dinsdag 19 maart 2019

Kinderen leren schaken deel 3

De voorbije 2 jaren was het wereldrecord van jongste grootmeester ooit meerdere keren in gevaar. Dit staat sinds 2002 op naam van de Russische supergrootmeester Sergey Karjakin. Algemeen werd het lange tijd als ongenaakbaar geacht maar nu lijkt het eerder een kwestie van tijd tot het record door iemand wordt gebroken.


De meest prestigieuze schaaktitel blijkt dus steeds jonger te kunnen worden behaald. Sommigen zullen hierbij onmiddellijk claimen dat de titel gedevalueerd is sinds 2002 maar als dat het geval is dan zou toch elke FM/ IM uit 2002 vandaag moeten grootmeester zijn wat in de verste verte niet gebeurd is.

Echter hoe kan je anders deze waanzinnige tendens verklaren? Wel ik zie 3 belangrijke redenen. Vooreerst is er de globalisatie van het schaakspel in de voorbije decennia. Ik schreef in mijn artikel desperado deel 2 over de opgang van China maar eenzelfde evolutie zien we in India, Iran, Turkije,... Uiteindelijk wordt de eventuele kleine negatieve groei van de meeste Westerse landen, vele malen overstegen door die andere landen dus globaal leidend tot een sterke aanwas van het aantal schakers.

Ten tweede zie ik ook dat vandaag sommige topjeugdspelers een veel betere begeleiding krijgen dan vroeger. In een interview op chess.com wordt over de nieuwe grootmeester Gukesh verteld dat de jongen 30 tornooien en 276 standaardpartijen gespeeld heeft in 16 maanden tijd gespreid over 13 verschillende landen. Zonder enorme steun zowel financieel als organisatorisch is dit totaal onmogelijk. Ik vermoed dat dit in België nooit zou worden toegelaten maar we weten dat vele landen het minder nauw nemen met mensenrechten.

Tenslotte zien we ook dat er op steeds jongere leeftijd begonnen wordt met schaken. Ik heb de schaakgeschiedenis van het jeugdschaken even nageplozen. In 1951 werd voor het eerst het wereldkampioenschap schaken voor -20 georganiseerd zie World Junior Chess Championship. In 1981 werd de categorie -16 toegevoegd, in 1985 volgde de categorie -14 en in 1986 ook de categorie -10. Pas in 2005 kwam er een categorie voor -8 jarigen zie World Youth Chess Championship. Echter ook dat volstaat alweer niet meer voor sommigen want recent zien we in Azië dat er zelfs vraag is voor een categorie -7 en zelfs -6 jaar zie o.a. Lakshana is the World Schools under 7 champion en Iraans kampioenschap -6 jarigen.

Ook in België zien we deze trend van steeds jongere schakers. Trouwens dit is niet perse iets typisch voor het schaken. De druk op ouders en kinderen is vandaag bijzonder groot om zo vroeg mogelijk te beginnen aan het ontwikkelen van vaardigheden. Het aanbieden van Franse lessen aan Vlaamse kinderen in sommige kleuterscholen is hiervan een bewijs zie het laatste nieuws. Sinds dit jaar mag men ook al vanaf 6 jaar beginnen les volgen aan de kunstacademie zie 6 en 7 jarigen overspoelen kunstacademies. In het voetbal bestaat er zelfs al enkele jaren geen minimumleeftijd meer om aan te sluiten. Elke extra speler brengt immers ook extra geld in het laadje en je bent er als club best zo snel mogelijk bij want later is het veel moeilijker om nog spelers weg te lokken.

Vandaag zien we dan ook dat de meeste Belgische schaakclubs met een jeugdwerking reeds zeer jonge kinderen aanvaarden. 5 of 6 jarigen zijn geen zeldzaamheid. Echter ik zie ook dat niet iedereen eeuwig wenst mee te gaan in dit verjongingsverhaal. In KMSK heeft men onlangs besloten om volgend jaar toch de minimumleeftijd weer te verhogen naar 7 jaar omwille van de overrompeling aan nieuwe spelers en het voor de kleinsten soms niet meer was dan een veredelde kinderopvang.

Ook op de algemene vergadering van de Belgische Bond zagen we dat het jeugdschaak besproken werd. Besparingen gecombineerd met het in vraag stellen van het rendement betreffende investeringen, leidden tot de beslissing om niet meer automatisch een nationale selectie door te geven naar lagere gerangschikte spelers (zie 2018 rapport algemene vergadering.pdf).

In 16/11 VSD 2018-20 editie Antwerpen.pdf stond er ook een heel kritische noot betreffende de Belgische deelname aan jeugdkampioenschappen ver van huis. -Het is dan altijd een beetje David tegen Goliath en het is me een raadsel waarom al die "zwakke" spelers daar op af gaan. In totaal 852 !! deelnemers vanuit de hele wereld, en dit in een periode waarin men alle dagen spreekt over klimaatopwarming.- Deze uitspraak kwam een paar maand voor de allereerste klimaatmars in België georganiseerd werd (eerste schoolstaking op 10 januari) of hoe snel de publieke opinie soms kan draaien.

Nu eerlijkheidshalve moet ik toegeven dat het klimaat zeker niet de belangrijkste reden was waarom ik Hugo ondanks zijn selectie niet heb laten deelnemen aan de internationale kampioenschappen. Nee het waren puur praktische en financiële overwegingen die mij overtuigden om liever dicht bij huis tornooien te kiezen. Bovendien de coaching die de bond aanbiedt aan de jeugdspelers tijdens de kampioenschappen is iets wat ik zelf kan doen voor mijn zoon. Trouwens dit laatste is misschien wel het meest waardevolle voor de kinderen die geselecteerd zijn voor een uitzending. De meeste jongeren krijgen zelden de kans om samen te werken met sterke schakers aan hun techniek. In de meeste jeugdwerkingen kan men enkel (deels) de stappenmethode aanbieden.

Jonge kinderen die snel door de stappen gaan, worden dan ook al vlug geconfronteerd met een muur. Het is geen zeldzaamheid om te horen dat een 7 of 8 jarige al in stap 4 of hoger zit. Sommige hebben op 10 jarige leeftijd reeds alle 6 stappen beëindigd. Er is niemand meer om hen verder te ondersteunen en de ouders begrijpen niet dat er geen progressie meer wordt gemaakt. De rating blijft rond 1200-1400 hangen. Go for Grandmaster zet daarom in op zelf-redzaamheid maar ik merk op dat dit zelden werkt voor zulke jonge kinderen. Dit is spijtig want net dit gebrek aan toekomstperspectief zorgt ervoor dat vele talenten afhaken zoals laatst beschreven stond in schaakmagazine februari: "1/3 jeugdschakers geeft aan in de meest recente enquete binnen een paar jaar te stoppen met schaken".

De vele vrijwilligers die de trainingen verzorgen mogen we niet als schuldige aanwijzen. Zij doen hun uiterste best maar weten vaak niet hoe dit probleem aan te pakken. Dat dit een probleem is die alom aanwezig is, zien we o.a. in een recente workshop die aangeboden wordt op schaaksite. Ook het nieuwe boek "keep it simple 1.e4" geschreven door de Duitse internationaal meester Christof Sielecki tracht op dezelfde soort vragen een antwoord te geven alhoewel ik denk dat het niveau soms al te hoog is voor de zeer jonge doelgroep waar we het hier over hebben.

Zelf tracht ik het nog eenvoudiger te houden voor Hugo. Ik zie sommige leeftijdsgenootjes grijpen naar zeer complexe openingen die topspelers spelen maar ik ben er van overtuigd dat je een kind sneller en beter laat ontwikkelen door simpele heldere openingen te laten spelen. Op mijn blog heb ik al een paar staaltjes hiervan getoond maar onderstaande is wellicht de mooiste prestatie. Ik had vooraf getoond aan Hugo welke zetten normaal passen in dit systeem en de rest liep vanzelf. Het was alsof wit 300 elo meer had i.p.v. zwart.

