vrijdag 23 december 2016

De expert deel 2

Een paar dagen geleden botste ik in het boek Ivan's Chess Journey Unravelled opnieuw op een leuke anekdote. Ivan beschrijft hoe hij en zijn tegenstander de Lettische sterke grootmeester Alexei Shirov een staande ovatie kregen van het publiek nadat hun partij op een spectaculaire wijze in remise was beeindigd. De partij werd gespeeld in 1994 dus voor de computers in staat waren om commentaar te geven waardoor zo goed als niemand wist dat de partij vol grote blunders zat.

In die dagen was schaken nog magisch. Toen had je echte fans die dweepten met hun helden. Vandaag heeft een absolute wereldtopper zoals Wesley So een fanbase met welgeteld 3 leden. Computers tonen elke dag aan dat iedereen veel fouten maakt waardoor nog zeer weinig waardering voor talent bestaat.

Het idoliseren van personen vind ik niet goed maar dat betekent niet dat ik niet meeleef met de resultaten van anderen. Uiteraard volg ik de eerste schaakstappen van mijn zoon op de voet maar ook de partijen van clubgenoten en andere bevriende spelers interesseren mij. Daarnaast vind ik kibitzen bij belangrijke nationale of internationale wedstrijden ook best leuk.

Sommige spelers trekken hierbij sneller mijn aandacht dan anderen. Daarbij is de elo uiteraard een belangrijke parameter. In elke broadcast zie je dat de regerende wereldkampioen Magnus Carlsen een magneet is. Echter naast elo spelen bij mij ook iemands speelstijl en theoretische kennis een rol. De sterke Britse grootmeester Nigel Short staat bekend om niet schuw te zijn te experimenteren met openingen die we over het algemeen enkel in clubpartijtjes ontmoeten. De sterke Oekrainsche grootmeester Andrei Volokitin en de Griekse grootmeester Vasilios Kotronias lokken dan weer mijn interesse omwille van hun verfijnd openingsrepertoire.

Experten in de openingen die ik speel, zijn dan weer zeer goed studiemateriaal. Zo vertel ik in het artikel kleuren omwisselen deel 2 over de Turkse IM Burak Firat die 17 keer dezelfde variant op het bord kreeg. Echter nog beter is te kijken naar spelers boven de 2600 elo die normaliter hun openingen veel solider en professioneler selecteren. Het was Botvinnik trouwens die o.a. Kasparov vertelde om een opening te studeren via de partijen van de topspelers.

Tegenwoordig spelen de meeste sterke spelers een enorme waaier aan varianten (wat o.a. aan bod kwam in het artikel de sterktelijst) maar je hebt ook nog steeds een aantal uitzonderingen die vasthouden aan een veel nauwer repertoire. In die categorie hoort bijvoorbeeld Oud Europees kampioen en Russische grootmeester Vladimir Potkin. In de laatste 5 jaar koos hij in 81/104 partijen voor het Siciliaans na 1.e4. Bovendien wordt 1.e4 c5 2.Pf3 bijna steeds (66/69 partijen)  beantwoord met e6. Vladimir is een echte expert in de Siciliaanse Taimanov zoals bijvoorbeeld onderstaand partijtje tegen de Russische supergrootmeester Ian Nepomniachtchi.
Het is natuurlijk geen toeval dat bijna krak dezelfde partij aan bod kwam in mijn vorig artikeltje. Achteraf gaf Benjamin aan dat hij de partijen van Vladimir met bijzondere aandacht had bekeken.

Anderzijds valt het mij ook op dat sinds 2015 Vladimir opnieuw de opening speelt met a6. Ik vermoed dat hij toch niet helemaal tevreden was en dan zal zelfs een expert aanpassingen maken in zijn repertoire. Net zoals zovelen opteert hij nu voor het modieuze Negi concept die reeds aan bod kwam in mijn artikel met een kanon op een mug schieten.
Nu veel tijd zal Vladimir recent niet gehad hebben om aan zijn eigen repertoire te werken. Hij was zowel in de kandidatenfinales als in het wereldkampioenschap secondant van uitdager Sergei Karjakin. Een harde werker in de opening is altijd nuttig maar ik vermoed dat Sergei ook beinvloed werd door Vladimir in zijn openingskeuzes. We zien een duidelijk verschil tussen Magnus en Sergeis strategieën.
WK Strategie


















De gele zetten vertellen ons waar Magnus afwijkt van de eerdere partijen in het wk. De blauwe zetten zijn die van Sergei waar hij afwijkt. Het valt op dat het bijna steeds Magnus is die eerst afwijkt (10 - 4) en bovendien heel vroeg in de partij. De Oekrainische supergrootmeester Ruslan Ponamariov vraagt zich op Chessbase luidop af wat Carlsen ons in het wk getoond heeft. Wel misschien is het wel dat het mogelijk is om wereldkampioen te blijven door theoretische gevechten te vermijden.

Anderzijds mogen we niet negeren dat Sergei heel dicht bij de titel was. Openingexperts blijven dus ook vandaag een belangrijke rol spelen voor zowel amateur als wk-finalist. Kasparovs tweet over een gebrek aan voorbereiding van Carlsen bevat zeker een grond van waarheid.

Brabo

Addendum 25 December 2016
Een leuk artikeltje dat bij dit thema zeker past, is Can You Still Specialize In An Opening?

vrijdag 16 december 2016

Ambities deel 2

Competitie spelen doe je pas graag als je winnen belangrijk vindt. Een minimum dosis aan ambities is dus aanwezig bij elke schaker. In deel 1 toonde ik aan dat iemands rating geen absolute graadmeter is voor iemands ambities. Het is dus best mogelijk dat iemand met een lagere rating veel harder werkt aan het schaken dan iemand met een hogere rating. Dat de zwakkere hard werkende speler hiervoor kritiek of soms minachting krijgt, vind ik onterecht. Het plezier van het schaken is iets persoonlijks. Bovendien smaakt een succes door hard werken niet minder zoet, integendeel. 

Zo was Serge Daenen uiterst tevreden na zijn remise in het clubkampioenschap van Deurne tegen mij. Een remise in een officiële partij tegen iemand die bijna 600 elopunten meer heeft, gebeurt niet elke dag. Bovendien vond ik het eerder knap dat zijn succes grotendeels afhing van een doorgedreven huisvlijt. Achteraf vertelde Serge mij dat hij 3 weken in de voorbereiding had gestoken en tot zet 17 hij de partij thuis op het bord heeft gehad. In het resulterende middenspel/ eindspel kon ik hem niet op een fout betrappen.

Elke partij kan dus op zichzelf al een ambitieus doel zijn. Anderzijds ontken ik niet dat men ambities eerder linkt aan progressie op langere termijn. Als je even je oor te luister legt bij de bar na een schaakwedstrijd of snuistert door de vele artikels en blogs op het internet dan gaat het zeer vaak over hoeveel ratingpunten men wil winnen in de nabije toekomst. Uiteraard trachten gewiekste zakenlui hieruit munt te slaan met aanbiedingen die te mooi klinken om waar te zijn zoals bv. 21 days to become a dramatically better chess player.

Als beginner is snel en veel progressie maken meestal niet moeilijk. Echter eenmaal men al een aantal jaartjes competitie speelt wordt het een stuk moeilijker. Uiteindelijk komt iedereen op een punt in de carrière waarop stagnatie intreedt. Men ziet de rating gedurende jaren schommelen in een zone. Het plafond doorbreken lijkt een schier onmogelijke opdracht. 

Heel wat schakers kunnen zich hiermee niet verzoenen en stoppen met schaken. Echter een paar enkelingen stellen zichzelf in vraag. Welke extra inspanningen kan ik doen om misschien alsnog een hoger niveau te bereiken? Hoe kan ik een hoger rendement halen in de uren die ik reeds aan het schaken spendeer? Een pasklaar antwoord voor iedereen bestaat er niet want veel hangt natuurlijk af van het niveau en reeds bestaande routines van de schaker. Een persoonlijke coach kan hiervoor zeer nuttig zijn maar ze zijn schaars en zeker niet voor iedereen financieel haalbaar.

Een speler die recent op mij heel wat indruk heeft gemaakt betreffende progressie, is Benjamin Decrop. De 22 jarige met hoofdclub Oostende slaagde erin om 9 opeenvolgende jaren zijn rating omhoog te stuwen waardoor hij vandaag dichtbij 2200 is geraakt. Zeer weinigen hebben zulk exploot hem voorgedaan.
Bron: http://www.frbe-kbsb.be/

De laatste 2 jaar zijn voor dit artikel de meest interessante. Serieuze progressie is dan al niet vanzelfsprekend meer wat trouwens de vervlakking in 2014 al doet vermoeden. Wat doet Benjamin vandaag anders ? Wel als we kijken naar het aantal partijen verwerkt voor rating dan zien we sinds 2014 een drastische verhoging. 33 in 2014. 76 in 2015 en maar liefst 94 in 2016 (ik heb er slechts 15) . Er zijn zelfs heel wat professionals die minder spelen.

