donderdag 20 september 2018

Sneller deel 2

Een paar maanden geleden werd op de blog van LSV zich afgevraagd waarom bepaalde oubollige bondsreglementen vandaag nog steeds niet zijn aangepast aan de moderne tijd. Tenzij bij ramp en tegenspoed zien we dat grote veranderingen bijna nooit gebeuren. Het is meestal de oude garde die de touwtjes in handen heeft in de meeste besturen waardoor er logisch ook veel meer aversie bestaat tegen verandering.

Daarentegen is het ook zo dat niets constant blijft. Er zijn voortdurend kleine veranderingen welke veel minder weerstand ondervinden daar de meesten ze als onbeduidend vinden. Pas na soms een decennium zien we hoe dit gecumuleerd heeft tot een grote verschuiving. Ons schaakspel is definitief veranderd. Iedereen heeft zich aangepast op een paar enkelingen die zich afvragen of het nog de moeite is om verder te schaken.

In deel 1 schreef ik dat de Brugse meesters van 2006, het eerste grote Belgische tornooi was met het snelle standaard-tempo G90 + 30 seconden. Dit jaar dus 12 jaar later hebben de laatste grote Belgische tornooien ook dit tempo overgenomen. Zowel de Zilveren Toren, Open Gent als Open Leuven maken tezelfdertijd de overstap naar dit tempo. Er blijven dus op Belgische bodem geen grote tornooien meer over waar je volgens het oude tempo kunt spelen. Voor de meerderheid is dit een logische evolutie. Echter ik hoor ook her en der teleurstelling en zelfs verbittering door het wegvallen van de variatie/ keuze.

Aanvankelijk was ik zelf ook tegen het snellere tempo maar gaandeweg heb ik steeds meer de voordelen leren appreciëren. Het is gedaan met de enorme blunders door zetten te spelen met slechts seconden op de klok. Er is geen arbitrage meer nodig om te bepalen of iemand puur op tijd speelt. De partijen duren gemiddeld beduidend minder lang wat voor mijn drukke agenda zeker welgekomen is. Zelfs in de Open Gent viel het mij al op dat partijen met G90 + 30 seconden gemiddeld sneller gespeeld worden dan het oude G120 + 0 seconden. Tenslotte voor de spelers die graag hun partij achteraf analyseren, is het ook prettig om over de volledige notatie van de partij te beschikken. Je bent niet afhankelijk van een goed geheugen of live-borden. Mijn partij in ronde 5 tegen de tornooiwinnaar Elshan Moradiabadi was hiervan een goed voorbeeld. Al erg vroeg had ik minder dan 2 minuten resterend op de klok maar dankzij de increment slaagde ik erin om grote blunders te vermijden en de notatie te onderhouden.
Desondanks zijn er ook enkele nadelen. Door de increment weet je niet meer wanneer een partij ten laatste gedaan zal zijn. In theorie kan ze zelfs eeuwig blijven duren. 1 zeeslang (zeer lange partij) kan de planning van een tornooi helemaal in de war sturen. Dus voor organisatoren is het vervelend maar ook voor de deelnemers is het niet leuk. Spelers moeten langer wachten tussen ronden gespeeld op 1 speeldag en krijgen bovendien geen tijd om nog iets voor te bereiden. Ik zag trouwens op de Brugse meesters 2018 dat de tornooiwinnaar de Spaanse grootmeester Oleg Korneev van Russische afkomst dit trachtte te omzeilen door met opzet te laat te komen op een cruciale ronde om zo alsnog te kunnen voorbereiden. De Belgische internationaal arbiter Geert Bailleul zal het op de nakende Olympiad te Batumi, Georgie trachten te bespreken want in hoeverre kan dit als vals spelen worden beschouwd. In theorie consulteerde Oleg schaaksoftware tijdens de partij.

Net zoals in 2006 zijn vandaag de Brugse meesters opnieuw een pionier. Voor het eerst in België werd een mechanisme ingevoerd om komaf te maken met de enkele zeer lang-durende partijen. Na 4u40 minuten spelen kan de arbiter beslissen om de increment uit te schakelen en aan beide spelers een extra 5 minuten te geven zodat het tempo omschakelt naar een QPF (quick play finish). Op het eerste zicht een vreemde beslissing want we gaan hiermee terug naar de kommer en kwel van voorheen zonder increment maar als je het op afstand bekijkt dan best logisch. Met G90+ 30 seconden moet je al minstens 100 zetten gespeeld hebben om een partij 4u40 minuten te laten duren. Partijen van meer dan 100 zetten zijn zeer zeldzaam (ik heb in mijn persoonlijke database meer dan 800 standaardpartijen en slechts 2 gaan voorbij zet 100). M.i. weegt de winst voor het algemene comfort in een tornooi op tegen het zeer beperkte kwaliteitsverlies van die zeldzame partijen.