Hoe goede tegen slechte loper bereiken, omspelen van paard op b1 naar de koningsvleugel, de kracht van verdubbelen van de torens op de e-lijn, ... Dit leer je niet zo direct uit de stapjesboeken en een -1800 trainer zal je dat zelden goed kunnen uitleggen, laat staan dat hij het al allemaal zelf kent.

Vanaf een kind kan praten, kan het leren schaken maar als ouder zou ik sowieso wachten tot het kind zelf interesse toont voor het spel. Bovendien hoe jonger, hoe meer ondersteuning nodig is. Vroeger beginnen schaken is bijgevolg zeker niet altijd beter. Ik ben dan ook voorstander om bij jonge kinderen te vragen in hoeverre de ouders bereid zijn om zelf "grote" inspanningen te maken en het anders toch niet verstandiger is om nog een paar jaartjes te wachten met lid te worden van een schaakclub.

Brabo

woensdag 13 maart 2019

Lc0 vs Stockfish superfinal TCEC seizoen 14

1. Inschatting kansen Leela vooraf

Vooraf dacht ik dat SF redelijk ruim favoriet was. Daar had ik enkele argumenten voor: de rating van Leela (Lc0 v0.19) op ccrl40 (Ccrl) was niet zo fantastisch: het programma stond niet eens in de top-100 (versie v0.20 schopte het tijdens de match tot een 45ste plaats). Ten tweede, op klassieke hardware scoort Lc0 heel zwak in vergelijking met de klassieke engines. Op zich niet verwonderlijk: Lc0 is eerder geschreven voor de snelle chips op grafische kaarten (GPU's), in plaats van voor de CPU's. Op een gewone CPU kan Leela niet zijn volle potentieel ontwikkelen, net zoals Fritz3 vroeger niet tot volle bloei kwam wegens een aanvankelijk gebrek aan RAM voor hashtabellen in de computers van die tijd. Zie in dat verband ook het artikel van Frederik Friedel op Chessbase (the adventure of chess programming part 3). Tenslotte vond ik ook dat het programma taktisch nog niet matuur genoeg was - vooral gestaafd door de prestaties in de voorgaande tcec competities, en occasioneel eigen gebruik. En dan een match tegen de onbetwiste leider in ccrl40…

2. Scoreverloop van de match

Het verloop van de match dan: aanvankelijk was SF duidelijk de betere engine, en nam tot tweemaal toe een voorsprong. Eerst 2-0 na amper tien partijen, maar na partij 13 stond het alweer gelijk. Daarna won SF 3 partijen na elkaar (!), maar ook nu duurde het niet lang eer Leela gelijk maakte: na partij 29 stond het weer gelijk. En toen nam Leela weer het voortouw: partij 49 en 53 werden door Leela gewonnen. Een spannende match met wisselend scoreverloop: dat hadden we al lang niet meer gezien in computerschaak. Misschien zelfs niet sinds de Braingames "kandidatenmatch" tussen Fritz en Junior in Cadaques 2001, toen die speelden om de kans om tegen Kramnik uit te komen. Junior kwam toen bijna "gratis" 5-0 voor, jawel, na vijf partijen, maar Fritz maakte in de tweede helft van de match (over 24 partijen) weer gelijk en won de play-off met 2-0.

Maar de verliespartijen waren heel pijnlijk voor Leela - het deed een beetje denken aan de match Botvinnik-Bronstein: Bronstein met diepzinnig schaak, nieuwe concepten, die op een andere manier schaak speelde, tegen een Botvinnik die na het afbreken vaak nog remise haalde en zijn winstpunten eerder moeizaam boekte. Leela gooide zo enkele halve punten in één zet weg door gebrek aan taktische kennis. Een goed voorbeeld is bv de 20ste partij, waarin Leela de verliezende zet (39...Tb6-d6) speelt met een evaluatie van 0.26, maar SF antwoordt met 40.Tg3+ en meteen al +8.56 geeft - misschien wel de "bom" van de match. Echt remise was het misschien niet (SF's evaluatie stond al op +2.50), maar het zou ook niet bij deze ene blunder blijven. In de partij erop was het weeral raak: in een gelijke stelling blundert Leela weer en SF slaat onmiddellijk toe met een inslag op f2 (-4.46). Partij 66: weer van dat. Een opmerkelijk verlies was de 85ste partij, de laatste besliste partij van de match: toen Leela nog dacht dat het remise ging worden (een overschatting van een ver opgerukte vrije a-pion), vond SF al een tijdje dat het hopeloos was voor wit - toen het "besef" bij Leela doordrong, sloeg de evaluatie meteen om naar -14.28 (SF zat toen al aan een mat in 41…). Éénmaal zelfs vergooide Leela zelfs een zekere winst (65ste partij), daar waar SF (met 6-men tbs) al 100% zeker was van verlies. Een gevolg van de lage zoekdiepte en minder intensief gebruik van de tbs'en. Tegen partij 80 stond het weer gelijk.

3. Learnt lessons over openingen, speelstijl, en andere aspecten

Naast de indrukwekkende prestaties in middenspel (Leela) en eindspel (Stockfish), waren er ook enkele belangrijke learnt lessons betreffende de openingen.
Een eerste hoogtepunt was partij 11, waarin Leela vanuit de opening (Frans) het voordeel met wit uitbouwde en niet meer omkeek. Dat was zeer indrukwekkend, vooral omdat de evaluatie van Leela meer dan 10-20 zetten voor liep op die van SF - het was een beetje grootmeester tegen amateur - alleen, die amateur was wel van supergrootmeestersterkte. Die evaluatie van Leela is trouwens iets waar je voorzichtig mee moet zijn: al in de eerste partij schiet de evaluatie van Leela op zet 104 omhoog naar 2.65, terwijl er voor SF dan al heel lang niets meer aan de hand is. Hetzelfde gebeurde in partij 9: plots springt Leela's evaluatie naar +2.24, wanneer hij de dames kan ruilen en in een lopereindspel een vrije a-pion heeft - voor SF is er niets aan de hand, en de partij wordt toch remise. Zie ook de 85ste partij: heeft Leela teveel vertrouwen in vrije a-pionnen? Er zijn nog talrijke andere voorbeelden van een te optimistische evaluatie.

Zoals gezegd, de variatie in de openingen was wel goed, maar computers lijken er een handje in te hebben om zelfs de scherpste openingen te laten verzanden in lange, geforceerde remisevarianten. Dat er ondertussen wel mooie middenspelen de revue passeren, is meegenomen, maar als SF na bv 1.e4 c5 2.Pf3 d6 3.d4 cxd4 4.Pxd4 Pf6 5.Pc3 a6 6.Le3 e6 7.a3 b5 8.g4 Lb7 9.Lg2 h5 10.g5 Pg4 11.Lc1 Db6 zowel met wit als zwart relatief snel zijn evaluatie naar 0.00 laat zakken, is perfect spel plots minder interessant geworden. Hetzelfde scenario in de 5de en 6de partij: SF ziet snel remise opduiken in het Konings-Indisch.

Met het koningsgambiet kon Leela met wit niet veel aanvangen en verloor - SF hield met wit dezelfde stelling net remise. Hoewel één paar partijen een opening niet kan beoordelen, is het toch symptomatisch dat dit net het koningsgambiet overkomt: is de romantische opening dan toch enkel goed als verrassingswapen? Zoals reeds vermeld, was de Franse partij (partij 11.1) een hoogtepunt in de match voor Leela - nu was het SF die met wit niet dezelfde kwaliteit op het bord kon brengen. Het Frans lijkt Leela te liggen, want ook in partij 35 bracht het SF in de opening in de problemen.

De winst van Leela in het Nimzo-Indisch was eerder te wijten aan enkele middenspelfoutjes van SF dan aan de opening. SF vernietigde de Pirc in partij 16 quasi vanuit de opening. De Pirc komt trouwens niet goed uit deze match: in partij 55 heeft SF alle moeite om wits initiatief in een andere variant in te dijken. Het wordt de langste partij uit de TCEC-geschiedenis: 264, eer Leela instemt met remise. In partij 71 zorgt de Pirc voor een dramatisch hoogtepunt: Leela met wit houdt zwart compleet in een wurggreep, maar raakt niet door de verdediging van zwart, ondanks een volledige dominantie van het bord. Wit lijkt alles te hebben - zwart moet zelfs met zijn koning uitwijken naar de a-kolom - maar het mag niet baten.