Om aan 94 te geraken in het voorbije jaar speelde Benjamin niet alleen in een reeks open tornooien maar ook in 3 clubkampioenschappen tezelfdertijd. Zo speelde hij in Kosk (Oostende)Sk Oude God (Mortsel/ Antwerpen) en TSM (Mechelen). Trouwens hiervan waren 17 partijen tegen +2200 spelers dus zeker geen kattenpis. Zelf ontmoette ik hem een eerste keer in TSM waar ik niet verder geraakte dan remise met zwart.
Nu veel spelen is 1 ding maar je moet er ook nog iets van opsteken. Ik was niet overtuigd. Echter na onze tweede ontmoeting van het seizoen in de Belgische interclubs veranderde dit. Met sprekend gemak neutraliseerde hij met zwart mijn opening waarmee ik nochtans de laatste tijd heel mooie stellingen had bereikt.
Vooral de apres-schaak met een pint in de hand was verhelderend. Niet alleen kende Benjamin de slotstelling maar hij wist ook een aantal details te vertellen over de opening. Het is duidelijk dat Benjamin zeker niet alleen maar partijtjes had gespeeld maar dat ook zijn schaakkennis sterk was verruimd.

Voor de meeste schakers zijn zulke inspanningen uiteraard te veel van het goede. Sommigen zullen misschien afvragen wat Benjamin hierna nog meer kan doen om verder te stijgen. Je kan niet eeuwig extra inspanningen doen, laat staan gewoon al elk jaar 94 partijen spelen. 

Daar gaat het in dit artikel niet over. Waar het wel over gaat is dat het ene plafond, het andere niet is. Hoe groot iemands ambities zijn, staat hiermee rechtstreeks in verband. Tenslotte kan ik begrijpen dat sommigen pas tevreden zijn met zichzelf wanneer ze al het mogelijke hebben gedaan.

Brabo

P.s. Tegenwoordig heb je opnieuw de mogelijkheid zonder de Arena registratie om de geschiedenis van je fide-rating te zien, zie chessgraphs. Je moet wel de juiste input geven: "familienaam, voornaam". De komma en spatie zijn belangrijk!

donderdag 8 december 2016

De valse waarheid deel 2

De eindejaarsfeesten staan voor de deur dus dat zullen we aan onze portemonnee voelen. Het is de tijd van geschenkjes zoeken waarbij je natuurlijk jezelf ook iets mag gunnen. Dit doet mij eraan denken dat ik nog op zoek ben naar een goed schaakboek om te lezen tijdens de kerstvakantie. Het boek Ivan's_Chess_Journey_Unravelled waarin ik nu lees, vind ik best aangenaam dus het mag iets in dezelfde stijl zijn maar totaal andere voorstellen in de reacties zijn uiteraard ook welkom.

In deze periode gaan de winkels dan ook extra inspanningen doen om klanten te lokken. Advertenties, nieuwsbrieven,... zijn maar een paar vormen van reclame maken. De commerciële koning in de schaakwereld is al enkele decennia Chessbase. Niemand anders slaagt er beter in om geld te verdienen met het schaken. Behalve een ruim gamma van aantrekkelijke producten besteden ze ook heel wat tijd aan de marketing wat minstens even belangrijk is.

De financiële slagkracht van Chessbase is vele malen groter dan de competitie en dit voordeel wordt met uitgekiende marketingplannen goed uitgespeeld. Dit jaar liet Chessbase een buitenkans zoals het wereldkampioenschap schaken niet onbenut om (nieuwe) klanten aan te trekken. Als enige slaagden ze erin om de wk-partijen schriftelijk becommentarieerd aan te bieden door de wereldtoppers Ruslan PonomariovFabiano CaruanaWesley So en David Navara. Ik kan mij geen eerder wk herinneren waarin 4 spelers met een gemiddelde van +2760 elo hun inzicht gaven op de partijen. Ik schrijf deze blog onbezoldigd maar die toppers kregen zonder twijfel een zeer ruime financiële vergoeding voor hun diensten.

Of Chessbase effectief zijn verkoopcijfers zal zien stijgen met deze stunt is heel moeilijk te voorspellen. Trouwens zijn de analyses van deze toppers echt beter dan wat je krijgt op de vele andere sites? In mijn vorig blogartikel kon je lezen dat de beste schaakprogramma's vele honderden punten sterker zijn dan om het even welke speler. Je zou hieruit kunnen afleiden dat een commentator slechts de analyses aan elkaar kan praten.

Puur analytisch zie je volgens mij inderdaad weinig verschil. De computers tonen snel en accuraat de fouten en die staan in elk goed verslag vermeld. De belangrijkste uitzondering hierop is de opening. De toppers spelen en kennen elkaars repertoire als niemand anders waardoor ze vrij nauwkeurig een verdict kunnen geven over een variant. Zo toont Wesley So aan dat de vrij ordinaire opening in de 11de partij niet zo onschuldig is.
De grootste toegevoegde waarde door deze topspelers vind ik de geschreven commentaar. Computers zijn niet in staat om de schaakpsychologie in onze partijen te begrijpen. Bovendien is dit aspect iets waarin schaaksterkte een belangrijke rol speelt. Tenslotte injecteert Wesley So ook lessen in zijn commentaar voor de modale schaker. Je ziet heel duidelijk dat Wesley flink wat ervaring heeft met coaching geven aan zwakkere spelers in tegenstelling met zijn illustere collega's. Zo vertelt hij eerlijk hoe je praktisch moet blijven bij het analyseren van openingen. Uren een variant analyseren die in de praktijk zeer weinig kans heeft om te verschijnen, is niet de beste methode om jezelf als bordschaker te ontwikkelen. Veel beter is het zorgvuldig selecteren en absorberen van ideeën.

Een andere opmerkelijke uitspraak is dat Wesley zijn notities van 2013 niet meer ten volle vertrouwd. Zo vertelt hij terecht dat Houdini, de computer en het internet 3 jaar geleden veel trager waren. Dit ligt volledig in de lijn van mijn vorig blogartikel waarin ik sprak over een sprong van 200 elopunten in 3 jaar tijd. Daarentegen stel ik mij wel vragen wat hij bedoelt met het internet. Ik zie vandaag een boom aan erg leuke en verslavende multi-player spelletjes dankzij het snellere internet (slither.ioagar.iodiep.iosplix.io) maar schaakanalyses maak je normaal op 1 welbepaalde server/ PC.

Als amateurschaker is dit probleem uiteraard veel kleiner. De invloed van de opening is relatief klein op het uiteindelijke partijresultaat (zie schaakopeningen studeren). Anderzijds tracht ik steeds in mijn partijen een wetenschappelijk facet toe te voegen. Achteraf ontdekken dat je analyses waarin je soms flink wat tijd hebt gestoken reeds gedateerd zijn, is best frustrerend. Zoiets overkwam mij laatst in de Belgische interclub. In 2007 kreeg ik voor het eerst een zonderlinge variant in het Siciliaans op het bord waarna ik het eens grondig bekeek.
In de 2de ronde kreeg ik onlangs dezelfde opening op het bord door Hendrik Ponnet. Ik kon de aanbeveling uit mijn openingsboek nog herinneren maar stelde achteraf vast dat de theorie ondertussen al veel verder stond.
Erg uitgebreid zal Hendriks partijvoorbereiding niet geweest zijn want anders had ik nooit met een voordeeltje uit de opening mogen komen. Een voordeel van gedateerde analyses is dus dat je de tegenstander uit boek kunt gooien maar dat is natuurlijk een toevalligheid waarop je eigenlijk niet mag rekenen.

Op de voortgang van de computers zit er voorlopig geen sleet dus datering van analyses zullen ook in de toekomst onvermijdelijk zijn. Zeker als je scherpe varianten speelt, is het belangrijk om hiermee rekening te houden. Daarnaast heb ik in de laatste jaren geleerd dat de kwaliteit van openinganalyses drastisch verbetert wanneer je ook grondig de opties bestudeerd van de tegenstander. Tot enkele jaren geleden was ik tevreden om een antwoord te hebben op de computervarianten. Vandaag bekijk ik ook alle varianten die met enig succes werden getest in de praktijk (+2300 standaardschaak, computerschaak, correspondentieschaak en zelfs mijn onlineschaak). Het is te zeggen binnen een tijdsbestek van maximaal een paar weken.

Door een veel grotere waaier aan varianten te bekijken, krijg ik een meer evenwichtige evaluatie van een opening. Daarnaast heb ik ondervonden dat deze methode van analyseren ook flink wat ideeën baart die ik kan gebruiken als verrassingen.

Brabo

woensdag 30 november 2016

Voortgang van schaakprogramma's deel 2

Op deze blog hebben we het geregeld over nieuwe schaakprogramma's. Ze worden niet alleen steeds sterker maar ze beïnvloeden ook onze wijze van spelen (zie bv revolutie in het millennium) en analyseren (zie de valse waarheid). Bovendien blijkt de rek er bijlange nog niet uit want de ontwikkelingen gaan vandaag razendsnel. Persoonlijk vind ik dit ongelooflijk na meer dan 2 decennia intens programmeren door verscheidene grote talenten. Het is niet makkelijk om deze enorme progressie correct naar waarde in te schatten maar ik zal met dit artikel toch een poging doen.

In 1997 versloeg Deep Blue de toenmalig regerende wereldkampioen Garry Kasparov wat algemeen als een mijlpaal wordt beschouwd maar het was pas enkele jaren later dat elke schaker een schaakprogramma kon gebruiken van dezelfde sterkte. Het is moeilijk een exacte datum vast te leggen wanneer dit gebeurde maar ik vermoed dat 2003 er dichtbij zal zijn. 2003 was de periode van de matchen Kasparov tegen Deep Junior en X3D Fritz die beiden op een gelijk spel eindigden.

