woensdag 25 september 2013

Welke partijen analyseren?

In mijn blogartikeltje analyseren met de computer vermeldde ik reeds dat heel wat spelers analyseren eerder een noodzakelijk kwaad beschouwen om punten te scoren/ progressie te maken. Het spreekt voor zich dat je een activiteit die niet plezierig is, tracht te beperken tot een minimum. Hierbij is het dus zaak om een goede selectie te maken die een maximaal rendement oplevert. Ondanks dat ik in tegenstelling met de modale amateurschaker wel graag analyseer, moet ook ik keuzes maken welke partijen te analyseren simpel omdat het onmogelijk is om alles te bekijken.

Voor zover ik weet, bestaat er geen consensus over wat nu precies het beste materiaal is om te analyseren. Omdat analyseren een beetje zoals studeren is, geloof ik evenmin dat er een beste methode bestaat voor iedereen. Ik wil dan ook geen artikeltje schrijven over wat de beste partijen zijn om te analyseren maar meer een persoonlijke inkijk geven over het huiswerk dat ik bijna dagelijks maak. Trouwens gewoon bezig zijn met stellingen zal naar alle waarschijnlijkheid al een positieve invloed hebben op je spel.

Ik vermoed dat vandaag 80% van mijn analyses worden gemaakt op mijn eigen gespeelde partijen. De resterende 20% gaat naar partijvoorbereidingen, bepaalde openingen, input voor de blogartikeltjes of toevallige interessante stellingen. Zelf twijfel ik sterk of dit wel een goede verdeelsleutel is maar ik lig er niet wakker van want een optimaal rendement behalen betreffende beter te schaken, is voor mij geen vereiste als amateur. De motivatie voor al dit analysewerk haal ik enerzijds uit mijn speelwijze die gebaseerd is op een wetenschappelijke aanpak en anderzijds uit mijn plezier dat ik vind bij het uitzoeken wat er allemaal op het bord en in het bijzonder in mijn eigen partijen gebeurd is of kan/kon gebeuren.

Omdat niet elke eigen gespeelde partij even interessant is, is het vanzelfsprekend dat er niet in elke partij evenveel analysewerk wordt gestoken. Blitz of bulletpartijtjes bekijk ik zelden of nooit. Een uitzondering maak ik als er een speler mij meerdere malen hard van het bord heeft gezet met een bepaald systeempje en zelfs dan ga ik niet verder dan met een schaakprogramma en database snel detecteren hoe de opening wel kan worden gespeeld. Daar tegenover onderwerp ik wel elke eigen serieus gespeelde partij (waar tenminste de tijd is genomen om te noteren tijdens de partij) aan een grondige analyse. Met een grondige analyse bedoel ik een methode van analyseren die ik uitgelegd heb in mijn blogartikeltje analyseren met de computer.

Ik vermoed dat elke eigen serieus gespeelde partij op zulk intensieve wijze analyseren voor velen nogal ongeloofwaardig klinkt maar ik kan makkelijk mijn persoonlijke database van 650 eigen gespeelde partijen tonen die stuk voor stuk becommentarieerd staan soms met een brede waaier aan varianten. Trouwens als je kijkt enkel naar deze blog met meer dan 100 artikels waarbij erg vaak uitgebreide analyses staan van eigen partijen dan kan je al afleiden dat ik heel veel hergebruik wat ik al eens lang geleden heb gemaakt. Het oudste voorbeeld in deze blog dateert van 1996, zie schaakcompositities wat tevens overeenstemt met de start van de digitalisering van mijn analyses.

Ik ben mij er dus van bewust dat mijn analysedrift eerder de uitzondering is dan de regel zelfs bij de sterkere spelers. De sterke Belgische FM Thibaut Maenhout gaf op deze blog al toe dat hij zijn analyses niet zo uitgebreid maakt, zie zijn commentaar onder mijn blogartikel een uitgebreid zwartrepertoire. Tevens werd eens de vraag gesteld door een bekende Zottegemse schaker op deze blog, zie een hollands gambietje, of de kans niet klein was dat dergelijke partijen zich herhalen. Wel zoals eerder gezegd in dit artikeltje is het niet mij puur te doen om een optimaal rendement te halen uit al deze analyses wat niet betekent dat ik helemaal niets leer uit deze analyses. Op deze blog heb ik al heel wat artikeltjes geschreven die bewijzen dat ik wel degelijk de vruchten kon plukken van eerdere analyses, zie: een obscuur weens variantjede boemerangeen hollands gambietje en een hollands gambietje deel 2. Er is nog meer terug te vinden op deze blog maar dit zijn de meest opvallende artikeltjes.