Algemeen kan gesteld worden dat de kleine openingen niet al te best uit deze test kwamen, noch de zijvarianten van grote openingen: zo vallen er wel een reeks remises in zijvarianten, maar dan valt het wel op dat het voordeel van wit pas verzandt na zet 25 of zo. Een voorbeeld is partij 23.

Een opmerkelijke winst boekt Leela dan weer met de witte Stonewall in partij 25. Een Philidor/Leeuw-opening in partij 27 wordt dan weer in de vernieling gespeeld door Leela - één van de zeldzame momenten waarin Leela SF weg krijgt van zijn 0.00 evaluatie en het punt verdiend naar zich toehaalt.

Partij 59 & 60 tonen aan wat "scherpe" varianten voor mensen inhouden voor computers: de Siciliaanse Draak leidt tot twee korte remises. Zelfs het Spaans moet onder het mes, maar overleeft de 5.76 evaluatie van Leela in partij 75. Het einde van de match lijkt op een voetbalpartij, waarin ploeg A wel veel balbezit heeft, maar ploeg B tenslotte in het slotkwartier twee keer countert en scoort.

4. Wat had beter gekund in de match set-up?

In tegenstelling tot vorige tcec superfinales, leek deze match van 100 partijen voor het eerst "te kort". De engines waren zeer aan elkaar gewaagd, en na 70 partijen was het verschil nog altijd maar één punt. Na 100 partijen was dat ook het finale verschil: 50,5-49,5. Ook de openingen konden hier en daar beter. De aanpak was meestal om redelijk neutrale stellingen na een zet of vijf te laten uitspelen, afgewisseld met een diepere openingslijn (die werden trouwens random gekozen uit een openingsboek van Jeroen Noomen). Deze diepere openingslijnen leverden zeker niet de meest interessante middenspelen op. Het probleem met (voor mensen) leuke openingen (zoals Marshall-gambiet, Sic Draak, Botvinnik-gambiet, koningsgambiet, Albin tegengambiet, Sveshnikov, Sämisch KID, Sevilla-variant Grünfeld, …) dat die ofwel redelijk snel uitvlakken (wegens een te geforceerde hoofdlijn) of zo goed als zeker uitmonden in winst/verlies voor wit/zwart (eveneens wegens een te groot nadeel voor één of andere partij). Wat voor mensen complex is, is niet noodzakelijk complex voor programma's. Niettemin vond ik de kritiek om toch maar wat meer beginstellingen uit grootmeesterpartijen te nemen terecht; het zou de "representativiteit" en het "nut" (voor de praktische speler) wat groter gemaakt hebben. Misschien voor de superfinale 15?

5. Nog zaken die beter hadden gekund?

SF had het competitieve voordeel dat het kon werken met 6-men tablebases (tbs), Leela slechts met 5-men. Dat verschil betekende in één partij wel degelijk het verschil tussen winst en remise, en had dus - met gelijke wapens - kunnen leiden tot een 50-50 eindstand. Nu programma's al vanaf de opening beginnen de eindspel tbs'en te consulteren (jawel), is dit zeker een punt van aandacht. En wanneer we binnen een jaar of tien met 8-men tbs'en gaan zitten (en we dus o.a. alle toreneindspelen met elk 2 pionnen gaan opgelost hebben - leuk!), blijft de vraag actueel. Of misschien is de omgekeerde aanpak (helemaal geen tbs'en meer) het antwoord?

6. Besluit: zitten we dicht tegen perfect schaak?

Op positioneel vlak zit Leela er dichtbij; om SF geregeld te overspelen, moet je echt al een indrukwekkend niveau halen. Op taktisch vlak scoort SF nog altijd (ruim) beter. De zeer grote zoekdiepte zorgt dat geen enkele taktische grap ontsnapt aan de aandacht van SF, terwijl omgekeerd, net die diepte in het zoekproces ervoor zorgt dat SF een gigantisch goede verdediger is. Één aspect van de ontwikkeling van Alpha Zero en Leela doet me denken aan wat prof Jonathan Schaeffer ervoer bij de ontwikkeling van zijn perfecte checkers spelende programma Chinook (trouwens, wie een prachtig en emotioneel verhaal wil lezen over de ontwikkeling van het eerste programma dat een regerend denksportkampioen kon verslaan, is "One Jump Ahead" een absolute aanrader). Dat was namelijk iets wat Schaeffers team en het team van Demis Hassabis (Deep Mind en Alpha Zero) recenter opmerkten: dat verdere ontwikkeling en meer training resulteerde in meer remises (een indicatie dat schaken bij correct spel remise is, of dat er (altijd) een plafond is aan een leercurve?). Dat effect was vroeger voor een deel te verklaren aan het feit dat "remise gelijk is aan remise" voor een computer. Met andere woorden: als een "simpele" evaluatiefunctie 0.00 geeft, dan bepalen (simpel gezegd) andere factoren (bv de sortering door de zettengenerator) welke zet eerst gekozen wordt om de 0.00 te behouden (zie in dat opzicht het artikeltje van Tim Krabbé over "een appelsien schillen in Alaska ("sukkels"). Een intelligente add-on zou inhouden dat het programma in dat geval (we laten contempt even buiten beschouwing) de zet kiest met het meeste risico voor de tegenstander om toch nog een faux-pas te maken (bv een voortzetting met een "smalle" remiseweg, of met veel "enige zetten", of zoveel mogelijk materiaal / pionnen op het bord houden). Ik ga ervan uit dat bij de moderne programma's hier al aan gewerkt is, maar zoiets helemaal wegwerken is moeilijk.

Het voordeel van Leela is dat "de machine" nu het programmeerwerk overneemt - vroeg of laat zal de ontwikkeling van Stockfish (ondanks alle testpartijen dat het programma tegen zichzelf speelt met een (evt) zelflerende evaluatiefunctie) stranden op het menselijk mogelijke programmeerwerk. Bij Leela is het absolute minimum aan programmeerwerk gekoppeld aan resultaatmaximalisatie - en zoals één van de programmeurs van Leela al schreef in een blog over de ontwikkeling van het programma: ga je als programmeur van een klassiek programma (bv SF) een week op vakantie, dan vind je daarna je programma terug in de staat waarin je het gelaten hebt. Bij Leela kan het best dat het na een week weer een stap in speelsterkte vooruit heeft gezet. Tegen een dergelijke grens lijkt Komodo aangelopen: op ccrl40 staat versie 11.3 3 punten hoger dan versie 12 en 12 punten hoger dan versie 12.3. En de MCTS-versie van Komodo begint heel dicht bij de klassieke versie te komen, dus ook bij de Amerikanen lijkt een tipping punt bereikt.

Maar zoals hierboven al vermeld: de evaluatie van Leela is - in tegenstelling tot SF - niet fireproof: zelden zo een hoop partijen gezien waarin een "winnende" evaluatie (+2, +3, +4, zelfs +5 en meer…) niet omgezet werd in winst. Het winnende pad is in computerschaak soms zo smal, dat één afwijking genoeg is om een half punt meteen weg te gooien. En daartegen is Leela voorlopig nog niet bestand - op dat vlak is het dus nog een beetje menselijk :-) Maar voor de praktische schaker, is dat nadeel misschien een voordeel, en is Leela zeker een waardevolle invulling om nieuwe ideeën (plannen) te vinden in openingen, of om bv niet-tbs eindspelen te evalueren op praktische kansen (daar waar SF eerder klassiek eerder 0.00 zal aangeven, zonder dat er inzicht komt over kansrijke voortzettingen).

Nawoord:

Voor de critici die deels terecht de openingen aanwezen als een te bepalende factor, na de match werd een rapid-match zonder opgelegde openingen gehouden met kortere tijdslimiet. Leela won deze met 56-44 zie bv s14 bonus match leela stockfish, een opvallende grote marge, vooral aangezien een taktisch sterk programma steeds als bevoordeeld werd aanzien bij kortere tijdslimieten.