Sindsdien hebben de topprogramma's iedereen in sterkte achter gelaten en geen klein beetje. Volgens CCRL maakte Fritz een progressie van 470 elopunten in de laatste 13 jaar. Daar bovenop zien we dat Komodo 10 nog eens 210 elopunten sterker is dan de sterkste versie van Fritz. Samen dus 680 elopunten of 52 elopunten gemiddeld per jaar. Als we kijken naar enkel de laatste 3 jaar dan zien we dezelfde trend. Eind 2013 werkte ik met stockfish 4. Vorige week downloadde ik Stockfish 8 die op zijn beurt weer al 165 elo sterker speelt dan versie 4 volgens CCRL. Dat is jawel 55 elopunten gemiddeld per jaar.

Een belangrijke rol in deze progressie van de laatste jaren speelt zonder twijfel TCEC (Top Chess Engine Championship). Verbeteringen van de programma's worden toegelaten tussen de stages binnen 1 kampioenschap en dit gecombineerd met de steeds groter wordende bekendheid van het kampioenschap, werkt erg motiverend bij de meeste programmeurs.

Momenteel is de superfinale bezig van seizoen 9 waar we nu dicht bij de eindbeslissing zijn. 2 grote verrassingen noteer ik dit seizoen. De eerste is dat Komodo, de huidige leider van CCRL er niet in geslaagd is om zich te kwalificeren voor de superfinale. Dit heeft m.i. vooral te maken dat er al opnieuw met betere versies van programma's wordt gespeeld t.o.v. waarmee getest wordt door CCRL. De tweede grote verrassing is uiteraard de terugkeer van onze Belgische super getalenteerde programmeur Robert Houdart met zijn programma Houdini. Deze comeback had ik niet verwacht want Houdini 4 dateert al van 2013 ! Op de site van Houdini claimt men een vooruitgang van maar eventjes 200 elopunten en dat lijkt mij niet overdreven.

In het aparte rapidkampioenschap won Houdini voor Komodo en Stockfish maar in de superfinale van het klassieke gedeelte zal Houdini naar alle waarschijnlijkheid nipt de duimen moeten leggen voor Stockfish. Van 1 partij kunnen we nu al stellen dat ze nog lang zal herinnerd worden al is het maar door de controverse die ze creëerde en dan bedoel ik natuurlijk de 17de.
In de slotstelling werd automatisch winst toegekend aan Stockfish op basis van de Nalimov tablebases. Echter heel wat kijkers gingen hiermee niet akkoord. Vooreerst geven beide programma's een quotering van 0.00 in de slotstelling zie TCEC maar bovendien bleek dat er geen rekening werd gehouden met de 50 zetten-regel. Indien TCEC gebruik had gemaakt van Syzygy tablebases dan was dat wel mogelijk geweest.
Evaluatie door Syzygy tablebase van de slotstelling superfinale partij 17 TCEC seizoen 9
DTZ vertelt ons hoeveel zetten er geen pion wordt verplaatst of stuk wordt geslagen bij optimaal spel. DTM daarentegen is het aantal zetten naar mat bij optimaal spel. Met 123 plies of 62 zetten voor DTZ treedt de 50 zetten-regel inderdaad in werking.

Anderzijds is de 50 zetten-regel iets dat wij als mensen geïntroduceerd hebben om ervoor te zorgen dat er niet eindeloos tevergeefs wordt gezocht naar winst. Zoals ik reeds vermeldde ik mijn artikel ICCF is het ook hier niet onzinnig om af te stappen van deze regel.

Daarnaast blijft het natuurlijk wel erg vreemd om winst toe te kennen wanneer geen van beide programma's überhaupt winst zien. Ik snap perfect dat er flink wat tijd en energie wordt gewonnen door arbitrage. Dit ging tot nu toe altijd zonder problemen maar deze keer dus niet. Achteraf werd trouwens terecht opgemerkt dat Houdini de slotpositie had vermeden indien het de tablebases had mogen consulteren vooraf.

Arbitrage door (veel) zwakkere scheidsrechters levert problemen op als er moet geoordeeld worden over op winst spelen maar het omgekeerde bestaat dus ook. De veel sterkere scheidsrechter maakt een oordeel op basis van zijn kunnen maar negeert de veel lagere vaardigheden van de betrokken spelers.

Toevallig overkwam mijn zoon Hugo spelende bij de -8 in het Vlaams Jeugschaakcriteriumtornooi te Gent iets gelijkaardigs. Zijn 3de partij werd in een eindspel van elk toren + koning gearbitreerd als remise toen de tegenstander dreigde te verliezen op tijd. Achteraf kon Hugo de traantjes niet meer onderdrukken. De arbiter kweet haar taak in eer en geweten maar het is uiteraard bijzonder pijnlijk wanneer je slechts een paar weken eerder in het stapjestornooi te Turnhout net hetzelfde eindspel tegen een broer verloor van jawel net die tegenstander.
Misschien zou Hugos tegenstander in Gent dit soort fout niet maken maar we kunnen dat onmogelijk met zekerheid stellen. In de -8 categorie weet je niet wat er zal gebeuren en dan is elke beslissing betwistbaar. Uiteindelijk raadde ik Hugo aan om zich neer te leggen bij de arbitrage. Remise was een fair resultaat en uit ervaring weet ik dat het vaak beter is op lange termijn om jezelf niet te verbranden in dit soort conflicten.

Ik vermoed dat TCEC ook zo moet hebben gedacht. De arbitrage was zeker niet de allerbeste maar de beslissing was nu eenmaal gemaakt en tijdens de superfinale nog het systeem aanpassen is evenmin een optie. Tenslotte worden er 100 partijen gespeeld en het ziet er voorlopig niet naar uit dat de winnaar zal beïnvloed worden door deze ene arbitrage.

Ik verwacht na de superfinale dat CCRL ook de nieuwe versies van beide finalisten zal beginnen testen. Normaal betekent dit dat Stockfish de nieuwe nummer 1 wordt met een handvol ratingpunten meer dan zijn achtervolgers. Voor de commerciële programma's breken er moeilijke tijden aan want weinigen zullen betalen voor een zwakker programma wanneer je gratis het beste kunt krijgen.

De exacte elosterkte van de topprogramma's uitdrukken in Carlsens elo + de progressie sinds 2003 lijkt mij te kort door de bocht. Als we dit zouden doen dan betekent het dat Carlsen theoretisch geen enkel punt zou kunnen scoren in een standaardpartij zonder handicap. Ik zie hem wel een match met ruime cijfers verliezen maar met de juiste openingen moet hij toch een paar halfjes kunnen scoren wat betekent dat het eloverschil nooit 700 kan zijn.

Anderzijds in dit artikel spreken we enkel over de absolute sterkte van de schaakprogramma's. In het cijfermateriaal wordt geen rekening gehouden met hardware ontwikkelingen, verbeterde interfaces of nieuwe en grotere tablebases. Samen duwen ze de progressie misschien nog eens 200 punten hoger.

Het is niet zomaar dat ik in het begin van dit artikel vertelde dat het erg moeilijk is om de progressie naar waarde correct in te schatten. Als je de optelsommen maakt dan kom je aan duizelingwekkende ratings van 3800 elo waaraan niemand nog iets heeft. De enige manier om programma's te beoordelen vandaag is te kijken hoe ze het doen tegen andere programma's. Spijtig zien we dat ook veel schakers hetzelfde doen bij onze topspelers waardoor vaak er een groot gebrek is aan respect.

Brabo

maandag 21 november 2016

Angst

Hoe men reageert op een verliespartij hangt af van de persoon en de omstandigheden. Sommigen hebben geen enkele moeite om steeds direct na de partij het verlies van zich af te zetten. Anderen kunnen soms voor zeer lange tijd gedemoraliseerd zijn. Welbekend zijn Fischers 6-0 overwinningen in de kandidatenmatchen waarna zijn tegenstanders Taimanov en Larsen verdwenen uit de topechelons. Fischer wou niet alleen winnen op het bord maar ook de tegenstander psychologisch kraken.

In de jeugdtornooien zien we die kloof ook. Sommige kinderen verlaten hun bord na een verliespartij met een glimlach en gaan voetballen alsof er niets is gebeurd. Andere kinderen kunnen hun emoties niet meer verbergen en laten de traantjes de vrije loop. Uiteraard is schaken voor ieder kind niet even belangrijk maar het heeft wel als gevolg dat de ambitieuzere spelers al snel de leiding nemen. Spelers die meer moeilijkheden hebben met een verliespartij, zijn over het algemeen veel leergieriger en maken veel sneller progressie dan hun meer relaxte leeftijdsgenoten.

Echter emoties zijn niet enkel een positieve katalysator maar kunnen soms ook verlammend werken. Verlies kan zo zwaar doorwegen op een persoon dat men hiervoor een angst opbouwt. Een logisch verdedigingsmechanisme wordt het vermijden van nederlagen tegen elke kost en dit gaat soms heel ver. Zo zag ik enkele maanden geleden tot mijn afgrijzen hoe mijn zoon na 1 zet remise voorstelde in het debutantentornooi te Wetteren omdat hij hiermee dacht de 1ste plaats te verzilveren. Het werd een harde les want niet alleen, zat er een kronkel in het reglement waardoor hij slechts de 2de plaats behaalde maar daarnaast moest hij ook nog aanhoren hoe teleurgesteld ik was in zijn gedrag. Ik heb hem geen remises meer zien voorstellen sedert die keer.

