In het voorbije decennium heb ik tientallen schaakboeken gelezen maar de motor begint te sputteren. Er is steeds minder dat mij nog kan bekoren waardoor ik zelfs enkele maanden geleden begonnen ben met fictieboeken te lezen zoals Babel, Oliver Twist, De opgang en Project Hail Mary (net gestart). Elke dag net voor slapengaan lees ik x aantal pagina's. Ik vind het een aangename manier om de dag af te sluiten en het helpt mij ook om makkelijker daarna in slaap te vallen (het spelen van schaakwedstrijden laat op de avond is nefast voor mijn nachtrust). Het enige gevaar is dat ik te lang doorlees wanneer het iets te spannend is.
Een van de weinige schaakboeken die ik toch recent aanschafte was The Secret Ingredient geschreven door de Slovaakse grootmeester Jan Markos. De fide-award als beste boek van 2021 deed mij overstag gaan want ik stond aanvankelijk nogal terughoudend tegen nog een boek over schaakpsychologie. Slechts enkele maanden eerder had ik het boek How to Out-Prepare Your Opponent van Jeroen Bosch gelezen en dat boek was al een vat vol schaakpsychologie.
Dus ik vreesde voor te veel herhalingen/ overlappingen maar dat viel eigenlijk best mee. Openingskeuzes/ partijvoorbereidingen worden ook behandeld in The Secret Ingredient maar dat is slechts een deeltje van het canvas die de auteur bestrijkt. Psychologie in het middenspel en eindspel komen ook zeer uitgebreid aan bod en dat is een duidelijke meerwaarde t.o.v. Jeroen's boek.
The Secret Ingredient was voor mij aangename schaaklectuur. De thema's (zelfzekerheid, tijdsmanagement, verdediging, computergebruik ...) worden geïllustreerd met duidelijke partijfragmenten en ook de commentaar is best te pruimen. Na het lezen van het boek ben je overtuigd (indien je het op voorhand al niet was) dat psychologie je kan helpen de resultaten te optimaliseren in bordschaak. Anderzijds (en dat had ik ook niet echt verwacht na meer dan 30 jaar competitieschaak), heb ik niet het gevoel dat ik wereldschokkende nieuwe dingen geleerd heb uit het boek.
Af en toe las ik wel een leuke aanvulling op mijn algemene schaakkennis zoals in het hoofdstuk over tijdsmanagement. Ik heb mij in het verleden geregeld afgevraagd hoe het komt dat ik in tijdnood vaak stellingen verpruts met te agressieve zetten. Zonder tijdnood speel ik veel rustiger dus het is alsof ik een totaal andere speler ben eenmaal ik in tijdnood ben. Wel het boek geeft hiervoor een heel plausibele verklaring uit de psychologie. In een situatie waar acuut gevaar dreigt, zal een mens kiezen tussen vluchten of vechten. In tijdnood heeft een speler geen tijd meer om complexe problemen op te lossen en zijn het de automatische reflexen die bepalen welke zetten er worden gespeeld.
In bovenstaand voorbeeld verwenste ik mezelf dat ik weer al eens mezelf had laten verleiden door een impulsieve pionzet in tijdnood. Het sobere maar veel sterkere Te2 had ik uiteraard ook gezien maar dat deed niets behalve de witte stukken bezig te houden. Ik wilde iets concreet doen maar net door de pionzet kreeg wit plots de kans om zijn stelling te verbeteren wat in grote mate de voorbode was van mijn nederlaag.
Materiaal offeren is iets wat in tijdnood ook heel vaak gebeurd. Er is geen tijd voor een koele beredeneerde afweging van de kansen en de emoties gelinkt aan het aantrekkelijk stukoffer domineren. Ik kan mij meerdere partijen herinneren waar ik (te) kwistig was met materiaal in tijdnood maar in onderstaande partij was het mijn tegenstander die iets te voortvarend de klassieker Lxh3 speelde (zie ook mijn artikel van vorig jaar Hoopschaak). Ik nam het stukoffer aan en gaf het nooit meer af.
In de beginstelling stond zwart niet prettig dus er valt iets voor te zeggen dat het stukoffer een poging was om de partij een ander karakter te geven. In het volgend partijfragment zien we wat er kan gebeuren in een kritieke stelling als je tracht te vluchten i.p.v. te vechten (offeren).
Tja er was natuurlijk geen tijd voor Ka1. Hier ging wit onmiddellijk voor de bijl maar de gevolgen van vluchten kunnen ook soms op lange termijn doorwegen. In toreneindspelen is het welbekend dat activiteit vaak belangrijker is dan materiaal. In het laatste voorbeeld zien we mijn tegenstander aarzelen om de damevleugel op te offeren waardoor kostbare tijd verloren gaat.
Het spreekt voor zich dat tijdnood vermijden onze primaire doelstelling moet zijn waardoor we niet verplicht worden om te kiezen tussen vluchten of vechten. Anderzijds iemand die nooit in tijdnood komt, zal hoogstwaarschijnlijk ook vaak te veel bedenktijd overhouden in zijn partijen en dus evenmin de intrinsiek maximale speelsterkte bereiken. Hoe en welk tijdsmanagement optimaal zijn, is een domein waar we nog heel weinig over weten en hangt zonder twijfel ook af van het individu zelf.
Eenmaal in tijdnood dan wat is het beste? Vluchten of vechten? Mijn artikel toont aan dat het kiezen is tussen de pest en de cholera. Ik zou zeggen het hangt af van diverse factoren. Als tijdnood slechts enkele zetten duurt dan kan het soms goed zijn om onherstelbare beslissingen even uit te stellen tot er weer meer tijd is. Dan sta je misschien wel minder hierdoor maar valt de schade nog te verdedigen. Als je tegenstander ook in tijdnood is dan is het vaak toch beter om de druk te verhogen door te vechten. Ik merk het op in mijn online blitzpartijen waarin ik niet aarzel om materiaal te offeren. Het gevecht om het initiatief is een terugkerende karakteristiek bij elke sterke blitzer.
Brabo