dinsdag 7 februari 2017

Ervaring deel 2

Als je een beetje de laatste tijd het topschaken gevolgd hebt dan weet je dat de Amerikaanse topgrootmeester Wesley So de meest succesvolle schaker op dit ogenblik is. Hij is vandaag ongeslagen sedert 56 partijen en dit niet tegen de minste tegenstand. Hij won het voorbij half jaar Sinquefield CupLondon Chess Classicgoud met Amerika op de olympiade en nu laatst ook Tata Steel Chess Tournament een punt voor de regerende wereldkampioen Magnus Carlsen. Met 2822 staat hij virtueel op de 2de plaats (zie 2700chess). Magnus staat sinds juli 2011 op plaats 1 maar daar zou wel eens weldra een eind kunnen aan komen.

Deze successen zijn er niet vanzelf gekomen. Zo vertelt Wesley in een interview op Chessbase dat hij al een jaar niet meer het internet gebruikt behalve voor mails. Ook een gsm heeft hij niet om zeker niet te worden afgeleid. Ik zei al gekscherend op schaaksite dat sterke spelers hun tijd niet verkwisten met discussies omdat ze die tijd willen spenderen aan studeren maar bij Wesley is het dus bittere ernst. Hij is een modelvoorbeeld van hyper-professionalisme.

Desalniettemin zien we zelfs bij dit soort extreme toewijding aan het schaken dat er gaten zijn in de openingskennis. Wesley won een prachtige partij in ronde 5 tegen de Indische topgrootmeester Pentala Harikrisha maar Chessbase merkte achteraf op dat alles tot zet 14 al was verschenen in de toppartij Vladimir Kramnik - Ian Nepomniachti gespeeld te Dortmund in 2015. Vreemd genoeg gebruikte Wesley 64 minuten om zet 14 te bereiken.

Eerder schreef ik een artikeltje op mijn blog over camouflage maar 64 minuten spenderen om je openingskennis te camoufleren is onzin uiteraard. Bovendien gaf Wesley ook toe dat hij Kramniks partij niet herinnerde tijdens het spelen. De anekdote bevestigt nogmaals wat ik al schreef in een artikel van 2014 dat een up to date repertoire waanzinnig moeilijk is om als bordschaker te creëren en te onderhouden. 

Voor een amateur is dit probleem uiteraard veel minder kritiek. Openingen hebben een eerder bescheiden invloed op het uiteindelijke resultaat van een partij bij amateurs (zie bv. schaakopeningen studeren). Anderzijds heb ik nog steeds een gezonde dosis ambities en tracht ik ook mijn partijen wetenschappelijk te onderbouwen. Ik zal daarom niet mijn kop in het zand steken voor openingsproblemen.

Pas recent realiseer ik mij ten volle hoe serieus deze problemen zijn. In mijn artikel schaakopeningen studeren deel 2 vertelde ik hoe ik sedert een paar jaar veel grondiger de openingen bekijk. Tezelfdertijd ontdekte ik hoe weinig ik wist van de meeste openingen. Als we kijken naar de cijfers dan wordt het snel duidelijk.

Enkel kijkend naar de partijen van Open Leuven dan stel ik vast dan ik uit boek was in 4 van de 7 partijen in een stelling waarmee nog meer dan 100 meesterpartijen in de megadatabase staan. Dit staat haaks op mijn reputatie van gevaarlijke theoreticus die nog steeds hardnekkig blijft bestaan. Na de meest recente interclubronde verklaarde mijn tegenstander Joris Verhelst zijn non-standaard openingskeuze met dat hij gehoord had van mijn enorme openingskennis. Wel laat ons de proef op de som nemen door te kijken naar wat ik speelde op zet 17 in mijn partij van de 5de ronde in Open Leuven tegen Tom Barbe.
Uit boek in een stelling die nog in meer dan 100 meesterpartijen voorkomt.


Tom speelde een fantastisch tornooi (zie klassement) en ook in onze onderlinge partij toonde hij zijn vorm door optimaal te profiteren van mijn gebrekkige openingskennis. Aanvankelijk was ik ontevreden over de remise omdat de eindoverwinning hiermee erg onwaarschijnlijk werd. Later besefte ik dat ik nooit op meer had kunnen hopen.

Ondanks een zeer vast repertoire had ik deze lijn in de laatste 10 jaar niet meer in een standaardpartij op het bord gehad. Het is een regelmatig wederkerend probleem die ik link aan een gebrek aan ervaring. De Belgische IM Stefan Docx gaf mij trouwens al de raad dat ik (veel) meer moet spelen indien ik als speler verder wil groeien. Ik besef zelf ook wel dat gemiddeld 23 partijen voor rating per jaar (zie vorig artikel) gewoon veel te weinig is.

Het is uiteindelijk een kwestie van prioriteiten stellen. Schaken is voor mij heel belangrijk maar daarvoor wil ik niet alles opofferen dus zette ik bewust 10 jaar geleden een stapje terug. In tegenstelling tot vele leeftijdsgenoten die stopten met schaken, leerde ik de gebrekkige openingskennis te accepteren. Bovendien zoals HK5000 mij eens vertelde, zet je met elke partij toch weer een stapje verder. Anderzijds zie ik dat de theorie vandaag zo snel evolueert dat ik het gevoel krijg dat ik met mijn tred alleen maar verder achterop geraak. Voorlopig zie ik evenmin een aantoonbare verbetering met mijn vernieuwde studiemethode. De (nabije) toekomst zal misschien beterschap brengen zeker als mijn zoon Hugo de smaak te pakken zou krijgen om serieuze wedstrijden te spelen.