Ik geef het voorbeeld van mijn zoon maar in België is de angst om te verliezen een zeer verspreid fenomeen. Misschien ligt het aan de grote bescheidenheid waarvoor we zo bekend staan dat we niet tot het uiterste gaan. In België wordt een remise tegen een hoger gekwoteerde speler sowieso aanzien als een mooi succes. Zelden wordt de vraag gesteld of er meer in zit. Ik heb al meerdere remisevoorstellen van mijn tegenstanders onbegrijpbaar gevonden. Een voorbeeldje kwam al aan bod in mijn artikel Lars Schandorff. Een tweede hieronder komt uit de Open Leuven van vorig jaar.
Wit stelde remise voor alhoewel hij 10 minuten meer tijd heeft en dit normaal niet houdbaar is voor zwart.
Ik ken natuurlijk ook de uitdrukking van beter 1 vogel in de hand dan 10 in de lucht maar de slotstelling geeft de witspeler toch 1000 keer betere kansen om te winnen dan de beginstelling. Waarom een partij spelen als je toch niet wilt winnen?

Emoties laten ons soms gekke dingen doen. Ik zal trouwens niet ontkennen dat ik zelf ook altijd moet vechten tegen mijn angst om te verliezen. De voorbije jaren is mijn angst zeker verminderd (wat ik al eerder aankaartte in mijn artikel sofia regels) maar helemaal weg is die nooit. In de laatste ronde van Open Leuven dit jaar kon ik ook weer niet weerstaan aan het remise-aanbod van mijn tegenstander Hans Renette terwijl ik wist dat ik naar alle waarschijnlijkheid beter stond.
Wit stelde remise voor. Ik wou het correcte b6 spelen en sta beter want kan later met e5 proberen te winnen.
Ik had slechts iets meer dan een half uur over voor 21 zetten. Vorige keer had ik tegen Hans een groter voordeel verkwanseld. Ik heb zwart. Ik had in mijn voorbereiding gekozen om dezelfde remisevariant te spelen als in Open Gent zie Avrukh deel 2 dus remise was het plan. Met de remise was ik zeker van een mooie geldprijs (380 euro). Het zijn allemaal excuses om te verbergen dat ik schrik had om alsnog te verliezen. Arno Bomans had meer haar op zijn tanden en weigerde het remisevoorstel van topfavoriet Stefan Docx (zie zijn pittige commentaar) alhoewel ik hier een beetje appelen met peren aan het vergelijken ben.

Angst mag dan wel iets typisch zijn voor de Belgische schaker, het komt natuurlijk veel meer voor dan uitsluitend onder ons. Zelfs heel sterke spelers hebben er last van. Zo liet de sympathieke Australische grootmeester David Smerdon na zijn partij met Carlsen optekenen dat hij nooit remise had geforceerd tegen om het even welke speler onder de 2700 elo met de voordelige stelling die hij op het bord had zie chess.com.
Respect is goed maar niet je eigen kansen ten volle durven benutten is angst. Momenteel lees ik het boek Ivan's Chess Journey waarin een aantal mooie anekdotes staan. Zo vertelt Ivan over de grootmeester Bojan Kurajica uit Bosnie-Herzegovia. Bojan was een groot talent maar kon zijn volle potentieel niet bereiken omdat hij steeds bang was om te verliezen. Echter in 1994 schitterde hij toch door een samenloop van omstandigheden. Door de oorlog in Bosnië had hij heel wat praktische problemen en alsof dat niet genoeg was, gaf tezelfdertijd zijn vrouw aan hem de scheidingspapieren. Het was een enorme shock voor Bojan en zijn glas met miserie was vol. Hij voelde zich een man die niets meer te verliezen had. Een man met talent, zonder vrees die niets te verliezen heeft, is een fantastische tegenstander. Hij werd de held op de 34ste olympiade te Moscow met niet minder dan 6 overwinningen. In hetzelfde jaar versloeg hij de 200 elo hoger gekwoteerde Karpov in een rapid tie-brake.

Spelers moeten dus hun faalangst trachten te overwinnen als ze echt het maximum uit zichzelf willen halen. De beste schakers zijn onbevreesde vechtmachines, gladiatoren die tot de dood strijden. Het is aan de coaches, ouders, entourage van onze (jeugd-) spelers om die klik te maken en ze te overtuigen om er steeds voor te gaan. Anderzijds huppelt er bij mij thuis nu een klein lief knuffelbeertje rond. Willen we daar echt een grote gevaarlijke grizzlybeer van maken?

Brabo

woensdag 9 november 2016

Penningen

183.000 unieke bezoekers kreeg de live broadcast van de chess.com blitz finale. Normaal volg ik blitz of rapid niet maar deze keer bleef ook ik aan mijn stoel plakken om het spektakel tussen Carlsen en Nakamura te volgen. De enige smet op een anders vrij goed georganiseerde match was de onmacht van de moderatoren om de chat vrij te houden van de ontelbare aanvallen van trollen. Zelfs de commentatoren kregen het op hun heupen hiervan en hadden moeite om hun aandacht bij de partijen te houden.

Het is een wederkerend fenomeen bij veel websites waar je anoniem kunt reageren. Steevast zien we een aantal personen die er op uit zijn om chaos en ergernis te creëren. Men kickt op de macht dat men heeft om een gesprek te controleren. Het is zonder twijfel ook de reden waarom er vandaag veel minder zinvolle reacties worden gemaakt in vergelijking met de beginjaren van het internet.

Moeilijk is het allerminst om een discussie vast te laten lopen zelfs al ken je weinig van het onderwerp af. Je mening verkondigen als een feit is een veel voorkomende methode. De geloofwaardigheid van iemand onderuit halen is een andere. Zich concentreren op spellingsfouten, semantische elementen of pietluttige details is eveneens een beproefd recept. Als doorwinterde poster met 18 jaar internetervaring in meerdere fora heb ik al het een en ander meegemaakt natuurlijk.

Negeren is het gemakkelijkste en vaak noodzakelijk maar creëert een dorre woestijn van stilte. Beter vind ik daarom het zorgvuldig kiezen op welke punten ik nog verder wil praten. Deze strategie wordt niet altijd geapprecieerd vooral als ik bepaalde punten negeer die mijn gesprekspartner belangrijk vindt.

Met deze aparte inleiding wil ik de link leggen naar een reactie onder mijn artikel rontgenaanval. Ik geloof niet dat we hier te maken hebben met een trol maar de reactie gaat wel over een technisch detail. Wat is het verschil tussen een rontgenaanval en een penning? Ik heb de waarheid niet in pacht betreffende schaakterminologie maar voor mij persoonlijk is er toch een wezenlijk verschil tussen beide. Een penning is iets statisch terwijl een rontgenaanval iets dynamisch is. Ik bedoel bij een rontgenaanval is de verdediging aan het bewegen terwijl dit niet het geval is bij een penning.

De verwarring wordt misschien gevoed door de vele thema's uit de probleemwereld rond penningen. Daarin zien we ook bewegingen zelfs van het gepende stuk zoals in onderstaand werkje van eigen makelij.
Mat in 2
Wit speelt met het gepende stuk. Om de matdreiging te pareren, ontpent zwart dit stuk.

Een stapje verder gaat het volgende werkje.
Mat in 2
Opnieuw speelt wit met het gepende stuk maar deze keer zien we dat de dreiging bestaat uit het ontpennen van een zwart stuk. Zwart pareert door het gespeelde stuk te ontpennen. Dit is het Kagan thema.

In beide voorbeelden zien we bewegingen maar de penningen blijven absoluut dus kunnen enkel opgeheven worden door de partij die pent. Dit is een belangrijk verschil t.o.v. rontgenaanvallen waarbij de gepende partij nog altijd kan beslissen om de penning zelf op te heffen uiteraard vaak gepaard gaande met materiaalverlies.

Brabo

Oplossingen
Stelling 1:
1. Tf5 dreigt 2.Pd4#
1. ... Df6~ (ontpent de toren) 2. Tc5#
1. ... e7~ 2.Dc5#
1. ... d7~ 2.De8#
1. ... b7~ 2.Da8#
1. ... Pb5 2.cxb5#
1. ... fxg6 2.Ld5#

Stelling 2:
1. Td2 dreigt 2.Da1# (ontpent de dame)
1. ... De2~ (ontpent de toren) 2. Td5#
1. ... Txd6 2.Ld6#
1. ... Pg3~ 2.Tf5#

donderdag 27 oktober 2016

Gekke materiaalverhoudingen deel 2

Eind vorig jaar kocht ik mijn allereerste schaakklok bij de denksportkampioen. Op aanraden van Ben opteerde ik voor de DGT North American die prijs/ kwaliteit goed is. Voor iemand die al meer dan 20 jaar schaakt lijkt het misschien vreemd om nu pas een klok te kopen maar in tegenstelling tot Amerika voorzien alle tornooien de spelers van schaakmateriaal. Het is zelfs zo dat ik tot een paar jaar geleden geen schaakbord thuis had omdat ik toch al mijn analyses liever op de computer maak. Niet alleen heb je dan onmiddellijk een zeer sterke partner in de vorm van een schaakprogramma die kan meekijken maar alle analyses kan je ook met een paar muisklikken bewaren.

De schaakklok kocht ik aan omdat mijn zoon het wel eens leuk vond om in een "echte" partij zijn papa trachten te verslaan. Om hem een kans te geven en het tezelfdertijd voor mij ook interessant te maken, gaf ik mijzelf een handicap. In het begin was het aftasten welke de optimale handicap was. Uiteindelijk ontdekten we dat een handicap van 1 minuut tegen 20 minuten voor mijn zoon en bovendien 23 punten extra (een pion = 1 punt) voor hem, de meest spannende partijtjes produceerde.

