 20 mogelijke zetten dus je beseft onmiddellijk dat het een heel sterk staaltje programmeren is wat er verwezenlijkt werd. Zelfs de ervaren Leela-programmeurs die zich baseerden op de publicatie van Alpha Zero, hadden nog veel vragen. Misschien was dit ook de bedoeling van de makers. Men wou een nieuwe methode voorstellen maar het was aan anderen om daar creatief een nieuwe categorie van sterke schaakprogramma's mee te ontwikkelen.

Dit zeer doorgedreven statistisch leerproces is tenslotte ook volstrekt nutteloos voor de schaker. 44 miljoen partijen spelen in enkele uren tijd is geen optie. De enige statistieken gebaseerd op partijen gespeeld door mensen die enige waarde hebben, zijn openingsboeken gemaakt op basis van een database (zie mijn artikel groene zetten). Echter die waarde blijft beperkt wat ik onlangs aan de lijve mocht ondervinden. Zo speelde ik dit seizoen een partij waarin ik na 1.e4 e5 met zwart 19 zetten op een rij de meest gespeelde zet koos op meesterniveau. De Chigorinvariant van het Spaans blijft vandaag nog steeds de onbetwiste nummer 1.
Pas op zet 21 week ik af van de 4 resterende meesterpartijen in de bigdatabase 2019 . Statistisch had het sowieso weinig betekenis meer maar opmerkelijker vond ik dat ik met zwart in een onaangename stelling was beland. Dit in combinatie met een goed voorbereide en uitstekend spelende tegenstander was een dodelijke combinatie.
Dat Benjamin een te duchten tegenstander was geworden, had ik al eerder over geschreven op deze blog zie ambities deel 2. Deze partij mag hij wellicht rekenen bij zijn betere/ beste. Voor mij was de nederlaag een signaal om eens de Spaanse Chigorin opnieuw te bestuderen. 20 jaar ervaring betekent nooit dat je klaar bent met een opening. Bovendien had ik geluk want toevallig vorig jaar was er een boek gepubliceerd over deze opening geschreven door 2 grootmeesters: Ivan Sokolov en de Spaanse grootmeester Ivan Salgado Lopez.
Zoals de auteurs opmerken in het boek, is het heel vreemd dat er in de schaakliteratuur nooit eerder een gelijkaardig werk over deze nochtans populairste variant van het Spaans verschenen is. Ik heb het boek ondertussen al helemaal doorgenomen en ik raad het zeker aan voor schakers die geïnteresseerd zijn in de opening. Er wordt een zeer goed uitgebreid overzicht gegeven van de huidige theorie en die blijkt redelijk ok te zijn voor zwart. Daarnaast worden ook tal van verbeteringen aangegeven. Op chesspub kwam er kritiek op het boek dat het onvolledig is. Helemaal onterecht is dit niet want ook 20.d5 wordt niet besproken in het boek. Anderzijds met Pa5 bestaan er al meer dan 8000 meesterpartijen in de big database 2019 en dan moet je ook nog de correspondentiepartijen erbij tellen. In het boek staan voldoende alternatieven om rond eventuele gaten te kunnen laveren met beide kleuren.

Brabo