maandag 16 september 2013

Schaakintuïtie deel 2

In de 3de ronde van Open Gent leed ik met wit een vreemde en onverwachte nederlaag tegen een 200 punten lager gekwoteerde speler, nl. Gilles Regniers. Nu ik moet er onmiddellijk bij vertellen dat Gilles wellicht wel wat ondergekwoteerd staat want hij won net ervoor nog het Open Vlaams kampioenschap ondanks het feit dat er heel wat hogere elo's deelnamen, zie eindstand. Vreemd en onverwacht slaat dus eerder op het verloop van de partij dan het eloverschil.

Reeds in de opening maakte ik een opmerkelijke fout. Tijdens de partij kon ik mij niet meer de openingstheorie herinneren. Dat heb ik wel vaker als het een variant betreft die ik al bestudeerd heb maar nog niet eerder in een serieuze partij op het bord heb gehad. Tijdens de prijsuitreiking vertelde Thibaut Maenhout mij dat ik niet de enige ben die met dit probleem kamp. De sleutel om dit op te lossen is uiteraard de theorie herhalen, herhalen en nogmaals herhalen tot het er vast ingebakken zit maar mijn motivatie en prioriteiten negeren deze oplossing. Nu hoeft het vergeten van de theorie geen onoverkomelijk probleem te zijn als je met de witte stukken speelt, zolang je pragmatisch kiest voor een solide voortzetting (14.g3) en niet perse voor een kritieke. Echter ik ben geen pragmatische speler zoals  mijn eerder blogartikeltje de wetenschappelijke aanpak al aantoonde. Dus koos ik voor een riskant idee met een kwaliteitsoffer dat ik eens gezien had in een gelijkaardige positie, zie onderstaande partij.

Ook in mijn partij tegen Gilles zal je zien dat ik eerst a4 speel om daarna te vervolgen met Pcb4 en cxb4. Ik was mij ervan bewust dat er verschillen waren met Anand-Van Wely maar zag geen directe weerlegging van het idee toen ik het uitvoerde. Slechts enkele zetten later kreeg ik al spijt want toen merkte ik op dat de ogenschijnlijke onbelangrijke verschillen wel een cruciale impact hadden op de evaluatie van de stelling.

Zwart heeft zijn groot voordeel laten verzanden en in de slotstelling kan ik nu makkelijk remise maken met dameruil. Computerprogramma's hebben vandaag nog steeds moeite om te zien dat wit een vesting heeft in dit soort posities. Echter ik was niet tevreden met remise in de partij en meende dat ik risicoloos op winst kon spelen. Mijn tegenstander was hier achteraf over verwonderd maar ik had wel degelijk goede argumenten. Vooreerst beschikte ik over Capablanca's voordeel. Hij claimde in 1932 dat de tandem dame+paard sterker was dan dame+loper, zie het historisch artikel van Edward Winter. Ik moet hierbij wel onmiddellijk vertellen dat de correctheid van deze claim tegenwoordig bekritiseerd wordt want recente statistieken blijken dit niet onmiddellijk te ondersteunen, zie bv. dit artikel. Belangrijker is dat wit het sleutelveld d5 beschikbaar heeft om er een dominant paard op te plaatsen dat niet kan worden afgeruild. De sterkte van die troef kan je bv. goed zien in de onderstaande correspondentiepartij die ik won.

Tenslotte wist ik uit een eerder op deze blog besproken Svechnikovvariant dat wit in gelijkaardige pionnenstructuren dus met (tijdelijk) een pion minder op winst kan blijven spelen. Een recent voorbeeld uit de correspondentiewereld waarin wit succes had, kan je hieronder zien.

Alles optellend maakte mij erg optimistisch over mijn kansen en verklaart waarom ik enkele makkelijke remisevarianten in het verdere verloop van de partij vermeed. Aanvankelijk ging het allemaal goed tot ik iets te veel hooi op mijn vork nam en in de gecreëerde complicaties zelf de weg verloor. Zelfs dan zat er nog remise in maar het omschakelen naar de verdediging lukte niet meer in de weinig resterende tijd van de K.O. fase.

Deze partij toont duidelijk aan dat het vertrouwen op allerlei patronen, thema's,... geen garantie is op succes. In een eerder blogartikeltje over schaakintuitie gaf iemand de commentaar dat intuïtie gewoon toepassen van aangeleerde kennis is. Zo simpel is het dus vaak niet. Behalve in specifieke openingen is normaal geen enkele stelling identiek aan een andere. Elke stelling heeft dus zijn eigen karakteristieken waardoor je niet klakkeloos aangeleerde kennis kunt toepassen. Het toepassen van de juiste kennis op het juiste ogenblik is ook intuïtie. Dit kan je niet zomaar leren in een boekje. Wel is het zo dat ervaring met de tijd wel kan helpen om beter te evalueren. Eenzelfde geluid kan je horen van de huidige wereldkampioen in dit youtubefilmpje.

Brabo

4 opmerkingen:

  1. Recente statistieken spreken Capablanca tegen? Dan moet er iets mis zijn met die statistieken of ze worden fout geïnterpreteerd.

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Het artikeltje waar ik naar verwijs, vertelt zelf ook al dat we voorzichtig moeten zijn met statistieken. Ik heb zelf de statistieken niet gezien dus kan er niet over oordelen maar wel staat vast dat er discussie bestaat over de geldigheid van Capablanca's claim.

    BeantwoordenVerwijderen
  3. Hmm, D+P vs D+L, denk wel dat hier iets over moet te vinden zijn in Modern Chess Strategy van Watson - ik kijk nog wel eens; anderzijds zou ik Pandolfini nu ook niet de meest objectieve bron noemen - het staat als trainer altijd goed om ergens mee op te vallen. En wat valt meer op dan een quote van Capablanca "weerleggen".
    Wat betreft de commentaarquote "intuïtie = toepassen van aangeleerde kennis" !? Persoonlijk noem ik dat ervaring. Intuïtie is net het toepassen van niet-aangeleerde kennis.
    En nog een woordje over je partij: je verlies lijkt me te wijten aan een mix van gebrek aan objectiviteit en (al dan niet reëel) restbeeldvoordeel. Je 32ste zet is daar een voorbeeld van - in jouw plaats zou ik met een pion minder toch maar snel die remise nemen met dameruil. Achteraf is alles makkelijk, ik weet het maar ik reageer hier enkel maar op omdat het me zelf al vaak is voorgevallen (en mijn conclusies heb getrokken).

    BeantwoordenVerwijderen
  4. mijn geheugen werkt gelukkig nog een beetje: http://en.wikipedia.org/wiki/The_exchange_(chess) (zie onder "minor exchange")

    BeantwoordenVerwijderen