HK5000

vrijdag 8 maart 2019

8. Arthur Dunkelblum

8. Arthur Dunkelblum

(23 april 1906, Krakow – 27 januari 1979, België)
Arthur Dunkelblum werd geboren in Krakow, dat toen nog behoorde tot het immense keizerrijk van Oostenrijk-Hongarije. Zoals zijn naam al doet vermoeden, was hij van joodse afkomst. Op één of andere manier belandde hij in Antwerpen en bouwde er zijn schaakcarrière uit. Hij speelde voor België in maar liefst 11 Olympiades (een aantal dat groter had kunnen zijn zonder WOII) – van 1928 tot 1968, een verschil van 40 jaar, wat van hem één van de langst actieve “Olympiërs” maakt.

Hij was een duidelijk jeugdtalent en al in september 1922, amper 16 jaar, werd hij in Antwerpen derde in het tweede congres van de FBE, de Belgische Schaakbond (Colle won voor Koltanowski). In 1925 werd hij derde in een selectietornooi voor het NK in Brussel. In 1926 werd hij gedeeld 5de-7de in het NK in Spa. Hoewel geen absolute Belgische top, kon hij toch goed zijn mannetje staan en dat toonde hij nog eens in het NK van 1930, waar hij 2de-3de werd (Koltanowski werd kampioen). Dat hij tussen 1924 en 1931 niet vaak voorkomt in tabellen van NK’s (of kampioenschappen van de Belgische Schaakbond), was omdat de FBE spelers van buitenlandse origine (niet consequent ) weerde uit de nationale titelstrijd. In het kampioenschap van de FBE in Brussel 1933 werd hij derde. Dyner won voor Devos en Dunkelblum, die slechts tegen Devos verloor, maar won tegen de laatste drie. In 1934 werd hij derde in Luik, waar Soultanbeieff met 6/7 kampioen werd. In 1935 werd hij eindelijk genaturaliseerd tot “echte Belg” en in (open) kampioenschappen kan hij nu ook echt voor de nationale titel strijden. Het lijkt hem te motiveren, want in 1935 werd hij tweede (6/8) in het FBE-kampioenschap, achter Boruch Dyner (7/8). Zijn “remisesterkte” is dan al gekend: Dunkelblum had een heel solide speelstijl, gekoppeld aan een goede theoretische kennis – op zich ideaal voor nationale tornooien, waar niet verliezen soms belangrijker is dan winnen, maar heel vaak zag hij telkens net die ene speler in vorm hem net vooraf gaan. Zo ook in 1936: hij scoorde 6/9 (ongeslagen), maar Koltanowski maakte één van zijn laatste optredens in het land en won met 6,5/8. Het was een goede voorbereiding op het tornooi van Oostende het jaar erop.

In het internationaal tornooi van Oostende in 1937 werd hij 9de en voorlaatste – hij breekt er geen potten: zes remises en drie nederlagen. In het NK in Brussel datzelfde jaar werd hij derde (6,5/10), achter Paul Devos en nieuweling O’Kelly (beiden 7,5/10). Net nu de weg vrij leek voor Dunkelblum om enkele nationale titels op te strijken, komt daar toch een nog sterkere en jongere speler roet in het eten gooien… Nog in 1937 speelde hij op het topbord van het Belgisch olympiadeteam (met de jonge O’Kelly op bord 2). Hij speelde sterk en moest slechts een lichte minscore incasseren: +4, =9, -5. Hiermee behaalde hij vier van de in totaal tien winstpartijen die België haalde. Onder zijn slachtoffers vinden we Aitken (Engeland), Kavli-Jorgenssen (Noorwegen), Gauffin (Finland) en Petrov (Letland). Maar indrukwekkender zijn de namen waartegen hij remiseerde: Mikenas, Stahlberg, Trifunovic, Flohr en Keres!

De oorlog rukt ook in België (joodse) schakers voorgoed weg uit het leven – Sapira en Perlmutter verdwijnen, Rubinstein moet onderduiken met zijn familie. Dunkelblum heeft het geluk dat hij wel opgepakt wordt, maar de Duitse officier die over zijn lot moet beslissen, schaakt ook en herkent zijn naam: Dunkelblum mag beschikken.

Na WOII nam hij de draad weer op en werd vierde in het NK van 1946, achter O’Kelly, Lemaire en Pepers. In 1947 werd hij tweede achter O’Kelly. Nog in 1947 werd hij 5de-6de in het C-tornooi van Baarn, gewonnen door B.H. Wood. 1948: weer tweede (6,5/9), nu achter Paul Devos (7/9). Zou het dan nooit lukken met die nationale titel? Hij wint er wel een bijna-miniatuurtje tegen de sterke professor Marcel Barzin.

En in 1949 lukte de gooi naar de nationale titel wel: na een tweede plaats in het FBE-kampioenschap (achter die andere nieuweling Van Seters), lukt het later dat jaar in het NK te Brugge, waar hij kampioen werd. Hij wint met 6,5/9 voor een viertal met 5,5/9: Van Schoor, Lemaire, Baert en Pepers. Voor de petite histoire: in dat jaar worden ook de eerste rapid NK’s gehouden en een zekere Jozef Boey wint het categorie 3 tornooi.

In 1950 leverde hij zijn beste tornooiprestatie: tweede na Rossolimo in Gijon. Ook in het kersttornooi van Saarbrücken ging het goed: 6/11 in een sterk deelnemersveld, dat aangevoerd werd door Joegoslavisch kampioen Fuderer (9/11), gevolgd door Donner (8,5), Bernstein (7) en Popel (6,5). Opmerkelijk genoeg werd hij met 8 remises geen remisekoning in dit tornooi: Müller schoof er tien, en won in de laatste ronde van Sämisch, zodat ze beiden met 6/11 eindigden. Op nieuwjaar won hij er wel het blitztornooi, samen met specialist Sämisch (12,5/15), voor Fuderer, Müller en Bernstein.

Na die ene titel volgden nog talrijke ereplaatsen in NK’s – en een rapidtitel in 1952 en in 1955. Maar het is vooral O’Kelly die hem van verdere titels houdt. In totaal behaalde hij 12 tweede plaatsen in NK’s en kampioenschappen van de FBE.

Jaren later probeerde hij het nog eens in het ZT van Dublin in 1957, maar hij strandde op een 10-11de plaats. Pachman won dit sterk bezette ZT voor Benko, Gligoric, Schmid en Alexander. Niettemin kreeg hij dat jaar eindelijk – en verdiend – de IM titel toegekend. In België was hij nog wel top, maar internationaal was zijn rol voorgoed uitgespeeld.

Op 29 september 1957, als kersvers Internationaal Meester, kwam hij een simultaan geven in Roeselare; hij won met +22,5/27. Na 1965 zakt hij in de NK’s dieper in de stand weg. Op de “elolijst” van 15 december 1967 staat hij nog wel zevende (1838; O’Kelly heeft 2327, Boey 2041, Cornelis 2022, Limbos 1943, Jan Rooze 1891 en Van Seters 1887).

In het tornooiboekje van het NK van Gent 1970 karakteriseerde Van Seters Dunkelblum als volgt: “Onze Belgische Capablanca, maar tevens onze remisekoning Trifunovic, schoof 9 remises op 11 partijen. Zijn positiegevoel en zijn respect voor ’t evenwicht is legendarisch. Een kunstenaar in de verdediging, waar zijn oude, solide en statische varianten hem goede diensten bewijzen. Deze blijken moeilijk te bestormen, ten minste voor spelers van onze kracht. “Dunkel” zoekt duidelijke en eenvoudige stellingen. Van spanningen moet hij niets hebben. Toch weet hij er raad mee, wanneer deze hem worden opgelegd. Met zwart wenst hij niet te verliezen; met wit neemt hij geen risico’s. In gunstige stellingen wikkelt hij dikwijls te snel af (De Bruycker-Dunkel) of hecht te veel waarde aan materieel voordeel (Dunkel-Van Osmael). Een mooi voorbeeld van zijn kunnen is zijn overwinning op Coppens.”
 