Desalniettemin waren er bij de toepassing van dit nieuwe mechanisme wel nog enkele kinderziekten. De omschakeling van increment naar QPF moest manueel gebeuren en kostte veel (te veel volgens sommigen) tijd. Ik vermoed na enkele keren dat de arbiter het steeds vlotter kon uitvoeren maar het blijft altijd een heel storende activiteit. Daarnaast was het ook evenmin duidelijk of de speelduur van een partij moest genomen worden vanaf het officiële of het werkelijke startuur. Zoals heel vaak in open tornooien wordt de 1ste ronde later aangevat dan het aangekondigde uur volgens het programma. Dit zorgde ervoor dat bijvoorbeeld in de eerste ronde-partij tussen de Belgische internationaal meester Steven Geirnaert en de Belgische FM Frederic Verduyn al op zet 87 beslist werd een omschakeling van increment naar QPF te maken.
De betrokken spelers waren er allerminst gelukkig mee. Er is duidelijk nog gewenning nodig maar misschien moet ook worden uitgekeken naar een optimalisatie van het mechanisme. Zo zou het veel beter zijn als de klok automatisch de omschakeling kan doen. Ik ken geen klokken die exact doen wat er nu manueel in de Brugse meesters gebeurt maar je kan het wel benaderen door te beslissen na x aantal gespeelde zetten de aanpassing te laten uitvoeren. x kan dan 60, 80 of 100 zetten zijn. Daarna krijgt iedere speler y = 5, 10, 15,... minuten bij zonder increment. Echter slechts een beperkt aantal type klokken kan dit en die zij niet wijd verspreid. Ik kan mij goed voorstellen dat je als organisator niet zo snel 100 van die klokken kunt aanschaffen want goedkoop is het allerminst.

Een minder zichtbaar nadeel van het snellere tempo die ik al in mijn artikel het notatieformulier aanhaalde, is de grotere oppervlakkigheid in onze partijen. De tijden waar men nog een half uur of meer kon nadenken op 1 zet om een diep plan te maken zijn definitief achter ons. Het is zelfmoord om dit vandaag nog te doen met het huidige tempo. Dit aspect leidt bovendien ook tot grote armoede in het eindspel. In mijn artikel praktische eindspelen sprak ik hier al over dat spelers bij increment enkel nog spelen op basis van instincten en minimale berekeningen. Echter in de voorbije zomermaanden zag ik tot mijn ontsteltenis dat de jeugd zelfs ontbreekt aan elementaire eindspelkennis. Ik kan nog enigszins begrijpen dat mijn 9 jarige zoon Hugo in onderstaand compleet gelijkstaand-eindspel zichzelf helemaal vernietigt want het zijn de allereerste einsdpelen waarmee hij in contact komt.
De zelf-vernietiging van de zeer beloftevolle jonge speler Enrico Follesa in onderstaande partij is al zorgwekkender. Dat het dame-eindspel niet optimaal wordt gespeeld, kan ik nog perfect begrijpen maar de vrijwillige afruil naar het compleet verloren pionneneindspel is dat niet. Ik heb trouwens op mijn blog dame eindspelen deel 2 al gewaarschuwd om zeer voorzichtig te zijn bij transformaties van dame- naar pionneneindspel. Als je niet zeker bent dan is het bijna steeds verstandiger om de dames op het bord te houden.
Tenslotte vind ik mijn onderlinge partij met mijn meest talentvolle leerling Sterre Dauw gespeeld in de laatste ronde van de voorbije Open Gent het meest schrijnende voorbeeld. Zonder aarzelen bood Sterre torenruil aan en gokte dat het pionneneindspel remise was. Nochtans ik zag onmiddellijk dat wit uitstekende winstkansen heeft met zijn 2 tegen 3 pionnen-eilandjes. Hij ontsnapte omdat ik met minder dan 2 minuten resterend op de klok mij niet meer kon verdiepen in de stelling want zo liet ik nog net een reddende truuk toe.
Kortom de jeugd gokt er op los in het eindspel. Vroeger kon je makkelijk een kwartier investeren in het eindspel en zo langzaam door ervaring een zekere eindspelkennis opbouwen. De increment is nefast hiervoor. Enkel door thuis vele uren je (eigen) eindspelen te analyseren, is het nog mogelijk maar wie doet dat (van de jeugd)? Ja ik wel maar in mijn laatste les keken al mijn leerlingen mij erg vreemd aan toen ik hen vertelde dat ik geregeld meerdere uren 1 eindspel analyseer.

Brabo

1 opmerking:

  1. 90 min + 30": eens men puur op increment moet spelen wordt er veel over en weer geblunderd en dit tempo mag voor sommige toernooien interessant zijn dan is het toch te hopen dat er toernooien blijven met tempo's die de spelers voldoende bedenktijd geven.

    BeantwoordenVerwijderen