zondag 21 april 2019

9. Victor Ivanovich Soultanbeieff

9. Victor Ivanovich Soultanbeieff


(11 november 1895, Yekatarinoslav, Oekraïne - 9 februari 1972, Luik)


Victor Ivanovich Soultanbéieff is een heerlijk speler voor mensen die graag aanvalspartijen naspelen. Hoewel hij laat leerde schaken, won hij in 1914 toch al het stadskampioenschap van Ekaterinoslav, de Oekraïnse stad die van 1926 tot 2016 Dnepropetrovsk werd genoemd. Maar toen brak eerst de wereldoorlog uit en daarna de Russische Revolutie en moest hij mee opdraven in het Russische leger – tussen veldslagen door kon hij wel nog met andere schakers zijn spelpeil onderhouden. In 1918 won hij nogmaals het stadskampioenschap van zijn thuisstad, maar in de burgeroorlog die volgde, kwam hij in het leger van Wrangel terecht, dat in Gallipoli gelegerd werd. Wrangel was een generaal die eerst officier was in het Keizerlijke leger, en daarna bevelhebber was van het witte (anti-communistische) leger in de burgeroorlog. Wrangel overleed onverwacht op 49-jarige leeftijd in Brussel, maar werd later herbegraven in een Russisch-orthodoxe kerk in Belgrado.

Hij kwam als jongeman in 1921 in België aan en koos na een kort verblijf in Brussel, Luik uit als woonplaats, vooral omdat er toen veel werk was in de mijnen en de staalindustrie. Hij zou de rest van zijn leven “Luikenaar” blijven.

In 1923 speelde hij voor het eerst mee in het Belgisch kampioenschap, het begin van een lange traditie: hij zou 22 NK’s meespelen, misschien wel een record. Voor Soultanbeieff was dit tornooi hem op het lijf geschreven: net zware tegenstand genoeg voor zijn niveau, maar ook net zwak genoeg bezet om vaak kampioen (in totaal vijf keren) te worden. En met zijn aanvallende speelstijl, zorgde dit ook vaak voor interessante partijen. Al bij zijn eerste deelname viel hij op met die scherpe speelstijl – een grotere tegenstelling met die van Dunkelblum lijkt onvoorstelbaar. Hij werd meteen vierde en bestempeld als “grote belofte” voor het Belgische schaken.

Hij kon niet leven van het schaakspel alleen, en moest dus als mijnwerker en staalarbeider de kost verdienen. De weinige vakantieperiodes werden altijd besteed aan de zeldzame tornooien waaraan hij kon deelnemen of waarvoor hij een uitnodiging kreeg. Zo kwam zijn naam toch terecht op tornooilijsten als die van Hastings en Hoogovens.

In het tornooi van Luik 1930 (achtste met 5/11, Tartakover won met 8,5/11) ging hij zelfs overdag nog werken, om dan in de late namiddag tegen namen als Tartakover en dergelijke te spelen. Het leverde hem de bewondering van tornooiwinnaar Tartakover op.
In het Major A tornooi van Hastings in 1930/31 speelde hij uitstekend en won hij met 7,5/9 voor Sapira. In 1931 werden die sterke prestaties beloond met de titel “nationaal meester”. Daarna won hij het NK in 1932 (samen met Dyner) en in 1934. In Oostende 1936 werd hij 7de – Erik Lundin won. Tijdens de oorlog kwam er nog een nationale titel bij in 1943.

In 1946 werd hij uitgenodigd voor een klein tornooi in Maastricht, dat Euwe gemakkelijk won met 7,5/9; hij werd zevende met 50%. Daarna volgde het interessante Zaanstreek-tornooi. Dat was een zeer internationaal samengesteld tornooi (slechts drie Nederlanders), dat net voor het grote tornooi van Groningen (de Staunton Memorial) werd gehouden, als een soort opwarmertje. We zijn namelijk nog maar net een brute wereldoorlog gepasseerd, en de infrastructuur is voor een groot deel lamgelegd, wat reistijden onvoorspelbaar maakt.

Zo kon het Zaanstreek-tornooi zich verheugen in de deelname van Szabo, Christoffel en Stoltz, die zich hiermee – net als Euwe – konden “inspelen” voor het hoofddoel: Groningen. De Nederlandse inrichters waren niet chauvinistisch ingesteld en het divers samengestelde veld zorgde voor een remise-arm verloop van het tornooi. Soultanbeieff droeg hier zeker zijn steentje bij. Zijn positiespel was misschien niet “zwaar” genoeg voor de top, maar zijn tactische ingesteldheid zorgde voor een 3,5/4 tegen de staart van het klassement.
In 1946 speelde hij zijn laatste match – zijn eerste was een 2-2 gelijk spel tegen Dunkelblum in 1932, gevolgd door een 2-2 tegen Koltanowski. Het werd tevens de eerste match die hij verloor: met nipte 2,5-3,5 cijfers tegen Paul Devos.