Als je op de links geklikt hebt of gewoon de artikels nog herinnert dan zal je het wellicht opgevallen hebben dat ik veelal een slecht resultaat (verloren of remise tegen een veel lager gekwoteerde speler) scoorde bij een eerste ontmoeting met het vreemde systeem. In dit blogartikeltje wil ik aantonen dat het niet alleen slechte resultaten zijn waarvan je kunt leren. Ik ga dus een stap verder en stel dat je eigenlijk uit elk serieus gespeelde partij kunt leren dus zelfs als je gewonnen hebt tegen een (veel) minder ervaren speler in een raar variantje. Om deze stelling te ondersteunen, toon ik 3 partijtjes in chronologische volgorde die ik allen gewonnen heb in een variantje van het loperspel dat Linton als minderwaardig beschouwde voor wit maar m.i. eigenlijk wat ondergewaardeerd is.

Een eerste keer dat ik het variantje ontmoette was in 2003, de open van Le Touquet. Ik behandelde de opening op dezelfde wijze als in de normale hoofdlijn van het loperspel maar ondervond al snel dat wit prettiger stond. Pas in het eindspel kon ik na enkele heksentoeren mijn tegenstander verslaan.

In het vorige clubkampioenschap van Deurne had ik in mijn voorbereiding (jawel zelfs op een 1700 elopunter) opgemerkt dat Lb4 i.p.v. Ld6 heel interessant was omdat een normaal concept met Pc3-Lg5 onmogelijk wordt. Deze keer kwam ik prettig uit de opening maar onnauwkeurig en wellicht te optimistisch spel deden de stelling kantelen. Opnieuw kon ik pas na de 40ste zet een beslissend voordeel verkrijgen ondanks het grote eloverschil.

Tenslotte kreeg ik in de 4de ronde van het voorbije Open Gent opnieuw het variantje op het bord en ditmaal had mijn tegenstander de brute pech dat alle analyses nog fris in het geheugen zaten. Hetzelfde middenspel kwam op het bord maar deze keer wist ik dat ik best eerst de damevleugel controleerde vooraleer andere acties te ondernemen. Dit begripsvoordeel samen met het groot tijdsvoordeel waren uiteraard een ongelijke strijd.

In de 3 partijen behaal ik hetzelfde resultaat maar de wijze waarop is totaal verschillend dankzij het continu bijschaven van de aangeleerde kennis door het analyseren van de eigen partijen. Het is algemeen geweten dat het analyseren van de eigen partijen een must is voor elke speler maar er wordt m.i. te weinig beseft dat er ook van gewonnen partijen kan worden geleerd. Trouwens als jij niets leert van je gewonnen partij dan mag je wel verwachten dat je tegenstander dit zal doen. Het analyseren van de gewonnen partijen is dus ook ergens een methode om de tegenstander een stapje voor te zijn. Uiteraard ben ik akkoord dat je bij tijdsgebrek prioriteit moet geven aan de verloren partijen maar ik ondervind dat tijdsgebrek al te vaak niet de echte reden is en schakers liever iets anders doen dan analyseren waarmee we terug bij de inleiding zitten.

Brabo 

9 opmerkingen:

  1. "In dit blogartikeltje wil ik aantonen dat het niet alleen slechte resultaten zijn waarvan je kunt leren."
    Psychologisch onderzoek - en zoals je weet heb ik daar groot respect voor - toont aan dat mensen sneller en beter leren door te bestuderen wat ze goed doen dan wat ze slecht doen. De implicatie voor analyseren is dat Capablanca er vierkant naast zat. In de eerste plaats moet je je winstpartijen en kwalitatief hoogstaande remisepartijen analyseren, met als doel te specificeren waar je goede zetten speelde en waarom.
    De reden hiervan is eenvoudig: het is goed voor het gevoel van eigenwaarde en bevordert het zelfvertrouwen. En precies daarom is het leuker, wat de vatbaarheid voor nieuwe inzichten bevordert.

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Voor ik 1.e4 opgaf en mij tot 1.d4 wendde heb ik het Loperspel gespeeld. Volgens mij is 6.Lb3 inferieur (na 4.Pf3 d5 5.exd5 cxd5) en is 6.Lb5+ kansrijker. Dat spiegelt zich in de welbekende variant 1.e4 e5 2.Pf3 Pc6 3.Lc4 Lc5 4.c3 Pf6 5.d4 exd4 6.cxd4, waar Lb4+ ook superieur is.
    In mijn aantekeningen staat een partij Kupchik-Simonson, 1940, waar zwart eenvoudig 6.Lb3 Pc6 speelde en een tikje beter kwam te staan. Dat lijkt me nog steeds zinnig: het is al duidelijk dat c6 het optimale veld is voor het paard, maar nog niet helemaal duidelijk waar de zwarte koningsloper naar toe moet.
    Wil wit de loper toch naar b3 spelen dan dient de ruil op d5 achterwege te worden gelaten: 1.e4 e5 2.Lc4 Pf6 3.d3 c6 4.Pf3 d5 5.Lb3 en een voorbeeld is Koch-Mohaupt, 1964. De witspeler was een expert in het Loperspel. Ook dit lijkt me zinnig; wit streeft een soort Gesloten Italiaans na met verwisselde kleuren. Een doel is zwart voorlopig het ideale veld c6 voor het paard te ontzeggen.
    Of wit op voordeel mag hopen is nog een geheel andere vraag.