Tijdens het voorbije jaar kon ik dankzij deze handicappartijtjes ook duidelijk zijn progressie meten. Telkens hij met een handicap won ging er een punt af maar als hij verloor dan ging er weer een punt bij. Ik was dan ook gisteren aangenaam verwonderd toen ik al moest vaststellen dat ik niet verder kwam dan een remise met een handicap van slechts 4 punten. In zijn stap-boekjes had mijn zoon weinig vordering gemaakt in het voorbije jaar maar blijkbaar met gewoon regelmatig te spelen, kan je ook heel veel leren.

De handicappartijtjes leerden mij zelf opnieuw de waarde van de pionnen te appreciëren. Zeker als je zoon de 4 centrumpionnen wegneemt dan besef je heel snel hoe lastig het is om iets nuttigs te doen met de overblijvende stukken. De Franse grondlegger van het schaken Philidor zei niet zomaar dat de pionnen de ziel van het schaken zijn. Deze quote dateert al van 1749 maar het blijft natuurlijk ook vandaag nog geldig. Een moderne briljante toepassing hiervan konden we laatst zien in een van Kramniks partijen op de schaakolympiade te Baku. Deze partij bezorgde Kramnik individueel goud op bord 2 en een persoonlijke recordrating van 2817 op 41 jarige leeftijd.
De slotstelling in de partij toont een gekke materiaalverhouding. Zwart heeft een toren extra maar staat machteloos.

Stellingen waarin een stuk vecht tegen een legertje pionnen zien we in de praktijk niet vaak. Wellicht speelt het onvoorspelbare hierbij ook een rol. Schakers gaan niet graag vrijwillig een stelling spelen waarmee men geen ervaring heeft en bovendien zeer moeilijk correct te evalueren is. Het is een mogelijke verklaring waarom mijn tegenstander Ian Vandelacluze in de 3de ronde van Open Gent met opzet dit soort stelling vermeed met een objectief minderwaardige zet.
Wij zijn geen computer die dit soort gekke materiaalverhouding correct kan spelen dus ik kan goed begrijpen dat mijn tegenstander het te gewaagd vond. Trouwens in de praktijk behaalde hij comfortabel remise met zijn mindere zet weliswaar profiterend van mijn tijdnood.

In de probleemwereld bestaan talloze stellingen waarin het ene kleur een massa pionnen heeft en het andere niet. Echter er is een belangrijk verschil met de zeldzame stellingen uit de bordpraktijk. In de probleemwereld bestaat er telkens een duidelijke oplossing terwijl in de bordpraktijk zoiets niet gegarandeerd is. Het open einde maakt het voor mij een stuk fascinerender om te bekijken.

Brabo

donderdag 20 oktober 2016

Avrukh deel 2

De Hollandse stonewall is geen populaire opening bij de grote jongens. Theoretische ontwikkelingen gebeuren bijgevolg op een gezapig tempo. Echter ook het karakter van de opening speelt hierin een rol. Tactische weerleggingen komen veel minder vaak voor dan in meer open speltypes. We zien eerder een gevecht tussen plannen dan concrete zetten.

1 van de laatste grote verschuivingen in de Hollandse stonewall was de opkomst van de b6-systemen die grotendeels de oude Lc8-d7-e8-h5(g6) systemen heeft vervangen. Hierover schreef ik in mijn artikel handleidingen. Vandaag geloof ik dat we opnieuw een verschuiving meemaken. Steeds meer witspelers verlaten de klassieke opstelling met paarden op e5 en d3 om de zwarte velden te betonneren en kiezen i.p.v. voor een veel dynamischer type stelling aanbevolen o.a. door Avrukh.

In mijn artikel daterend van 2012 gaf ik al aan dat we een toename van 150% zagen met het onorthodoxe systeem in de databases na de publicatie van Avrukhs werk en deze tendens zet zich nog steeds verder. Zo staan er 50 partijen (+2300 elo) gespeeld in 2015 met de openingsvariant in de database. Dit is meer dan het viervoudige in vergelijking met voor 2010.

Deze evolutie verwondert mij geenszins. Psychologisch is het voor de zwartspeler niet makkelijk om een Hollandse stonewall te spelen waarin je moet afstappen van de normale schema's. De witscore in mijn openingsboek die meer dan 62% toont op +400 partijen (+2300 elo) versnelt uiteraard enkel dit proces. Ook in België zijn al heel wat witspelers op de kar gesprongen waarvan grootmeester Bart Michiels misschien wel de bekendste en sterkste is. Zijn recente partij tegen de regerende Vlaams kampioen Ashote Draftian, een zeer grote (Hollandse) stonewall liefhebber toont mooi waar de kansen liggen voor wit in dit systeem.
Natuurlijk is Bart een klasse sterker maar ik vermoed dat Ashote niet op de hoogte was van de theorie anders laat je gewoon die variant met 10.b4 niet toe als zwartspeler. Het spreekt voor zich dat ik op mijn beurt deze opening op een heel andere wijze aanpak. Schaakopeningen studeren maakt tegenwoordig een zeer groot deel uit van mijn schaakstudie dus kan ik in tegenstelling tot Ashote wel in mijn partijen gebruik maken van een zeer uitgebreide voorkennis. Een extreem voorbeeld was zeker mijn partij in Open Gent in ronde 5 tegen Johan Goormachtigh waarin ik minder dan een kwartier bedenktijd verbruikte.
Ik zal zeker niet claimen dat mijn gekozen concept de doodsteek is voor het witte systeem maar de anti-dote vermeld in de meeste referentiewerken (zoals die van Avrukh) is volstrekt ontoereikend. De oude partij Efim Bogljubov - Savielly Tartakower gespeeld in 1924 wordt steevast als stempartij gebruikt maar niemand schijnt op de hoogte te zijn van de partij Savielly Tartakower - Alfred Brinckmann gespeeld in 1928 die een heel ander licht werpt. Misschien heeft het te maken met de niet alledaagse zettenvolgorde maar iedere database beschikt vandaag over instrumenten om dit te omzeilen.

Puur toevallig kreeg ik dezelfde opening in de laatste ronde van hetzelfde tornooi nog eens op het bord. Aanvankelijk wou ik variëren maar omdat ik wegens de discriminatie t.o.v. Belgische elo's toch niet meer in aanmerking kon komen voor het prijzengeld, wou ik wel eens kijken wat mijn tegenstander, de Nederlandse FM Adrian Clemens had voorbereid. Een minithematornooi leek mij leuk maar ik kwam van een kale reis thuis.
Adrian had mijn partij tegen Johan Goormachtigh, die nochtans gepubliceerd stond in de live-uitzendingen, gemist en had de opening enkel gekozen omdat hij Bart er mooi had mee zien winnen tegen Ashote. Op zet 18 verbeterde ik de eerder vermelde partij Tartakower - Brinckmann met een ingestudeerd nummertje en een paar zetten later was de muziek uit de stelling. Opnieuw gebruikte ik slechts 10 minuten voor de hele partij wat mij achteraf toch een beetje naar smaakte vooral omdat ik tot het nieuwe seizoen niet meer tot spelen zou kunnen komen.

2 solide gemakkelijke remises tegen FMs en eerder dit seizoen een hypersnelle overwinning tegen Raf De Coninck (zie opgeven) is een veelbelovende start voor dit concept. Anderzijds biedt het geen oplossing tegen vooral lager gekwoteerde spelers die slechts remise met wit ambiëren. Het resulterende eindspel in beide remisepartijen werd niet uitgespeeld maar biedt bijzonder weinig kansen. Ik herinner mij wel 1 online blitzpartijtje waarin ik het onmogelijke klaarspeelde weliswaar met enige hulp van mijn tegenstander.
Ik raad dus aan om een alternatief te hebben als je als zwartspeler op winst wil spelen. O.a. de hoofdlijn Pe4 biedt zeker betere kansen mits voldoende theoretische bagage. Daarnaast lijkt het mij ook verstandig om niet altijd dezelfde lijn te spelen met zwart en het verrassingselement af en toe te gebruiken.

Brabo

vrijdag 7 oktober 2016

Comebacks deel 2


Slechte reclame is ook reclame maar ik stel voor het schaken hier een groot vraagteken bij. Als ik niet beter zou weten dan hou je als ouder je kind ver weg van het schaken. Schaken is natuurlijk veel meer dan deze incidenten. In de voorbije olympiade was de spanning en drama niet minder dan in om het even welke topsport zie bv tiebrake-systeem beslist de olympiade. Echter niets hierover in de media. Zelfs in Amerika verscheen niets ondanks dat ze goud hadden gewonnen. Het is te zeggen bijna niets want er werd toch iets gepubliceerd in de New York Times. Het stuk kan voor mijn part onmiddellijk naar de prullenmand. I.p.v. de loftrompet te spelen werd de prestatie in het belachelijke getrokken door te insinueren dat Amerika het goud heeft gekocht door buitenlandse topspelers te importeren.