Zijn remise-reputatie was zo groot dat er een anekdote is overgebleven vanuit dat NK in Gent: een Brusselaar spreekt Van Seters aan bij de bar en zegt hem: “Zeg, Van Seters, het schijnt dat u bye bent vandaag”. “Maar ik speel toch tegen Dunkel” “Juist daarom!”… 

In 1971 wordt hij nog eens derde, maar het is zijn laatste wapenfeit. Zijn laatste deelname is in 1972: 4,5/11 en hij laat slechts vier spelers achter zich. We zien hem niet meer terug in een NK, maar wel nog in bv het internationaal tornooi van Netanya in Israel, waar hij met Jan Rooze aantreedt. Kaldor wint dat tornooi (8,5/11), voor Jan Rooze (7,5) en Jaan Eslon (7), de man die het eerste tornooi van Linares zou winnen. Dunkelblum scoort een goede 5/11 – zijn rating is dan nog altijd 2240 – ter vergelijking: I.M. Teodor Ghitescu, die vierde wordt, heeft 2435; Alla Kushnir, wereldtop bij de dames, wordt voorlaatste en telt 2365 toenmalige elo’s.

Dunkelblum heb ik op een achtste plaats in dit overzicht gezet. Met de eerste zeven spelers heeft waarschijnlijk niemand een probleem (met de volgorde ervan misschien wel), maar Dunkelblum sluit hier nauw bij aan. Hij heeft niet enkel een lange aanwezigheid vertoond aan de Belgische schaakborden (van 1922 tot 1972: meer dan 50 jaar), maar dan ook nog eens op hoog niveau: enkel een O’Kelly kon hem van meerdere titels houden. Chessmetrics geeft hem meer dan 2500 historische elo (rond 1950-51) en een top-100 plaats in augustus 1934. Het artikel hierboven vermeldt vooral zijn (inter)nationale successen, maar voor zijn Antwerpse club Macabi heeft hij ook nog vele veldslagen geleverd. Samen met de jongere Boey vormde hij de speerpunt van het Antwerpse schaak en enkel de clubs uit de grote steden konden echt weerwerk bieden. Daarnaast trad hij aan in talrijke landen- en interprovinciale ontmoetingen (heel populair in de vijftiger jaren) en speelde nog wat kleinere internationale tornooien.

Voor dit artikel heb ik dankbaar gebruik gemaakt van de website Belgian Chess History en Les Cahiers du Creb (vol 1 & 2).

HK5000

maandag 4 maart 2019

De Leningrader

In mijn eerste jaren competitieschaak heb ik van elke (grote) opening in mijn repertoire een boek gekocht. Het Spaans, het Frans, de Caro-Kann, de Aljechin, de Pirc en het Hollands (stonewall) waren ze. Alles samen bijna drie duizend Belgische franken want de euro bestond toen nog niet. Voor een student want we spreken rond het jaar 1994, was dit een serieuze investering.

Daarna heb ik geen nieuwe openingsboeken meer willen aankopen. De opkomst van engines en databases maakte het mogelijk om je eigen openingsanalyses te maken. Daarnaast zag ik ook dat het voor een amateur een heel kostelijk hobby zou worden indien je steeds de meest recente openingsboeken van je repertoire wilt bezitten. Trouwens veel boeken zijn grotendeels een herhaling van eerder gepubliceerd werk waardoor het rendement snel daalt. Tenslotte moet je ook nog bereid zijn om het allemaal te lezen en vooral in te studeren wanneer je in de praktijk de aangeboden kennis wilt toepassen. Te vaak bleef een openingsboek voor mij gewoon een naslagwerk en was er dus geen sprake van een optimale openingsstudie.

Pas begin vorig jaar maakte ik een uitzondering. Na meer dan 20 jaar kocht ik nog eens een openingsboek: The Leningrad Dutch. Ik had beslist om die opening toe te voegen aan mijn repertoire (zie waarom vorig blogartikel) maar besefte onmiddellijk dat ik dit onmogelijk op korte termijn kon riskeren zonder externe hulp. De Leningrader heeft een labyrint aan varianten. Het is onbegonnen werk om zelf door de 10.000 partijen in de databases het kaf van het koren te scheiden. Het is dus volstrekt logisch om te rade te gaan bij iemand die de Leningrader al vele jaren zelf gespeeld heeft en dan is vaak de gemakkelijkste en goedkoopste oplossing een boek kopen. Er waren een aantal mogelijkheden maar uiteindelijk vond ik het boek van de Oekrainsche grootmeester Vladimir Malaniuk het aantrekkelijkst. Hij was wellicht de grootste voortrekker van deze opening want hij speelde het onafgebroken tijdens meer dan 3 decennia tegen collega-grootmeesters. Ik zeg "was" want in 2017 overleed hij in verdachte omstandigheden.
Ondertussen heb ik het boek reeds 2 keer doorgelezen. In mijn 2 recente standaardpartijen met de Leningrader kwam het al onmiddellijk van pas want telkens kon ik een aanbeveling volgen uit het boek. Echter toen ik die later aan een grondige analyse onderwierp, ondervond ik dat de auteur te optimistisch was geweest in zijn evaluaties. Ik begin met een eerste stelling die ik effectief op het bord kreeg zie opnieuw vorig blogartikel.
The Leningrad Dutch pagina 123 variant 1
De auteur vertelt ons dat wit moet proberen te egaliseren met nauwkeurig spel. Echter met het nieuwtje exf5 gevolgd door Dc2 staat wit volgens mijn topprogramma's duidelijk beter.
The Leningrad Dutch pagina 123 variant 2
We zijn 2 zetten verder in dezelfde partij. Deze stelling wordt bereikt via een andere zettenvolgorde in het boek. De auteur vertelt ons dat het gelijk staat terwijl de computer een duidelijk voordeel aantoont met Pce2 voor wit. Gelukkig voor mij miste wit deze zet in de partij.

Een fragment van de andere Leningrader die ik speelde in een standaardpartij, werd reeds gepubliceerd in het blogartikel desperado deel 2. Ook hier is de auteur weer te optimistisch.
The Leningrad Dutch pagina 269
Wit kan niet egaliseren en de auteur gaat verder met het zwakke 14.Tf3 om zijn stelling te bewijzen. Echter ik toonde reeds aan met behulp van de computer dat 14.Dg4 nog steeds voldoende is voor gelijkspel.

Het boek heb ik in de eerste plaats gekocht voor de Leningrader maar ik keek ook eens naar wat de auteur ons vertelt over de anti-Hollandse varianten. Zo was ik benieuwd of de auteur een vrij recente ontwikkeling in het Stauton-gambiet had opgemerkt.
The Leningrad Dutch pagina's 57 en 62
Zwarts extra pion compenseert zijn lichte achterstand in ontwikkeling, wordt ons door de auteur verteld. Echter 14.Pd4 wordt compleet genegeerd en is al bekend sinds 2009. Wit scoorde er recent 4 overwinningen mee in meesterpartijen. De computer is er ook heel enthousiast over.

Het overgrote deel van de analyses in het boek heb ik nog niet kunnen checken maar ik vrees dat ik slechts het topje van de ijsberg heb blootgelegd. Het bevestigt mijn perceptie van schaakboeken dat ze veelal geschreven zijn voor de gewone clubspeler dus zonder het maken van doorgedreven computeranalyses.

Gelukkig had ik op voorhand geen al te hoge verwachtingen gesteld van het boek zodat ik uiteindelijk niet teleurgesteld was. Ik wou een skeleton van de Leningrader en het boek voldoet zeker daaraan. De auteur heeft een repertoire gemaakt voor zwart en toont voor elke belangrijke variant wat hij zou spelen. Je kan het vergelijken met de ruwbouw van een huis maar de rest moet je nog zelf doen. Het is voldoende om te starten maar als ik de opening regelmatig wens te spelen dan doe ik best zelf nog heel wat analysewerk.