    BeantwoordenVerwijderen
  3. Ik kan begrijpen dat je van goede voorbeelden veel kunt leren maar de moeilijkheid in het schaken ligt vaak in het feit dat je niet weet wat een goed voorbeeld is. De meeste spelers hebben geen toegang tot goede coaches en van de zetten zelfs met een computerevaluatie ernaast kan je weinig afleiden (anders was iedereen al lang grootmeester).
    Meestal blijft er weinig anders over dan try and error. Je probeert iets, ziet dat het verkeerd afloopt en volgende keer probeer je iets anders. Ik ben het dus niet eens dat Capablanca er vierkant naast zit voor het schaken. Zoals Marcel Van Herck al vertelde in een commentaar onder het vorig artikeltje, mogen we een genie zoals Capablanca niet te snel opzij zetten.

    BeantwoordenVerwijderen
  4. Niet ruilen op d5 is uiteraard de hoofdvariant. Er bestaan weinig kwalitatief hoogstaande partijen met ruil op d5 maar er viel mij wel op dat zwart wat moeilijkheden had met Pc6 in sommige partijen. Ik herinner mij tevens dat Houdini ook eerder koos voor Pbd7 zoals ik toepaste in de partijen. Het zal wel allemaal speelbaar zijn voor beide kleuren.

    BeantwoordenVerwijderen
  5. Partijen bekijken omdat het goed is voor je eigen waarde en het zelfvertrouwen bevordert, werd ook eens aangegeven door Emmanuel Nieto op http://schaakfabriek.be/2012/10/08/david-stunt-tegen-goliath/
    Echter in tegenstelling met de eigen goede partijen te bekijken, bekeek hij de verliespartijen van befaamde grootmeesters.

    Zelf speel ik geregeld mijn eigen partijen na (zowel verlies, remise als winst) maar dat is meer om de analyses op te frissen want anders vervaagt het geheugen.

    BeantwoordenVerwijderen
  6. Ik geloof dat het Van Mil was die ooit eens liet optekenen dat hij als jonge speler weinig leerde van grootmeesterpartijen, tot hij op het idee kwam om partijen te analyseren van spelers die 200 elo sterker waren dan hemzelf. Hun spel begreep hij wel en zo kon hij zijn niveau opkrikken - het "gat" mag blijkbaar niet te groot zijn om er nog iets van te kunnen opsteken.

    BeantwoordenVerwijderen
  7. De Van Mil anekdote ligt in het verlengde van mijn commentaar over computerevaluaties. Niet iedereen is zich dit bewust want in http://schaakfabriek.be/2013/07/13/tanguy-ringoir-zet-ultieme-comeback-in/ vertelde Jan Lagrain dat iedereen die over een engine beschikt wel zelf het schaaktechnische gedeelte kan invullen.

    BeantwoordenVerwijderen
  8. Voor zover er iets concreets in de stelling zit (OK, meerderheid van de partijen) kan ik hierin meegaan. Een puur positionele partij (ik hoop hier binnenkort een artikel over te posten, waarin ik meer uitleg wat ik hiermee bedoel), daar zie ik een computer nog niet veel kennis aanbrengen om een voordeel na 40 zetten in het eindspel te verzilveren. Zolang een analyse nog niet als output tekst heeft in de trant van "de passieve opstelling van de zwarte stukken garandeert wit een voordeel dat via druk op de a-kolom en de ruil van een stel torens een winnend eindspel oplevert" sta ik hier nog kritisch tegenover.

    BeantwoordenVerwijderen
  9. Teichmann vertelt ons dat schaken 99% taktiek is. Daar zit uiteraard een grond van waarheid in maar we mogen dat niet letterlijk nemen. Ik herinner mij de hypothetische discussie onder het blogartikeltje 'de vooruitgang van schaakprogramma's ' waar men meende dat programma's ongeveer 2000 elo zouden halen puur op taktiek.
    In elke partij zit taktiek maar niet elke zet is puur op taktiek gebaseerd. Ik vermoed dat de verhouding wellicht veel dichter bij 50/50 zit dan 99/1. Als we bv. kijken naar de eerste openingszetten dan mogen we al stellen dat er geen taktiek aanwezig is want er is nog geen contact.
    In mijn blogartikels zal je vaak analyses zien staan over varianten die niet op het bord zijn gekomen maar waarover ik wel heb nagedacht tijdens de partij. Soms blijkt dat die varianten beter zijn dan wat ik gespeeld heb (zie blogartikeltje Taktiek) maar minstens even vaak is het omgekeerd. Ik ben van mening dat je ook heel veel kunt opsteken van de zaken die niet werken en dat mis je als je kijkt naar evalutatieschermpjes van de programma's. De programma's geven enkel de goede zetten maar vertellen zelden wat er allemaal is weggelaten na het rekenen.

    BeantwoordenVerwijderen