Het is een gemiste kans om aan het Amerikaanse publiek te tonen dat schaken ook vandaag nog steeds zeer boeiend en mooi kan zijn. Veel geld en tijd kost het nochtans niet voor de meeste grote media om een paar partijen van de helden met verteerbare commentaar te publiceren. Materiaal is er genoeg om een verhaal te schrijven. Trouwens drama kwamen we ook niet tekort. Ik haalde al eerder de ontknoping van het tiebrake-systeem aan maar minstens even spectaculair was de comeback van de sterke Amerikaanse grootmeester Samuel Shankland in zijn partij tegen de sterke Indische grootmeester Sethuraman. 11 zetten (vanaf 23 tot 34) staat wit compleet verloren. Sommige programma's schreeuwen zelfs winstscores voor zwart van 18 punten op een bepaald ogenblik maar het is toch wit die uiteindelijk wint.
Verlies i.p.v. winst had 16 tiebrake punten minder betekend voor USA als al de rest hetzelfde had gebleven. M.a.w. dit gelukje hielp USA aan goud want bij de eindmeet hadden ze slechts 9 tiebrake punten meer dan Ukraine.

Op Chess.com vertelde Samuel achteraf dat hij al eerder zulke slechte posities heeft gered in zijn carriere maar nooit tegen het kaliber als Sethuraman. Op een bepaald moment stop je gewoon met te rekenen en speel je een zet die niet direct verliest.

In een eerder blogartikel het sadistische examen vertelde ik dat competitie-schaak emotioneel heel hard kan. Een goed gespeelde partij kan met 1 domme fout om zeep worden geholpen waarna je geen enkele kans meer krijgt om nog terug te komen. Echter minstens even dramatisch is het niet kunnen afwerken van een gewonnen stelling omdat je de finale genadeslag niet kunt vinden. Emanuel Lasker zei dat een gewonnen partij winnen het moeilijkste is. Desalniettemin wat er gebeurde in mijn partij tegen Vermaat waarvan ik in vorig artikel al bepaalde stukjes toonde, tart elke verbeelding. 27 zetten (vanaf 22 tot 49) sta ik totaal gewonnen maar mis ik de ene na de andere k.o.
Na de partij kwam de Indische IM Kumar Praveen mij vertellen dat ik een winst had gemist. Niet 1 maar duizend winsten, antwoordde ik bitsig. Ik kan geen standaardpartij terugvinden tussen de bijna 800 in mijn persoonlijke database waarin mij zoiets overkwam. Hoe is dit mogelijk?

De laatste maanden had ik nochtans dagelijks geoefend op tactiek. Op Chess.com haalde ik een tactiekrating van + 2600. Daarnaast had ik de beker in Deurne gewonnen net voor het open tornooi in Gent en op Playchess won ik in de laatste maanden zelfs een aantal blitzpartijtjes van grootmeesters. Ik denk dus dat ik voldoende mijzelf had voorbereid om in tijdsdruk te kunnen presteren. Anderzijds is de beste training voor standaardpartijen nog altijd de standaardpartijen zelf. Als je 3 maanden al geen serieuze partijen meer gespeeld heb dan kruipt er onvermijdelijk roest in de partijen. Echter misschien de beste verklaring wordt gegeven op de Amerikaanse schaakblog van Dana Mackenzie: "Als er 1 iets is waarin schakers, zelfs GM's, niet goed zijn dan zijn het matcombinaties." Dat klinkt natuurlijk een beetje te makkelijk dus ga ik straks toch maar een aparte les wijden aan matcombinaties samen met mijn leerlingen.

Brabo

vrijdag 30 september 2016

De schaakmicrobe

Na 3 jaar les gevolgd te hebben in Deurne is mijn 7 jarige zoon Hugo overgestapt naar Mechelen. Dit was een lastige beslissing voor mij maar tezelfdertijd wel een noodzakelijke om zijn interesse voor het schaken niet te verliezen. De lessen in Deurne hadden hem nog bitter weinig te bieden en het bestuur slaagde er niet in om hiervoor een oplossing aan te bieden. De jeugdwerking valt of staat bij de onbaatzuchtigheid van vrijwilligers en zoiets kan je natuurlijk niet forceren. Anderzijds zie ik dat er geen enkele doorstroming is van de jeugd naar het volwassenschaak in Deurne. 10 jaar geleden werd gestart met de jeugdlessen omdat de vergrijzing de toekomst van de club in gevaar kon brengen (zie historie). Vandaag is het probleem nog veel groter. Een evaluatie van het jeugdschaak dringt zich op.

In KMSK krijgt Hugo vandaag stap 2+ in een kleine groep met hun eigen juf (Marie-Jaenne Jonckers). De lessen duren een kleine 2 uren (dubbel zo lang als in Deurne) en bestaan uit de helft werken met het handboek en de helft spelen. Ondertussen help ik net zoals vorige jaren in Deurne ook een handje bij het jeugdschaak. Als je toch moet wachten dan vind ik dat je jezelf best nuttig kunt maken. Ik vermoed dat dit voor KMSK een welgekomen geschenk is want ze verrasten mij door mij onmiddellijk te bombarderen tot lesgever voor de meest gevorderde spelers vanaf stap 5.

Ik moest toch even slikken toen ik dit hoorde want ervaring heb ik niet met lesgeven op dat niveau. Bovendien ben ik een autodidact dus kan ik mij niet beroepen op eerdere voorbeelden van lesgevers. Trouwens wat betekent stap 5 en hoger? Ik stelde vast dat de sterkte van mijn leerlingen wel heel erg uiteenlopend is gaande van 1400 tot zelfs 2100 elo. Een rondvraag naar de verwachtingen bij mijn leerlingen bevestigde het heterogene beeld. Kortom het wordt voor mij een serieuze uitdaging om iedereen een tevreden gevoel te geven over mijn lessen.

Van het bestuur krijg ik carte blanche dus ik ga deze kans dan ook gebruiken om te experimenteren met een aantal lesmethodes. De handboeken van stap 5 en 6 heb ik ondertussen ontvangen en zal ik zeker gebruiken maar ook het bespreken van partijen gespeeld door de leerlingen komt aan bod. Daarnaast biedt deze blog een bron van mogelijke lesonderwerpen. Niemand van mijn leerlingen blijkt de blog te volgen waardoor ik niet hoef te vrezen dat het puur herhaling wordt. Desalniettemin nam ik zondag laatst geen enkel risico bij het selecteren van een blogartikel. Een Belgische IM had mij ooit verteld dat mijn artikel interferenties heel interessant was dus ik achtte de kans klein dat het thema gesneden koek is voor mijn leerlingen.

Inderdaad geen van hen bleek vooraf te weten wat ik bedoelde met interferenties. Om de diverse types uit te leggen op een speelse wijze stelde ik van elke type een probleem voor die de groep samen mocht oplossen. Hierdoor kreeg ik een interactieve les waarvan ik vermoed dat de leerlingen ook veel beter en sneller alle thema's absorbeerden. Een ander voordeel van deze methode is dat je ook veel sneller feedback krijgt. Zo vroegen meerdere leerlingen mij of bepaalde stellingen niet te onrealistisch zijn.

Dit is een heel natuurlijke en terechte vraag. Sommigen stellingen zullen inderdaad nooit in de normale schaakpraktijk kunnen verschijnen. Schaaktechnisch zal het de leerlingen bijgevolg dan ook eerder beperkt iets bijbrengen. Echter ik zie de rol van een lesgever meer dan puur de leerlingen beter te laten schaken. Minstens even belangrijk vind ik hen ook de liefde voor het schaakspel te laten ontdekken. Punten winnen geeft op korte termijn een kick maar op lange termijn is de schaakmicrobe afhankelijk van inspiratie en verwondering.

In deze categorie brengt het dame-offer misschien wel de grootste euforie voor de schaker. Volgens de Britse grootmeester en prominent adept van aanvalsschaak Simon Williams in een artikel op chess.com is er niets magischer dan dit. Nu er bestaan natuurlijk vele gradaties van schoonheid in dame-offers. Echter in de praktijk zijn de echt mooie pareltjes toch meestal enkel te vinden bij de betere schakers. Spijtig behoor ik hier nog steeds niet bij. Er is altijd wel iets waardoor het niet lukte. Ik leg uit aan een van mijn meest dramatische partijen die ik in de laatste jaren heb gespeeld. Minstens 4 fantastische dame-offers zaten er verscholen voor mij in mijn 8ste ronde van Open Gent tegen Marcel Vermaat.

De eerste verschijnt op zet  24 maar mijn tegenstander laat het niet toe. Anderzijds moet ik toegeven dat alhoewel het dame-offer correct is, er andere winstwegen zijn die makkelijker zijn. Het is zelfs erg waarschijnlijk dat ik het niet had gespeeld als ik de kans had gekregen.
Een tweede dameoffer is verborgen op zet 30. Deze keer had ik het zeker wel gespeeld maar opnieuw liet mijn tegenstander al dan niet bewust het niet toe.
Op zet 32 krijg ik de eerste echte kans om een dame-offer te plegen. Spijtig speel ik een andere winnende zet. Normaal mag ik zoiets eigenlijk niet missen maar de tijd begon hier zeker ook al mee te spelen.
Het laatste dame-offer is zonder twijfel de meest gesofistikeerde. Het offer zelf is eigenlijk de inleiding naar een spectaculaire combinatie. Persoonlijk denk ik dat dit soort combinaties te hoog gegrepen is voor mijzelf.

Ik denk niet dat er veel partijen bestaan waar je 4 totaal verschillende dame-offers kunt terugvinden. Dat ik de partij uiteindelijk niet won, deed veel pijn (meer hierover in een ander artikeltje) maar ik kon achteraf (veel later) toch genieten van al dat moois onder het oppervlak van de partij. Mijn schaakmicrobe is springlevend.