Tenslotte merk ik ook nog op dat ik veel kan onthouden uit het boek maar ook nog veel vergeet. Ik ben begonnen met het nog een 3de keer door te lezen maar dit zal nog niet volstaan om alle nevenvarianten te onthouden. In de praktijk is het nochtans vaak handig zeker in de Leningrader om ook te weten wat er dan moet gebeuren. Als oplossing hoor ik dat sommigen daarom alle varianten van een boek overtypen in een pgn-file om die dan te oefenen met chess position trainer. Dit is een titanenwerk waarvoor ik pas. Met de hoofdlijnen heb ik al mijn grens bereikt. Een relatief nieuw initiatief is chessable die dit digitaliseren voor jou doet. Gratis is het niet maar veel duurder dan het boek zelf die je dan kan uitsparen, is het evenmin. Alleen het aanbod van boeken op chessable is vandaag nog beperkt. De Leningrad Dutch zit er niet bij. Ik heb geen ervaring met Chessable maar gezien hun snel stijgende klantenbasis, zou dit wel eens in de toekomst een belangrijke speler kunnen worden in de verkoop van schaakinformatie.

Brabo

woensdag 20 februari 2019

Hollandse stappen in de Engelse opening deel 2

Het is al 6 jaar geleden dat deel 1 op deze blog gepost werd. Recent maakte ik echter enkele ontdekkingen die mij voldoende interessant lijken om te delen in een vervolg. Ik zie trouwens in heel veel openingen de theoretische ontwikkelingen versnellen door de steeds sterker wordende schaakprogramma's. In 2015 voorspelde ik al dit effect in het artikel computers worden autonoom. Zo merk ik op dat er de laatste paar jaren een opmerkelijke vooruitgang is op vlak van openingstrategie van de topprogramma's. Computers zijn steeds vaker in staat om ook in openingen waarin weinig of geen taktiek een rol speelt zelfstandig een kritieke opstelling te vinden. Ik vermoed daarom dat we in de volgende jaren een aantal strategisch dubieuze openingen zo goed als volledig zullen zien verdwijnen uit de bordpraktijk op meesterniveau.

Jawel bij die dubieuze openingen hoort zeker en vast ook het Hollands. Tot nu toe slaagde ik er altijd wel in om de gaatjes te dichten maar tegenwoordig is het bijna dweilen met de kraan open. Trouwens het is niet alleen de frequentie maar ook dat de problemen steeds lastiger zijn. Negeren en hopen dat niemand ze ooit tegen je zal spelen, lijkt mij op middellange termijn naïef maar ook onverstandig voor de eigen schaakontwikkeling. Ik heb vandaag geen positieve kijk meer op de toekomst van het Hollands waardoor je natuurlijk kunt afvragen of ik niet beter onmiddellijk uitkijk naar andere openingen. Anderzijds wat maakt een extra jaartje meer of minder Hollands spelen nog uit voor mijn schaakcarriere. Ik ben bijna 43 jaar dus ik zie geen reden om nu nog haast te maken.

In het artikel analyseren met de computer deel 3 lichtte ik al een tip van de sluier op door te vertellen dat ik het klassieke Hollands bestudeerd had. Echter ik bleef toen vaag over het waarom en wat ik uiteindelijk concludeerde. Nu een jaar later ben ik wel bereid om hierover te schrijven want het wordt sowieso steeds minder relevant om het geheim te houden. Laat ons starten met waar ik vorige keer geëindigd was. Sinds 2012 speelde ik na 1.c4 f5 2.Pf3 Pf6 3.g3 e6 4.Lg2 telkens Le7 waardoor ik nog steeds kon kiezen tussen d6 of d5 afhankelijk van wits opstelling. Uiteindelijk speelde ik er 10 standaardpartijen mee. Makkelijk spelend, vond ik de opening nooit maar het was mijn laatste partij gespeeld in de 6de ronde van Open Leuven 2017 tegen de de Belgische IM Stefan Docx die definitief een bres sloeg.
Wits openingsvoordeel is niet groot, Daarentegen kan zwart het niet neutraliseren. Bovendien heeft zwart geen enkel tegenspel en dit betekent hier dus een heel lange lastige verdediging voor maximaal een half punt. Niet verwonderlijk lukt het mij uiteindelijk niet in de partij. Het is normaal dat je met zwart moet verdedigen maar dan moet een gelijkspel wel binnen bereik zijn.

Het klassieke Hollands is de meest voor de hand liggende oplossing maar na een grondige studie gedurende enkele weken, vond ik het geen goede keuze. De correctheid van de opening staat zeker ter discussie vandaag. Trouwens het is niet 1 maar meerdere kritieke varianten die mij zorgen baren. Uiteindelijk leek het mij ook vrij absurd om de ene krakkemikkige opening te vervangen door een andere.

Helemaal zinloos was de studie evenmin want zo kon ik o.a. mijn leerling Sterre Dauw een belangrijk duwtje in de rug geven naar zijn recente eindoverwinning van het Vlaams jeugdkampioenschap in de categorie -18. In de 5de ronde moest hij tegen de Belgische FM Jasper Beukema, zijn grootste concurrent en een specialist van het klassieke Hollands. Sterre vroeg mij of ik een interessante variant kende en dat was zeker het geval. Op chesspub kwam het idee al aan bod maar in de praktijk is het relatief onbekend en zoals ik vermoedde ook voor Jasper.
De partij was doorspekt van fouten maar je kan niet negeren dat wit met duidelijk voordeel uit de opening kwam en zwart de hele partij op achtervolgen was. Jasper wisselt al geregeld af het klassieke Hollands met andere openingen maar ik denk dat het beter is om het helemaal niet meer te spelen.

Misschien moet Jasper eens bij grote broer en IM Stefan te rade gaan want hij is een specialist in de Leningrader. De Leningrader staat bekend als de meest betrouwbare telg in de familie van de Hollandse openingen. Daarnaast heeft het ook als grote plus dat je het heel makkelijk kunt spelen op een zeer brede waaier van witte opstellingen waaronder ook de Engelse opening in tegenstelling met de andere Hollandse openingen.

In 2012 voelde ik mij nog niet klaar voor de stap naar de Leningrader. Vandaag was het van moeten als ik het Hollands wou verder blijven spelen in de Engelse opening. Ondertussen heb ik het al 2 keer in standaardpartijen op het bord gehad. De meest recente partij werd gespeeld in de laatste ronde van Open Leuven 2018. Achteraf vertelde mijn tegenstander Marc Kocur dat hij de Leningrader zelf al jaren speelt dus dat verklaart onmiddellijk waarom ik het aanvankelijk niet makkelijk had.
Ik beleefde enkele bange momenten in de opening. Ik mis duidelijk ervaring. Desondanks moet ik toegeven dat het een verademing is eens dit soort dynamisch schaak te kunnen spelen. Alhoewel ik de controle geregeld verlies is het veel meer fun. Tenslotte ziet het er theoretisch voorlopig allemaal best ok uit. Het is wellicht ook de laatste Hollandse stap in de Engelse opening.

Brabo

donderdag 14 februari 2019

Big Database

Steeds minder schakers zijn nog bereid om te investeren in een grote database. Je kan steeds meer gratis online vinden (zie de introductie van mijn artikel ultracorr-x) en zonder de (te) dure automatische updates vinden de meesten niet de motivatie om een database up to date te houden. Tenslotte kan je vandaag beter kijken naar de evaluatie van een topengine dan de zetten gespeeld door een grootmeester die veel zwakker zijn.

In Chessbase deel 1 gaf ik aan dat veel CB gebruikers 95% van de functies nooit gebruiken. Ik ben ervan overtuigd dat we dit grotendeels kunnen toeschrijven aan het ontbreken van een kwalitatieve gemakkelijk toegankelijke database. CB15 en in mindere mate Fritz doen (bijna) niets zonder een databank.
  • Automatische partij-analyse met referenties naar partijen gespeeld met dezelfde opening
  • Openingsreferentiefunctie
  • Creëren van een openingsboek naar keuze van gespeelde partijen
  • Opzoeken van thema's
  • Plan Explorer
  • Endgame functie
  • Automatische voorbereiding op een tegenstander
  • elo-ratings berekenen op basis van een selectie partijen
  • snelheid opzoekingen en beheren van databases
  • verkennen van databases
In elk geval vind ik het vreemd om CB uberhaupt aan te kopen wanneer je niet van plan bent om bovenstaande functionaliteit te gebruiken.