In 1947 trad hij aan in Baarn, dat niet zo goed voor hem verliep (2,5/7). In een zeskamp in Brussel werd hij tweede met Van Seters, achter winnaar O’Kelly. In 1950 volgde zijn enige deelname aan Hoogovens (B-tornooi), maar hij speelde een zwak tornooi; Donner won met 7/9, hijzelf moet genoegen nemen met een 9de plaats (op 10 deelnemers) met 2,5/9. In Hastings 1953-54 werd hij vierde in het B-tornooi van Hastings (“Premier Reserves”), met 5/9, maar blijkbaar maakte zijn speelstijl indruk, en werd hij het jaar erop uitgenodigd voor de hoofdtabel. In 1954 volgde in Dublin een nieuwe zeskamp, die weer door O’Kelly gewonnen werd (4,5/5). Soultanbeieff werd derde, ex aequo met Leonard Barden (3/5). In 1954-55 nam hij deel aan de hoofdgroep in Hastings, maar ook in dit tornooi lag de lat te hoog voor hem: 8ste met 3,5/9. Hij was een zeer gevaarlijk speler voor iedereen tot meestersterkte (zeg maar 2400 elo), maar daarboven waren spelers positioneel en tactisch te sterk om een vuist ertegen te kunnen maken.

Op nationaal vlak kon hij nog goed mee in het begin van de jaren 60, maar het bleef beperkt tot (dichte) ereplaatsen, zoals in 1962, toen hij enkel Van Seters en Willaert moest voorlaten. In 1969 speelde hij zijn laatste NK, maar dat werd een non-event: hij stapte uit het tornooi na vier ronden. Hij speelde zijn laatste partij op nationaal niveau in de vierlandenkamp in Mortsel in 1970, waar hij tegen de mij verder onbekende Fransman Christian Levaux remise speelde op bord 7.

In 1964 werd hij nog internationaal arbiter. In het Slavisch liet hij de Soultanbeieff-variant na: 1.d4 d5 2.c4 c6 3.Pf3 Pf6 4.Pc3 dxc4 5.a4 e6, die hij voor het eerst boven haalde in de cr-partij Macht-Soultanbeieff (1931-32).

Hij was ook als schaakschrijver actief: hij schreef een boek over het WK tussen Capablanca en Aljechin, en zijn boek “Guide pratique du jeu des combinaisons”, later herdrukt als “le Maitre de l’Attaque” was en is nog altijd een heerlijke partijenverzameling.

Zijn speelstijl (ik noem hem “de Luikse Nezhmetdinov”), zijn resultaten, zijn uitnodigingen voor internationale tornooien, zijn boek, zijn reputatie en zelfs zijn exotische naam – het draagt allemaal bij tot zijn plaats in deze top tien. Niet onterecht lijkt me. Hoewel duidelijk onder de top vijf, stond zijn leven toch quasi helemaal in het teken van het schaakspel – en wanneer je dan zo opvallend je naam kan maken, dan mogen we als Belgenland trots zijn dat hij hier terechtkwam en schaakbelg werd.

Als afsluiter nog dit: in 1948 wint hij volgend miniatuurtje tegen Devreese in Luik – het zit niet in Chessgames.com, noch in de Bigbase 2019 en is één van de ontelbare miniatuurtjes (zie ook zijn partijen tegen Liubarski in 1928 of tegen Borodin in 1943) die hij ons heeft nagelaten. De partij is niet opmerkelijk tactisch – Devreese let even niet op in een stelling waar het op “wie komt eerst” aankomt – maar dat was net het sterke punt van Victor: je mocht hem absoluut geen enkel taktisch aanknopingspunt geven, of het zat erop.

Bronnen :
  • Guide pratique du Jeu des Combinaisons, Soultanbeieff, Editions Echecs et Mat, 1950
  • Chess Review, januari 1954

HK5000

2 opmerkingen:

  1. Jammer dat in Vlaanderen schaakt Digitaal, de partijen niet even makkelijk na te spelen zijn als bij jou!
    Groetjes, Hugo

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Ja werken met een pdf is absoluut niet handig. Ik vermoed dat Jan Gooris dit doet om illegale kopies te vermijden maar persoonlijk denk ik dat je daarmee de kans mist om een veel groter publiek te bereiken. Uiteindelijk is het toch de bedoeling om schaken te promoten ook naar potentieel nieuwe leden.

      Tenslotte kan je de diagrammen in VSD wel via de app https://chessify.me/ scannen op je smartphone waarmee je toch vrij snel een engine kunt gebruiken om een partij dieper te bekijken.

      Verwijderen