Brabo

6 opmerkingen:

  1. Een partij waar er op zet 17 afgeweken wordt van de theorie als voordbeeld van een gebrekkige openingskennis lijkt me nogal een zwaktebod.
    Ik kan me persoonlijk geen partij herinneren waar ik op zet 17 wel nog de theorie kende ...

    Ik vrees dan ook dat je nog niet meteen van je reputatie als gevaarlijke theoreticus zal afraken.

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Dit is een zeer terechte opmerking want ik ben er vrij zeker van dat je er niet alleen zo over nadenkt.

      Echter in tegenstelling tot eerdere artikels, gaat dit artikel over bijna uitsluitend spelers met een rating boven 2300. Wat mag/ kan je verwachten van iemand die +2300 rating heeft? Bovendien speel ik al 20 jaar dezelfde lijnen en schreef ik dat ik nog steeds ambities heb.
      Is het voor dit type spelers normaal dat je zo regelmatig uit boek bent in een stelling die de theorie nog als basis beschouwd? Ik vrees dat de meeste toptrainers mij zullen vertellen dat ik dringend aan mijn repertoire moet beginnen werken of ik zal nooit beter schaken.

      Tenslotte is het ook verkeerd om zich vast te pinnen op de exacte zet wanneer je uit boek bent. Alles hangt af van hoe standaard de stelling is. Het is best mogelijk om al na zet 5 uit boek te zijn en een vrij originele stelling op het bord te hebben. Het is trouwens perfect aanvaardbaar om geen enkele keer 17 zetten theorie te kennen als je steeds de grote lijnen vermijdt.

      Dit verschil zien we ook in de 4 partijen van Open Leuven waarin ik kennis miste.
      Ronde 1 tegen Georges Marechal: uit boek op zet 15
      Ronde 3 tegen Jan Rogiers: uit boek op zet 6 (misschien had ik beter dit voorbeeld genomen maar ik wou niet 2 keer dezelfde partij in een blogartikel gebruiken, zie http://schaken-brabo.blogspot.be/2017/01/the-hyper-modern-french.html
      Ronde 5 tegen Tom Barbe: uit boek op zet 17
      Ronde 7 tegen Hans Renette: uit boek op zet 7 (die partij komt nog aan bod in een later artikeltje)

      Verwijderen
  2. Hoe meer ik graaf in de Stonewall, hoe logischer ik het vind dat club schakers in dat soort gesloten stellingen een bepaald plan kiezen waarbij een zet of 12 theorie is en ook vrij makkelijk te onthouden. Als FM is het dan niet zo gek dat je er nog 5 bij weet en op 17 komt.

    17 zetten in de Draak is een ander verhaal, daar zijn meer variaties mogelijk en je moet veel betere oppassen. Een plan gokken in de draak kan je zomaar tactisch opbreken.

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. In de Draak bestaan veel lange theoretische varianten. Een voorbeeldje kwam aan bod in mijn artikel http://schaken-brabo.blogspot.be/2015/10/fouten.html
      Daarin sprak ik over een nieuwtje op zet 28 pas en zelfs de slotstelling op zet 34 leek mij nog bekend.
      Ik ken in Belgie niet onmiddellijk iemand uit de top 100 die de Draak als belangrijkste wapen in zijn repertoire heeft staan. Ik zie daarvoor een dubbele reden. Vandaag is de gemiddelde leeftijd van de top 100 spelers in Belgie 41,2 jaar (de situatie is dus verslechtert t.o.v. 4,5 jaar geleden zie http://schaken-brabo.blogspot.be/2012/12/elo-inflatie.html). Daarnaast vergt de Draak tonnen meer openingsstudie dan pakweg 20 jaar geleden. Oudere spelers hebben hier gemiddeld veel minder zin in dat jongere.

      Verwijderen
  3. Veel spelers gaan er prat op niets van de theorie te kennen. Alles zelf achter het bord vinden levert immers meer respect op dan iets van buiten leren. Ik geef toe dat ik mij er zelf al aan bezondigd heb. En toch is het in mijn geval niet helemaal gelogen. Mijn geheugen is tegenwoordig een zeef. Zo ook weer gisteren in de interclub. Ik wist nog wel zo ongeveer een beetje wat ik hoorde te spelen maar voelde mij als een koorddanser die ieder ogenblik zou kunnen neerstorten. Doelbewust heb ik dan maar een minder goede voortzetting gekozen om maar zo snel mogelijk uit de theorie te geraken. Achteraf bleek dat mijn stelling na zo'n zet of 15 al op het bord was gekomen bij supergrootmeesters.

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Klopt. In mijn artikel "http://schaken-brabo.blogspot.be/2014/06/de-expert.html" schreef ik al -Het begrip "expert" heeft bij velen een negatieve connotatie. Het is onkies om een partij te winnen met behulp van een betere kennis van de opening.-

      Anderzijds eenmaal je boven de 2300 bent, ga je er nog weinigen vinden die "niets" van de theorie kennen. Een grote uitzondering op deze regel besprak ik in mijn artikel "http://schaken-brabo.blogspot.be/2016/05/ashote-draftian-is-vlaams-kampioen.html"
      Zondag dacht ik dat Draftian opnieuw weer een onzinnige variant tegen mij had gespeeld. Groot was mijn verrassing om achteraf vast te stellen dat het voor mij totaal onbekende systeem al gespeeld werd door +2600 spelers en zwart er bovendien nog nooit mee had verloren. Het was een atypische Draftianpartij want in de complicaties liet hij duidelijk een kans liggen op enig voordeel.

      Verwijderen