Dus ik raad schakers met CB en ook Fritz aan om een database te onderhouden die ze als referentie kunnen gebruiken. Dan is natuurlijk de volgende vraag welke database. Hierbij moeten we een aantal criteria bekijken:
  • Het prijskaartje niet alleen om de database aan te kopen maar ook om die up to date te houden
  • Hoe vaak wordt de database bijgewerkt?
  • Is het mogelijk om partijen van lagere elo's te vinden om een partijvoorbereiding op hen te kunnen maken?
  • In hoeverre worden partijen uit diverse landen verzameld in de database?
  • Zijn computerpartijen, anonieme online gespeelde partijen (veelal blitz) in de database toegevoegd om het aantal op te drijven?
  • Zijn er historische partijen in de database en doet men een poging om die nog verder uit te breiden?
  • In hoeverre zijn de namen, elo, plaats,... correct vermeld bij elke partij?
  • Bestaan er automatische updates voor de database?
  • Zijn de partijen becommentarieerd?

Nu het is onbegonnen werk om alle mogelijke databases in de wereld te vergelijken. Op chessgameslinks.lars-balzer.info kan je meer dan 100 links vinden naar diverse databases en dat overzicht is zeker niet volledig.  Anderzijds als we de prijs even buiten beschouwing laten dan denk ik niet dat er een betere keuze is dan de jaarlijkse Mega Database upgrade (van de vorige bigbase of vorige mega database).  Kwaliteit, kwantiteit en service worden door geen enkele concurrent geëvenaard. Echter 120 euro per jaar is een heel stevig prijskaartje. Bovendien kan je jezelf afvragen of partijen met commentaar zinvol zijn. Binnen een paar jaar zijn de analyses achterhaald zie mijn artikel uit 2016 waarin ik aangaf dat de topengine gemiddeld 55 elo per jaar sterker wordt.

M.a.w. als je een serieuze besparing kan doen door geen becommentarieerde partijen te kiezen dan zou ik dat zeker aanraden. Schakers die CB bezitten kunnen bijgevolg beter kiezen voor de online update referentie-database voor slechts 60 euro per jaar. Schakers die werken met de Fritz interface kiezen best tussen ofwel big database 2019 voor 70 euro per jaar ofwel otb-openingmaster voor 59 euro per jaar. De otb-openingmaster is iets goedkoper en je krijgt ook nog eens 3 updates tijdens het jaar. De nadelen zijn dat je de database slechts kunt verkrijgen via een downloadlink en het geen product is van CB.

Tenslotte het goedkoopste alternatief zonder te veel verlies aan kwaliteit is misschien nog altijd wel good old TWIC. Mits maximum 10 minuten per week te investeren, kan je er telkens een mooie collectie aan recent gespeelde partijen gratis downloaden en vervolgens toevoegen aan de referentiedatabase. Of als het minder belangrijk is om elke week altijd de laatste partijen down te loaden dan kan je zoals ik het bundelen in 2 keer 1 uur per jaar. In 2 uren werken heb ik dus minstens 60 euro bespaard of zie ik het te rooskleurig? Ik deed de proef op de som door een vergelijking te maken tussen een Mega database 2016 aangevuld met twics en een Big database 2019. Ik denk dat er ongeveer 1 of 2 weken verschil is tussen beide in het voordeel van de twics waarmee we voor kleine verschillen rekening moeten houden. Onderstaande tabel toont een gedetailleerde vergelijking op basis van aantal partijen in diverse domeinen: globaal, +2500, +2300, wereldtop 10, Belgische top 10,  Belgen en geschiedenis. Ik geef ook nog ter info de aantallen mee van de gratis online database chess.db.

Meer partijen in een database betekent zeker niet een interessantere database. Zo zien we dat chess.db claimt meer dan 2 miljoen groter te zijn dan de Big Database maar toch beduidend minder partijen bevat van de Belgen.

Betreffende twic valt het op dat je betreffende recente grootmeesterpartijen niets mist. Daarnaast is het moeilijk om de 650.000 gemiste partijen over 3 jaar te negeren. Chessbase doet duidelijk een extra inspanning om ook de partijen van de gewone sterveling te verzamelen want begrijpt dat ze hiermee het verschil kunnen maken voor hun klanten. De meeste klanten zijn niet topschakers maar wel clubschakers die het minstens even interessant vinden wat er rond zich afspeelt.

Alhoewel de 1800 "nieuwe" historische partijen wellicht weinigen als waardevol beschouwen en het zonder twijfel financieel voor Chessbase niet interessant is, vind ik het persoonlijk wel een leuke bonus. Chessbase kijkt gelukkig niet enkel naar het commerciële belang van de database maar ziet zichzelf ook als archivaris van de schaakgeschiedenis. Het digitaliseren van oude kranten en tijdschriften is een zeer tijdrovende bezigheid en staat in schril contrast met hoe recente partijcollecties met een paar klikken van websites worden geplukt.

Elk jaar een big database aankopen vind ik persoonlijk nogal duur voor het verschil t.o.v. twic maar 1 keer om de 3 jaar is wel de moeite. Trouwens ik ontdekte nog een belangrijk bijkomend voordeel van de big database t.o.v. twic. Zo blijkt twic enkel de initiaal van een voornaam te bewaren en loopt het ook geregeld fout bij de familienamen van o.a. Chinezen. De gegevens van partijen in de big database zijn een stuk completer waardoor het zoeken van informatie ook vaak makkelijker en sneller kan.

Dit jaar kocht ik mij dus opnieuw een big database aan met de overgebleven cadeau-bonnen van mijn zoon. Bovendien gaf ik mij hierdoor ook opnieuw een up to date powerboek cadeau. Weinig schakers weten het maar powerbook 2019 die door Chessbase aangeboden wordt voor 70 euro kan je zelf perfect creëren uit de Big Database. Ik creëerde er zelfs ineens 2 verschillende: 1 openingsboek met partijen waarbij minstens 1 speler + 2300 elo had en 1 openingsboek met partijen waarbij beide spelers +2500 elo hebben. Je moet wel enig geduld hebben want mijn 4 jaar oude laptop had 12 uren nodig voor het 1ste en een kleine 2 uren voor de 2de.
Openingsboek met minstens 1 speler +2300 gefilterd uit de big database 2019
Openingsboek met beide spelers +2500 gefilterd uit de big database 2019
Het is opmerkelijk dat rating nauwelijks invloed heeft op de populariteit van de eerste zet. Dat heeft misschien te maken met dat de meeste spelers volgen wat de topspelers kiezen. Anderzijds is het wel zo dat het voordeel van de eerste zet iets groter blijkt te zijn bij de hogere elo's. Zo stijgt het voordeel bij 1.e4 van 62 elo naar 78 elo, bij 1.d4 van 60 elo naar 74 elo, bij 1. Pf3 van 42 elo naar 64 elo en bij 1.c4 van 40 elo naar 60 elo.

Statistiek is natuurlijk 1 van de belangrijkste troeven van een database. Echter de grootste waarde van een database blijft natuurlijk verscholen in de partijen zelf. Ik begon mijn artikel met dat sommigen de engine voldoende vinden om een evaluatie te krijgen in een opening. Wel ik ben er zeker van dat hiermee onrecht wordt aangedaan tegenover onze rijke schaakgeschiedenis. Tal van vergeten schatten zijn er te ontdekken in de big database die af en toe zelfs onze beste engines niet kunnen vinden. Nee denk maar niet dat onze top-engines het altijd weten. Kijk naar de lopende TCEC superfinale seizoen 14 waarin het ongenaakbaar geachte Stockfish momenteel 2 punten achterstaat terwijl we voorbij halfweg zijn. LeelaChessZero (afgeleid van Alphazero) is bezig geschiedenis aan het schrijven.