Brabo

donderdag 22 september 2016

Risico's deel 2

Al 20 jaar speel ik uitsluitend 1.e4 met wit. Met zwart beantwoord ik 1.e4 minstens even lang eveneens enkel met 1...e5. Als je dit combineert met mijn uitgebreide hedendaagse openingstudies (zie schaakopeningen studeren deel 2) en ik FM ben dan verwacht je wellicht dat ik geen grote verrassingen meer na 1.e4 e5 op het bord kan krijgen. Toch slaagde mijn jeugdige tegenstander Mardoek Thienpondt erin mij in de 7de ronde Open Gent uit boek te spelen na welgeteld 3 zetten met een gambietje uit de oude doos. Oud mag deze keer vervangen worden door prehistorisch. In het artikel oude wijn in nieuwe zakken keren we terug naar 1962 en 1918. In het artikel oude wijn in nieuwe zakken deel 2 waren we even terug in 1955. Echter deze keer gaan we naar 1856. Jawel we spreken hier over een gambiet die Paul Morphy een aantal keren zelf heeft gespeeld. Van zijn 4 partijen in de megadatabase met dit gambiet, kies ik de spectaculairste.
In mijn persoonlijke database met online partijen zie ik dat ik de lijn desalniettemin een aantal keren eerder in blitz/ bullet heb ontmoet maar nooit heb ik de moeite gedaan om de opening eens serieus te bekijken. Ik beschouwde het gambiet als ongevaarlijk en de fun van het spelen is natuurlijk de belangrijkste reden waarom je online blitzt (zie de (on)zin van blitz). 

Mijn ploeggenoot de Belgische FM Daniel Sadkowski daarentegen wist wel meer af van de opening en kon mij na de partij toch iets over de kritieke lijn vertellen. Daniel speelt al 40 jaar schaak. Hij heeft nog de periode meegemaakt waarin computers geen enkele rol speelden en dit soort gambieten nog makkelijker speelbaar waren. Desondanks vind ik het toch enigszins choquerend dat iemand die zeer vaak varieert (bv. op enkel 1.e4 heb ik Daniel al c5, e6, g6, c6, Pf6 en e5 zien spelen) iets meer kent van een overlappend stukje repertoire dan ik met mijn wetenschappelijke aanpak. Het bewijst nogmaals wat ik in mijn artikel een hollands gambietje al vertelde namelijk dat mijn repertoire eigenlijk kaas met grote gaten is en mijn studiemethode niet optimaal is voor praktisch schaak.

De eerste officiële wereldkampioen Willem Steinitz vertelde ons dat een gambiet het best kan worden weerlegd door het te aanvaarden. Normaliter volgens de powerplay-methode zou ik dus dit gambiet moeten aanvaarden maar ondertussen weet ik ook dat zonder voorkennis dit een goed recept is voor een smadelijke nederlaag. Openingskennis en voorbereidingen spelen vandaag een veel grotere rol. Bovendien is het weinig wetenschappelijk om een gambiet aan het bord trachten te weerleggen om na een paar zetten in een bekende val reeds te trappen. Nee praktisch is een weigering van het gambiet indien mogelijk vaak veel verstandiger. Ik koos ook voor de laffe vlucht weg van de complicaties.
Na het spelen van deze partij heb ik uiteraard de opening eens serieus bestudeerd om in de toekomst met zwart sneller voordeel te kunnen behalen. Deze keer speelden we gewoon schaak waarin het competitieve element met zijn foutenlast primeerde.

Ik vermoed dat weinigen het erg vinden wanneer afgeweken wordt van kritieke lijnen op deze "laffe" manier als we hierdoor opnieuw op eigen kracht de opening moeten spelen. Echter het afwijken van de kritieke lijnen gaat niet altijd gepaard met een originele vechtpartij. Een recent voorbeeld hiervan gespeeld een paar maanden geleden kan je terugvinden in de Masters Final te BilbaoDe Russische topgrootmeester Sergey Karjakin zal in november voor de wereldtitel spelen maar zijn partij tegen de Amerikaanse topgrootmeester Hikaru Nakamura is niet echt geruststellend voor zijn fans.
Wat een groot verschil met Korchnoi die bij de introductie van het openingsnieuwtje door de toenmalige regerende wereldkampioen Anatoly Karpov in het bizarre wereldkampioenschap van 1978 zonder vrees de complicaties inging. Het werd een van zijn meest beroemde overwinningen.
In My Great Predecessors Part 5 zegt Kasparov zelfs dat 13. Da4 een laffe zet is om remise te maken. Echter het is volgens mij een grote stap te ver om te stellen dat Karjakin een lafaard is en geen waardige uitdager is voor onze regerende wereldkampioen Carlsen. De voorkennis van Nakamura was zonder twijfel veel groter dan die van Anatoly. Trouwens Karjakin heeft nog niet lang geleden ondervonden wat er kan gebeuren als je niet up to date bent met de theorie, toeval of niet tegen dezelfde tegenstander zie harakiri.

In deel 1 promootte ik het nemen van risico's om het schaken aantrekkelijker te maken. Met dit artikel wou ik vooral aantonen dat de opening een apart hoofdstuk is in risicomanagement. De moderne schaakpraktijk bewijst dat we best extra voorzichtig zijn in de opening. Het maximaliseren van de score is spijtig soms enkel mogelijk door het spel te kortsluiten.

Brabo

donderdag 15 september 2016

Desperado

Op chess.com publiceerde de Amerikaanse IM Jeremy_Silman vooral bekend om zijn didactische schaakboeken laatst een mooi artikeltje over hoe plezierig een partijbespreking kan zijn. Sommige partijen zijn doorspekt met allerlei fantastische wendingen maar andere kennen slechts 1 speciaal moment. Zo ook gebeurde in 1 van mijn meest recente partijen wanneer ik samen met mijn topprogramma's kritisch elke gespeelde zet bekeek. Niet alleen had ik de verrassende desperado opgegeven door onze elektronische schaakmeesters helemaal niet overwogen maar het kostte mij bovendien ook nog achteraf tijd om ten volle de sterkte van het idee te begrijpen.

Echter vooraleer ik het partijfragment toon, wil ik eerst de niet alledaagse schaakterm "Desperado" uitleggen. Wikipedia laat ons weten dat ook hiervoor weer meerdere beschrijvingen bestaan. In dit blogartikel is een desperado, een schaakstuk dat ten dode is opgeschreven en beslist om zijn huid zo duur mogelijk te verkopen.

Materiaalverlies beperken door nog zoveel mogelijk mee te grabbelen, is wellicht de best bekende desperado in deze context. Minder evident maar daarom niet perse slechter is een desperado die de pionnenstructuur van de tegenstander verminkt. Een banaal voorbeeldje hiervan kwam aan bod in een analyse gepubliceerd in het artikel lars schandorff. Mijn pion op f4 (technisch gezien ook een schaakstuk) kan niet op een goede wijze worden verdedigd en wordt dan maar opgespeeld om de witte pionnenstructuur uiteen te rijten.

De best verborgen desperado is wanneer er enkel een tempo wordt gewonnen. Het voelt evenmin logisch om een zet/tempo te spenderen aan een desperado zonder dat je iets tastbaars in de vorm van materiaal of structuur krijgt. Zulk soort situatie kan zich slechts voordoen als de stelling voldoet aan een aantal voorwaarden. Zonder de desperado kan de tegenstander met een actieve zet slaan. Met de desperado zal de tegenstander pas kunnen slaan door een eigen stuk ongelukkig te plaatsen. Bovendien kan er hiervan geprofiteerd worden waardoor de tegenstander uiteindelijk nog een extra tempo moet investeren. Het recente voorbeeld uit mijn partij van Open Gent tegen Ted Barendse hieronder zal zonder twijfel dit thema verhelderen.
Dus in de partij miste ik de desperado waardoor zwart met de actieve slagzet Pxg6 het initiatief kon veroveren. De desperado g7 had mij toegelaten om een belangrijk tempo te winnen met veel beter spel dan in de partij.

In mijn bordpraktijk vond ik nog 2 andere voorbeelden van dit type desperado. Wellicht is het niet helemaal verrassend dat ze allebei voorkomen in de openingsfase. De kans dat iemand een niet-triviale zet speelt is gewoon veel groter in de opening omdat dezelfde stellingen veel frequenter verschijnen en concrete theoriekennis een veel grotere rol speelt. Het eerste voorbeeld komt uit een variant die ik al eens besprak in mijn artikel g4 in de najdorf.
Zonder de desperado speelt wit de actieve slagzet Lxf4. Met de desperado f3 zal zwart na het weliswaar niet verplichte Lxf3 tijd winnen met Pe5. Een zeer gelijkaardig idee komt voor in een populaire zijvariant in het Spaans die even aan bod kwam in mijn artikel vrienden.
Zonder de desperado speelde Koen de actieve slagzet Pxd4. Met de desperado d3 kan zwart een belangrijk tempo later winnen met Pe5 of Pc5.

Al mijn voorbeelden zijn met een pion als desperado. Andere schaakstukken beïnvloeden een veel grotere zone en zullen daarom eerder een ander type desperado zijn. Desalniettemin denk ik dat ook bij de sterkere schaakstukken een zeldzame desperado voor slechts een tempo ergens zal bestaan. Elke hulp van de lezer is hierbij opnieuw zeker welkom.