Brabo 

donderdag 7 februari 2019

7. Mikhail Gurevich

7. Mikhail Gurevich

(22 februari 1959, Kharkov)
Gurevich naast de betreurde Kveinys in Cappelle-la-Grande 2015
Mikhail Gurevich, schaakbelg par excellence. Als klein landje mogen we best blij zijn dat deze ex nummer vijf van de wereld België koos als uitvalsbasis voor een leven buiten de USSR, tussen 1991 en 2005, waarna hij voor het zonniger en kapitaalkrachtiger Turkije koos.

Zijn zeer sterk parcours dat hij aflegde vóór hij naar België kwam (kampioen van Oekraïne in 1984, IM in 1985, kampioen van de USSR in 1985 (maar hij mocht toch niet deelnemen aan het IZT dat volgde), winst in Reggio Emilia in 1989, winst in Tel-Aviv in 1989 met 10,5/11 (Luc Winants eindigde daar met 4,5/11), winst in Moskou 1990), kan ik niet meenemen in mijn evaluatie van grootste schaakbelg, maar zijn aanwezigheid aan Belgische borden wel.

Hij heeft er waarschijnlijk in beperkte mate mee voor gezorgd dat de omstandigheden voor de weinige profspelers iets beter werden in België, maar een actieve rol heeft hij niet echt gespeeld. Hoewel zijn beste periode net voor zijn verhuis naar België lag, heeft hij ook als schaakbelg goede resultaten neergezet. In het SKA tornooi in München 1993, een hardbevochten tornooi met weinig remises, werd hij derde met 7/11 (zelf speelde hij maar 2 remises). Andere demonstraties van zijn speelsterkte waren er des te meer, met als uitschieter natuurlijk zijn nationale titel in 2001 met 9/9. Maar ook de Open van Gent in 1997 was een leuke pay-day voor Mikhail. Er waren niet alleen goede dagen in België voor Gurevich; toen Volmac in 1993 een toptornooi organiseerde in Antwerpen, behaalde hij “slechts” 50% - in een sterk deelnemersveld weliswaar, maar als tweede best gerangschikte speler achter Kortchnoi had het iets meer mogen zijn. Hij kreeg zijn revanche in 1997; toen hij niet voor de hoofdgroep werd geselecteerd (gewonnen door Topalov), won hij dan maar alleen de open groep met 7,5/9, voor het viertal Nikolic, Van den Doel, Vaganian en Avrukh.

Een ontgoocheling volgde in 1998, toen hij zich eerder verrassend niet wist te plaatsen voor het IZT. Het was een zonetornooi dat zeer hard bevochten was, en niemand kon afstand nemen van de rest. Zijn kaarten lagen niet slecht, want met 5,5/8 lag hij in koppositie voor de laatste ronde, waarin hij tegen Friso Nijboer moest aantreden. Maar Nijboer won, en Gurevich lag eruit met 5,5/9: maar liefst 8 spelers werden gedeeld eerste met 6/9. Later dat jaar won hij een klein tornooitje in Belfort met 7/10 (voor Ponomariov en Bologan onder andere). In 1999 won hij weer in Gent én in Antwerpen, en zijn rating was ondertussen weer opgeklommen naar wat je toen (einde 90’er jaren) sub-wereldtop kon noemen: 2643. In Polanica Zdroj moest hij enkel Van Wely boven zich dulden, maar zijn 6,5/9 in een cat-15 tornooi was wel goed voor een eloprestatie van 2766. Het supertornooi van Sarajevo in 2000 werd een ontgoocheling: voorlaatste met 4/11 (Kasparov won voor Adams en Shirov). Niet getreurd: Esbjerg 2000 won hij met Svidler voor een sterk deelnemersveld (cat-14) en de Lost Boys Open (niet meer in Antwerpen, maar in Amsterdam) werd weer een prooi (gedeeld met Sokolov en Tregubov). In het najaar van 2000 won hij nog een mooie trofee voor op de schouw: hij won het rapidtornooi van Cap d’Agde, door achtereenvolgens Benjamin, Serper en Karpov (in de finale) te verslaan.

Ook na zijn verhuis naar Turkije (hij werd er kampioen in 2006 en 2008, zodat hij nu  nationale titels van drie verschillende landen onder de riem heeft steken) blijft hij in België actief, en speelt voor Wirtzfeld in eerste nationale, waar hij de landelijke top (voor zover ze geen importbelgen opstellen) de kans geeft om de degens te kruisen met een ex-wereldtopper. Niet dat hij ze veel kansen geeft: zijn elofiche geeft 7,5/9 tegen gemiddeld 2342... Het is in elk geval genoeg om hem aan de top van de Belgische elolijst te houden, voor Chuchelov en Michiels.

Als profspeler moet je een beetje overal je inkomen bij elkaar harken, en zo was hij lange tijd secondant van Anand, die zijn openingskennis van het Frans, het Nimzo-Indisch en het Dame-Indisch sterk kon waarderen – over het Dame-Indisch schreef hij in 1991 zelfs een boek, dat Batsford uitbracht. Hij werd in 2006 senior FIDE-trainer en FIDE-arbiter.

Ik zag bij het schrijven van dit artikel dat er twee Mikhail Gurevich’en zijn in België: in Sankt-Vith loopt er nog ééntje rond , maar dan met 2000-2100elo… let dus op in Chessbase als je partijen van hem opzoekt (“nr 2” heet Mikhail2 Gurevich in de Bigbase 2019). Persoonlijk heb ik hem in mijn jonge jaren als student twee keer achter het bord ontmoet, tweemaal in de open van Gent: één keer in de eerste ronde en één keer in de tweede ronde. Het werd snel boeken toe, maar het blijft een ervaring die me bijblijft – en het waren twee goede lessen!

Die Bigbase 2019 is een goede hulp om een overzicht te krijgen van een speler die een beetje onder de radar blijft als het gaat om deelnames aan gesloten tornooien. Zo leren we dat hij in 2008 het NK in Turkije won met 11,5/13; zijn enige concurrent was Suat Atalik (11/13), en de enige reden dat het nog zo spannend was, was omdat hij totaal onverwacht verloor van de toen 16-jarige Mustafa Yilmaz, die gewoon telkens de beste zetten speelde. Tegenstander die het heel moeilijk hadden tegen Gurevich waren o.a. Van der Sterren (speel zeker eens hun partij uit Tallinn 1987 na), Chuchelov, Bologan, Barsov, Miezis en Luc Winants, om het bij de zwaarste scores te houden. Hijzelf had het meestal moeilijk tegen Anand, Adams en vooral Topalov en Kasparov, tegen wie hij telkens maar 0,5/5 haalde.

Een partij als illustratie… gek genoeg herinner ik me vooral zijn verliespartij in een rapidtornooi in Brussel tegen… David Bronstein, maar dat is niet eerlijk natuurlijk: dit is een artikel over Gurevich, niet Bronstein. Dus dan maar zijn knappe winstpartij op Alexei Shirov (World Cup in Khanty-Mansiysk 2005), waarin hij tegen de aanvalskunstenaar het hoofd koel houdt en het punt incasseert, wanneer de aanval van wit “te lang duurt”.
Waarom Gurevich slechts op 7 in deze top-30? Wel, zoals hierboven al vermeld, heeft hij niet actief een voortrekkersrol gespeeld om het schaken vooruit te helpen in België. Hij hielp niet om sponsoren aan te trekken, stak zijn schouders niet onder schoolprojecten, gaf te weinig acte de présence op momenten waar het ertoe deed; kortom, hij was teveel speler, te gefocust op het schaakspel op het bord. Wat zou hem nog hoger kunnen brengen in deze lijst? Meer deelnames aan NK’s, misschien een biografie bij Thinkers Publishing (J), wat meer activiteit in België en wie weet gaat hij ook ooit voor zijn plezier gaan spelen zoals Kramnik, en schrijft hij zich ooit in voor een ligakampioenschap! 

HK5000