Brabo

dinsdag 6 september 2016

Eten en drinken deel 2

Vorige week werd mij gevraagd waarom België een vrij zwakke ploeg naar de Olympiade heeft gezonden. Ik weet zeker dan onze nummers 1, 13, 15, 21 en 46 op de fide ranglijst hun uiterste best zullen doen maar met uitsluitend toppers behaal je naar alle waarschijnlijkheid een (veel) hogere rangschikking. Ik meen dat hiervoor een aantal verklaringen zijn.

1) Vooreerst ontbreekt het bij veel Belgen aan enig patriottisme. Ik zal zeker niet claimen dat we allemaal chauvinistische nationalisten moeten worden zoals de Fransen maar de interesse van de leden rond bondsactiviteiten is vandaag zeer lauw (met uitzondering van de interclub). Dit werd trouwens ook bewezen in de opkomst van het voorbije Belgisch kampioenschap waarover ik al rapporteerde in vakantie deel 2.
2) Het gaat niet goed met het schaken in België. Heel wat (top-)spelers spelen nauwelijks nog partijen en mogen dus als inactief worden beschouwd. Dit werd al aangehaald in mijn artikel inactiviteit.
3)  De communicatie van de bond naar de leden betreffende de kandidaatstelling kon zeker beter. Op de bondswebsite vond ik een berichtje hierover maar daar bleef het bij. Op het fefb-forum was ik dan ook niet verwonderd dat er minstens 1 topspeler de boot ongewild had gemist. Ik heb een sterk vermoeden dat de meeste schakers behalve voor hun elo en de uitslagen in de interclub nooit de bondswebsite raadplegen.
4) Tenslotte ontbreekt er ook boter bij de vis. De spelers krijgen geen winstpremies, laat staan een soort salaris uitgekeerd en dan haken vele toppers af. Met het debacle van de secretaris een aantal jaren geleden is er geen budgettaire ruimte voor meer.

Budgettair is het natuurlijk niet alleen onze schaakbond die het moeilijk heeft. Zo kwamen er 2 weken geleden onheilspellende berichten over de fide dat ze mogelijk naar een bankroet gaan (zie bv. chess.com). Op kleinere schaal zien we dan weer vele toernooien knippen op de uitgaven. Ik had al eerder geschreven dat het voor de professionals steeds meer overleven is maar daar blijft het niet bij. Ook in de voorbije Open Gent zag ik dat de liveborden die ik 2 jaren geleden op deze blog nog de hemel inprees slechts gedeeltelijk nog actief waren. Echter het meest vervelende was wellicht voor de meesten het weglaten van de ventilatoren waardoor de tornooizaal een ware bakoven werd.

Om dit ongemak te verlichten zorgden de organisatoren gelukkig voor gekoelde waterflessen tegen een democratische prijs en daar werd massaal van gebruik gemaakt. Zelf kocht ik ook iedere ronde minstens 1 flesje maar dit veroorzaakte dan weer extra sanitaire stops. Als je dan bovendien schaakt tegen iemand die snel speelt dan krijg je soms vervelende situaties. Zulke situatie overviel mij in ronde 2 tegen Wiebke Barbier momenteel actief op de olympiade. Ik wou dringend naar het toilet maar ik kreeg de kans niet omdat ik aan zet was.
Het is bijzonder lastig om na te denken wanneer je naar het toilet moet maar weglopen terwijl je aan zet bent, wordt niet aanvaard. Ik vraag mij trouwens af of er al geen ongelukjes zo zijn gebeurd maar dat zal niemand willen opbiechten. Uiteindelijk maakte ik op goed geluk een keuze en sprintte naar de toiletten. Dat je daarvoor bijna 100 meter ver moest gaan, maakte het er niet gemakkelijker op. Trouwens ik denk niet dat het toeval was dat de seniors in een apart zaaltje naast de toiletten mochten spelen.

Naast het tijdsverlies creëren toiletbezoeken ook achterdocht (iets wat ik zelf al eens meemaakte zie wantrouwen). Dat zoiets steeds vaker tot conflicten leidt, merken we ook op in de lopende olympiade. Spelers moeten de arbiter op de hoogte brengen van hun toiletbezoek en de arbiter moet dit registreren. Dit werd echter niet door iedereen zomaar aanvaard. Al snel werd een petitie gelanceerd en met succes want in ronde 4 werd de gecontesteerde regel alweer afgevoerd.

Een speler die wel heel draconische maatregelen treft om niet of veel minder naar het toilet te gaan, is de Belgische expert Alain Talon. Hij vertelde mij tijdens Open Gent dat hij gewoon niet at voor een partij. Ik snap niet hoe hij het kan volhouden want de avondpartijen konden tot 11uur 's avonds duren. Desalniettemin behaalde hij een mooie gedeeld 1ste plaats in zijn elocategorie en dit had misschien nog meer uit de verf gekomen wanneer hij in ronde 4 geen zeer ongelukkige nederlaag had geleden.
Beide spelers waren achteraf niet te spreken over hun spel maar de totaal ongepaste interventie van de hoofdarbiter veroorzaakte heel wat wrevel. Fouten maakt iedereen maar die van een arbiter vallen natuurlijk veel harder op en creëren ook vaak grotere problemen. In dezelfde context wil ik de lezer zeker ook aanraden om het recente grappig artikel van onze Belgische ploegen te lezen.

Eerder op mijn blog heb ik geschreven dat schaken net als een sadistisch examen is maar hiermee wil ik niet de lijn doortrekken voor eten, drinken en toiletbezoeken. Ik heb in mijn schoolcarrière nooit een examen meegemaakt die 4 uren duurde zonder een pauze. Als we standaardschaak willen behouden dan is het noodzakelijk om de spelers hieromtrent voldoende ruimte te laten. 

Brabo

dinsdag 30 augustus 2016

ROT

Wanneer is mijn kind rijp om toernooischaak te spelen bij de volwassenen? Het is een vraag die een trainer of ouder al snel stelt als men het kind wil laten doorgroeien. Tegenwoordig heb je al een europees en wereldkampioenschap voor de -8 dus sommigen beginnen er al erg vroeg aan om kans te maken op een ereplaats of zelfs medaille.

Voor mijn zevenjarige zoon heb ik beslist dat het volgend seizoen nog te vroeg is. Stap 3 en/ of 1100 elosterkte lijkt mij een minimum en zover staat hij nog niet. Bovendien heb ik hem de voorbije zomermaanden onbezorgd laten genieten van vakantie en werd er bijgevolg geen enkele keer geschaakt. Nee volgend seizoen houden we het nog bij jeugdles (hierbij veranderen we van club naar Mechelen) en enkele jeugdtoernooien.

Echter omdat het jeugdschaakcriterium van Leuven op 10 september niet meer veraf is en mijn zoon graag zou deelnemen, startte ik enkele dagen geleden toch stilletjes met enkele herhalingen. Dit bleek geen overbodige luxe want sommige begrippen als iedereen uitnodigen op het feestje (alle stukken ontwikkelen) en koningsveiligheid eerst (rocheren) was hij al vergeten. Het kennen en toepassen van deze basisprincipes in de opening, maakt vaak een cruciaal verschil in partijen bij de jeugd.

Natuurlijk bestaan er talloze uitzonderingen maar die leer je vanzelf door sterker te worden en het verwerven van ervaring. Een buitenbeentje is de Britse expert Mike Surtees die een eigen revolutionaire openingstheorie (vandaar ROT) heeft ontworpen net gebaseerd op uitzonderingen. Hierbij legt hij de klemtoon op pionzetten in de opening i.p.v. stukken te ontwikkelen en wordt er vaak niet gerocheerd. Voor een gedetailleerde omschrijving en verdediging van zijn theorie verwijs ik naar dit blogartikel.

Opmerkelijk is dat hij met deze zeer onconventionele theorie al heel wat successes heeft geboekt zelfs tegen veel sterkere tegenstanders. Pure onzin is het dus zeker niet want ook in het boek Chess For Life stond een mooi voorbeeld van oud-dameswereldkampioene Nona Gaprindashvili. Het was met die partij trouwens dat ik kennismaakte met dit concept. Het is te zeggen vanuit theoretisch perspectief want ik herinnerde mij onmiddellijk dat ik in de praktijk al dit concept onbewust een aantal keren had toegepast.

Een eerste partij die ik wil tonen waarbij zeker sprake is van ROT, was in de zilveren toren van 2004 tegen de Belgische expert Willem Hajenius. Achteraf moesten we allebei glimlachen bij de slotstelling.
Nog een extremere ROT was mijn partij tegen oud-voorzitter van KSK Deurne Guy Colpin. In de slotstelling staat geen enkel stuk van mij ontwikkeld maar wit staat compleet verloren. Guy was zo onder de indruk dat hij mij na de partij vroeg te poseren met de slotstelling om een foto te maken. Ik voelde mij niet helemaal gemakkelijk erbij maar ging toch maar akkoord.
Het meest fantastisch stukje ROT dat ik ooit gezien heb, is een analyse die ik maakte in 1998. Zwart speelt 8 koningszetten in de opening maar staat toch in de slotstelling beter.
Ik vind het spijtig dat de moderne programma's de oude analyses hebben kunnen weerleggen maar dat is nu eenmaal het lot van heel wat oude analyses. Het blijft voor mij in elk geval een ongelooflijke variant.

ROT levert dus bijna gegarandeerd spektakel op. Ik zou het zeker niet aanraden in elke opening en dat doet Mike evenmin maar het is een concept die af en toe eens te overwegen is.

Brabo